ECLI:NL:RBDHA:2026:718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 januari 2026
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/697696 / KG RK 26-86
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van de kantonrechter in een civiele procedure na einduitspraak

Op 19 januari 2026 heeft de meervoudige wrakingskamer van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een wrakingsverzoek van een verzoeker tegen mr. D. Jongsma, de kantonrechter in een civiele procedure. Het wrakingsverzoek was ingediend op 18 december 2025 en aangevuld op 19 december 2025. De wrakingskamer heeft vastgesteld dat de einduitspraak in de hoofdzaak op 16 december 2025 was gedaan, waardoor het wrakingsverzoek niet tijdig was ingediend. Volgens artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan een rechter gewraakt worden op basis van feiten of omstandigheden die de onpartijdigheid van de rechter in gevaar kunnen brengen. Echter, de wet staat geen wraking toe nadat er een einduitspraak is gedaan. De wrakingskamer heeft daarom de verzoeker niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek. De beslissing is openbaar uitgesproken en er staat geen rechtsmiddel open tegen deze uitspraak.

Uitspraak

Rechtbank den haag

Wrakingskamer
wrakingnummer 2025/84
zaak- /rekestnummer: C/09/697696 / KG RK 26-86
Beslissing van 19 januari 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoeker,
strekkende tot de wraking van
mr. D. Jongsma,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de kantonrechter.

1.De procedure

1.1.
Het schriftelijke wrakingsverzoek is gedaan op 18 december 2025 en aangevuld op 19 december 2025.
1.2.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de kantonrechter in de zaak met nummer 11940780 \ RL EXPL 25-20101 tussen verzoeker als eisende partij en [gedaagde] en Stichting Space 4 All als gedaagde partijen (hierna: de hoofdzaak). In de hoofdzaak heeft op 2 december 2025 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Op 16 december 2025 heeft de kantonrechter in de hoofdzaak einduitspraak gedaan.

3.De beoordeling

3.1.
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
3.2.
Volgens vaste rechtspraak (zie o.a. Hoge Raad 13 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ9926) is een schriftelijk ingediend wrakingsverzoek tijdig gedaan indien het voorafgaande aan de uitspraak bij het gerecht is ingekomen en wel op een tijdstip dat de betrokken rechter daarvan redelijkerwijs nog kennis kon nemen.
3.3.
Het wrakingsverzoek is van 18 december 2025. De einduitspraak in de hoofdzaak is gedaan op 16 december 2025. Het verzoek is dus niet tijdig gedaan.
3.4.
Omdat de wet niet voorziet in de mogelijkheid van wraking nadat einduitspraak is gedaan in de zaak van verzoeker, kan hij om die reden niet in het wrakingsverzoek worden ontvangen. Voor een behandeling van het verzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek;
4.2.
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 39, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wordt toegezonden aan:
• de verzoeker;
• de wederpartijen in de hoofdzaak;
• de kantonrechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, A.M.A. Keulen en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.