Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7146

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL25.22880
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in zaak verblijfsvergunning familie- of gezinslid

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking verblijf als familie- of gezinslid bij referent. De minister heeft deze aanvraag op 26 april 2026 afgewezen. Het bezwaar van verzoekster tegen deze afwijzing is bij besluit van 23 april 2025 eveneens afgewezen.

Verzoekster heeft vervolgens beroep ingesteld en tegelijkertijd een voorlopige voorziening gevraagd. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 11 februari 2026 behandeld. Inmiddels heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep, waardoor de voorlopige voorziening niet langer nodig is.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af. Gezien de inhoud van de uitspraak op het beroep wordt de minister veroordeeld tot betaling van een proceskostenvergoeding van € 934,- aan verzoekster, omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de minister wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.22880

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 maart in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: E.M.G. Walraven).

Inleiding

1. Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 april 2026 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 april 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek, samen met het beroep (NL25.22877), op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, referent, de gemachtigde van verzoekster, I.A. Hofmann als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Bij uitspraak van vandaag heeft de rechtbank uitspraak gedaan op het beroep. Een voorlopige voorziening is daarom niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.
2.1
De voorzieningenrechter ziet, gelet op de inhoud van de uitspraak op het beroep, aanleiding te bepalen dat verzoekers een vergoeding krijgen van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 934,- omdat de gemachtigde een verzoekschrift heeft ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;
- veroordeelt de minister tot betaling van een bedrag van € 934,- aan proceskosten aan verzoekster.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Janssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.J. Bootsma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 18 maart 2026
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.