ECLI:NL:RBDHA:2026:7260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 maart 2026
Publicatiedatum
31 maart 2026
Zaaknummer
C/09/701637 / KG RK 26- 501
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot verschoning rechter wegens eerdere bemoeienis met zaak

De meervoudige verschoningskamer van de rechtbank Den Haag behandelde op 19 maart 2026 het verzoek tot verschoning van mr. N.F.H. van Eijk, rechter belast met de hoofdzaak tussen eiser en vennootschap onder firma La Crêpe.

Het verzoek was gebaseerd op het feit dat de rechter eerder betrokken was geweest bij een arbeidsrechtelijke verzoekschriftprocedure tussen dezelfde partijen, wat aanleiding gaf tot een schijn van partijdigheid.

De kamer overwoog dat hoewel rechters worden vermoed onpartijdig te zijn, uitzonderlijke omstandigheden zoals eerdere bemoeienis met de zaak een terechte vrees voor vooringenomenheid kunnen rechtvaardigen. Gezien de aangevoerde omstandigheden werd het verzoek tot verschoning toegewezen.

De behandeling van de hoofdzaak wordt voortgezet door een andere rechter in de stand waarin de procedure zich bevond op het moment van het verzoek. Een afschrift van de beslissing is toegezonden aan de rechter en partijen.

Uitkomst: Het verzoek tot verschoning van de rechter wordt toegewezen en de hoofdzaak wordt voortgezet door een andere rechter.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Verschoningskamer
Verschoningsnummer: 2026/09
Zaak-/rekestnummer: C/09/701637 / KG RK 26- 501
Beslissing van 19 maart 2026
van de meervoudige verschoningskamer van de rechtbank op het verzoek van
mr. N.F.H. van Eijk,
rechter in de rechtbank Den Haag,
hierna de rechter,
belast met de behandeling van de hoofdzaak met kenmerk 11981046/ 25-22002 van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
eiser,
bijgestaan door mr. N.M. Fakiri, advocaat te Rotterdam,
tegen
vennootschap onder firma La Crêpe,
gevestigd te Den Haag,
gedaagde,
bijgestaan door mr. J. Peters, advocaat te Den Haag.

1.De procedure

1.1.
Het verschoningsverzoek van de rechter is gedaan op 18 maart 2026.
1.2.
Een verschoningsverzoek hoeft, anders dan een wrakingsverzoek, niet ter terechtzitting te worden behandeld. Het verzoek is daarom niet ter zitting behandeld.

2.Het verschoningsverzoek

2.1.
De rechter heeft aan het verschoningsverzoek ten grondslag gelegd dat hij in een tussen partijen gevoerde arbeidsrechtelijke verzoekschriftprocedure eerdere bemoeienis heeft gehad met de zaak.

3.De beoordeling

3.1.
Uitgangspunt is dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Uitzonderlijke omstandigheden kunnen een aanwijzing opleveren dat een rechter ten opzichte van een partij vooringenomen is of dat daarvoor een terechte vrees bestaat. Ook de uiterlijke schijn kan daarbij een rol spelen.
3.2.
Gelet op hetgeen de rechter heeft aangevoerd, is het verschoningsverzoek terecht ingediend. Zo wordt de schijn van partijdigheid vermeden. Het verzoek zal dus worden toegewezen. Dit betekent dat de behandeling van de hoofdzaak door een andere rechter moet worden overgenomen.

4.De beslissing

De verschoningskamer:
4.1.
wijst het verzoek tot verschoning toe;
4.2.
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond op het moment dat verschoningsverzoek werd ingediend;
4.3.
beveelt dat een afschrift van deze beslissing wordt toegezonden aan:
* de rechter;
* alle in de aanhef van deze uitspraak genoemde betrokken partijen.
Deze beslissing is genomen in raadkamer op 19 maart 2026 door mrs. S.M. Krans, E.E. Schotte en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier.