ECLI:NL:RBDHA:2026:7146
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie- of gezinslid
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid bij referent. De minister heeft deze aanvraag op 26 april 2026 afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing is bij besluit van 23 april 2025 eveneens afgewezen.
Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 11 februari 2026 behandeld. Inmiddels heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Gezien de inhoud van de uitspraak op het beroep wordt de minister veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 934,- aan verzoekster, omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.