ECLI:NL:RBDHA:2026:7144

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
09-104599-25, 09-104775-25 (ttz. gev), 09-024003-25 (ttz. gev), 09-287919-25 (ttz. gev.) en 09-291604-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 45 SrArt. 47 SrArt. 63 SrArt. 77a SrArt. 77g Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en taakstraf voor medeplegen poging overval, ontploffing en diefstal snorfiets

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder medeplegen van een poging tot diefstal met geweld op een avondwinkel, het teweegbrengen van een ontploffing en diefstal van een snorfiets.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van betrokkenheid bij een overval op een supermarkt en van voorbereidingshandelingen voor een overval, wegens onvoldoende bewijs. Voor de poging overval op de avondwinkel werd de verdachte veroordeeld op basis van DNA-sporen op een trui en een hamer, camerabeelden en een verklaring van een beperkt anonieme getuige. Ook werd bewezen verklaard dat de verdachte medepleegde bij het plaatsen van een explosief bij een woning, waarbij materiële schade ontstond maar geen levensgevaar was voorzienbaar. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld voor diefstal van een snorfiets in vereniging met een medeverdachte.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een verstandelijke beperking en gedragsstoornis. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde een taakstraf in plaats van volledige jeugddetentie, maar de rechtbank legde een jeugddetentie van 137 dagen op, met aftrek van voorarrest, en een taakstraf van 100 uur waarvan 40 uur voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden gericht op begeleiding en dagbesteding.

De proeftijd van een eerder opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie werd verlengd vanwege het plegen van nieuwe feiten tijdens de proeftijd. De verdachte moet zich gedurende de proeftijd houden aan diverse voorwaarden waaronder begeleiding door jeugdreclassering en het volgen van onderwijs of dagbesteding.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 137 dagen jeugddetentie en 100 uur taakstraf voor medeplegen poging overval, ontploffing en diefstal snorfiets.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-104599-25, 09-104775-25 (ttz. gev), 09-024003-25 (ttz. gev),
09-287919-25 (ttz. gev.) en 09-291604-24 (tul)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van
4 september 2025, 30 oktober 2025 (pro forma), 11 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 18 februari 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en de raadsman van de verdachte is mr. J.P.C.M. van Es te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van
11 februari 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (parketnummer 09-104599-25)
1. medeplegen van een diefstal met geweld van supermarkt [bedrijf 1] gepleegd op 22 januari 2025 te ’s-Gravenhage;
2. medeplegen van een poging tot diefstal met geweld van avondwinkel [bedrijf 2] gepleegd op
23 januari 2025 te ’s-Gravenhage.
Dagvaarding II (parketnummer 09-104775-25)
medeplegen van voorbereiding van een diefstal met geweld gepleegd op 10 februari 2025 te ’s-Gravenhage.
Dagvaarding III (parketnummer 09-024003-25)
medeplegen van het teweegbrengen van een ontploffing gepleegd op 2 oktober 2024 te
’s-Gravenhage tegen [aangever 1] , [aangever 2] (2004) en [aangever 3] (2008).
Dagvaarding IV (parketnummer 09-287919-25)
medeplegen van diefstal van een snorfiets gepleegd op 17 oktober 2025 te Leidschendam gepleegd tegen [aangever 4] , dan wel de heling van een snorfiets.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van het teweegbrengen van een explosie (09-024003-25) alleen wordt gerekwireerd tot bewezenverklaring van ‘gemeen gevaar voor goederen’ en daarmee gedeeltelijke vrijspraak wordt gevorderd voor het tenlastegelegde gevaar voor personen.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van de tenlastegelegde feiten bepleit.
3.3
Feit 1 09-104599-25 (overval op supermarkt [bedrijf 1] ): vrijspraak
Op 22 januari 2025 is de supermarkt [bedrijf 1] aan de [adres 2] in Den Haag overvallen. De officier van justitie verdenkt de verdachte ervan dat hij als medepleger bij de overval betrokken is geweest aangezien hij direct voorafgaand aan de overval buiten de supermarkt kort contact heeft gehad met de overvaller. Daarnaast is er kort na deze overval een foto gemaakt waarop de verdachte geld in zijn handen houdt, dat volgens de officier bij deze overval is buitgemaakt.
De verdachte ontkent elke vorm van betrokkenheid bij deze overval.
Op basis van het dossier is de rechtbank van oordeel dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte betrokken is geweest bij deze overval. Op de camerabeelden van supermarkt [bedrijf 1] is te zien dat de overval in de winkel door één persoon is gepleegd. Op beelden die zijn gemaakt door een camera van de nabijgelegen bakkerij Istanbul zijn in de verte op straat twee personen te zien. Deze personen zijn volgens de officier van justitie de verdachte en de overvaller die elkaar tegemoet lopen. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte niet degene is die op de beelden in de supermarkt te zien is. Dat betekent dat, om te beoordelen of dit feit ten laste van de verdachte bewezen kan worden verklaard, sprake moet zijn van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en degene die op de beelden in de supermarkt is te zien. De rechtbank is van oordeel dat daarvan geen sprake is. Op basis van de beelden van bakkerij Istanbul kan niet worden vastgesteld dat de verdachte de persoon is die de overvaller kort vóór de overval op straat tegenkomt. Uit de bewijsmiddelen kan verder ook niet worden afgeleid dat de overvaller op enigerlei wijze met de verdachte contact heeft gehad over de overval en ook anderszins bevatten de bewijsmiddelen onvoldoende aanwijzingen dat de verdachte bij deze overval betrokken is geweest. Dat op foto’s te zien is dat de verdachte over geld beschikte dat van de overval afkomstig zou zijn, is daarvoor niet voldoende. De verdachte zal daarom van dit feit worden vrijgesproken.
3.4 09-104775-25 (
09-104775-25 (voorbereiding diefstal met geweld): vrijspraak
Op 10 februari 2025 is de verdachte samen met een medeverdachte aangehouden naar aanleiding van een melding over twee jongens die zich in een kelderruimte aan het omkleden waren. De twee jongens zouden zwarte kleding over hun normale kleding aan het aantrekken zijn en één jongen zou zijn gezicht bedekt hebben. Tijdens de aanhouding werd bij de verdachte een verstelbare moersleutel aangetroffen. Bij de medeverdachte werd een houten lat van ongeveer 50 centimeter aangetroffen. Aangezien in deze periode in korte tijd veel overvallen op supermarkten werden gepleegd, ontstond bij de politie het vermoeden dat de verdachte en de medeverdachte voorbereidingshandelingen aan het treffen waren om opnieuw een supermarkt te overvallen.
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat uit het enkele voorhanden hebben van een moersleutel en een houten lat niet kan worden afgeleid dat de verdachte en zijn medeverdachte van plan waren met deze voorwerpen een overval op een supermarkt te plegen. Deze voorwerpen kunnen immers voor allerhande doeleinden gebruikt worden. Daar komt bij dat de overvallen op supermarkten in die periode veelal gepleegd zijn met een machete en een hamer. Ook uit het dragen van meerdere kledingstukken over elkaar heen, hoe ongebruikelijk wellicht ook, kan niet worden afgeleid dat de verdachten bezig waren met voorbereidingshandelingen voor het plegen van een overval. Ten slotte is het op de telefoon van de verdachte aangetroffen chatbericht op de telefoon van de verdachte, waarin hem gevraagd wordt of hij een klus kan doen, onvoldoende concreet om daaraan deze conclusie te kunnen verbinden.
Gelet hierop zal de rechtbank de verdachte van dit feit vrijspreken vanwege het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
3.5
Feit 2 09-104599-25 (poging overval avondwinkel [bedrijf 2] ): gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.6
Feit 2 09-104599-25 (poging overval avondwinkel [bedrijf 2] ): bewijsoverwegingen
Op 23 januari 2025 hebben drie personen geprobeerd om avondwinkel [bedrijf 2] in Den Haag te overvallen. De overvallers hadden zwarte dan wel donkere kleding aan, droegen gezichtsbedekking en waren gewapend met een machete en een hamer. Toen de eigenaar van de avondwinkel op de noodknop drukte en een keukenmes pakte, zijn de drie overvallers de avondwinkel uit gevlucht.
De verdachte heeft verklaard dat hij niets met de overval te maken heeft gehad.
De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is de vraag of de verdachte één van deze drie daders is geweest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De politie heeft kort nadat de overvallers de avondwinkel uit zijn gevlucht onderzoek gedaan in de omgeving van de avondwinkel. Voor het portiek van de [adres 3] werd een groep jongens aangetroffen die allemaal donker gekleed waren en wegvluchtten toen zij de politie zagen. Met behulp van een politiehond is vervolgens verder gezocht en in de kelderbox van de [adres 3] zijn twee personen aangehouden, de medeverdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachte [medeverdachte 2] . Eén verdachte is ontkomen.
In deze kelderbox van de [adres 3] heeft de politie een machete aangetroffen en in een plastic zak een hamer. Beide voorwerpen vertonen zeer sterke gelijkenissen met de machete en de hamer die kort tevoren bij de poging overval waren gebruikt. Ook zijn in de kelderbox verschillende kledingstukken aangetroffen, waaronder een natte zwarte trui van Primark.
De zwarte trui en de hamer zijn door het NFI op DNA-sporen onderzocht. Op de zwarte trui is, in de omgeving van de kraag aan de binnenkant van de trui, DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. Ook op de steel van de hamer is DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen.
Op de beelden van de avondwinkel is te zien dat NN1 een machete vasthoudt en NN2 een hamer. De machete wordt door NN1 overgedragen aan NN2 en de hamer wordt door NN2 aan NN3 overgedragen. Zowel NN1 als NN3 droegen geen handschoenen.
De verdachte heeft bij de politie en ter zitting verklaard dat hij in de ochtend van 23 januari 2025 in de kelderbox aanwezig was en dat hij toen allerlei spullen heeft aangeraakt waardoor zijn DNA op de daar aanwezige goederen terecht kan zijn gekomen.
Samengevat wordt uit de bewijsmiddelen afgeleid dat in de kelderbox een machete en een hamer zijn aangetroffen met zeer specifieke, onderscheidende kenmerken die overeenkomen met de machete en de hamer die bij de poging overval zijn gebruikt, dat in die kelderbox onder meer een natte, zwarte Primark-trui is aangetroffen en dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de in de kelderbox in beslag genomen hamer en de zwarte Primark-trui. Daarbij geldt dat het mengprofiel op de trui meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker is als de verdachte wel DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer het hij geen DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen. Voor het mengprofiel op de hamer geldt dat dit 5 miljoen keer waarschijnlijker is als de verdachte wel DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer dat niet het geval is geweest.
Deze feiten en omstandigheden wijzen erop dat de verdachte een van de overvallers is geweest die betrokken waren bij de poging overval op avondwinkel [bedrijf 2] . De verdachte heeft voor deze omstandigheden geen verklaring gegeven die leidt tot een andere conclusie. Zijn uitleg dat hij tot in de ochtend van 23 januari 2025 in de kelderbox aanwezig was en toen allerlei spullen heeft aangeraakt, geeft geen afdoende verklaring voor het feit dat zijn DNA is aangetroffen in de omgeving van de kraag aan de binnenkant van de trui. Aan de overtuiging dat de verdachte deze trui ook zeer kort tevoren nog heeft gedragen, draagt bij dat deze trui nat was, wat aansluit bij de omstandigheid dat het die avond regende. Het feit dat voorts een aanzienlijke hoeveelheid DNA van de verdachte op de steel van de hamer is aangetroffen, sluit aan bij de omstandigheid dat op de beelden van avondwinkel [bedrijf 2] te zien is dat NN2 de hamer op enig moment overdraagt aan NN3 terwijl NN3 geen handschoenen draagt.
De gevolgtrekkingen uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen vinden ten slotte steun in de verklaring van een beperkt anonieme getuige. Deze getuige heeft bij de politie en bij de rechter-commissaris verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord dat de overval op avondwinkel [bedrijf 2] is gepleegd door drie donkere gasten, onder wie de verdachte, en dat de verdachte is gevlucht. Voorts heeft de getuige verklaard dat een van de verdachten van de poging overval is gebeten door een politiehond. Uit het dossier blijkt dat de medeverdachte [medeverdachte 1] bij zijn aanhouding is gebeten door een politiehond. Ten slotte heeft de getuige verklaard dat hij van de verdachte zelf heeft gehoord dat hij, de verdachte, betrokken was bij de poging overval op avondwinkel [bedrijf 2] .
De raadsman heeft het verweer gevoerd dat de verdediging bij het verhoor van de getuige door de rechter-commissaris in het ondervragingsrecht is beperkt en dat van een effectieve mogelijkheid tot ondervraging zoals voorzien in artikel 6 EVRM Pro geen sprake is geweest. Het is voor de verdediging onnodig moeilijk gemaakt om op effectieve wijze een goed beeld van de betrouwbaarheid van deze getuige en de betrouwbaarheid van diens verklaringen te verkrijgen en de verklaring van deze getuige zou volgens de verdediging dan ook niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.
De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. Ingevolge artikel 190 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) kan de rechter-commissaris bepalen dat het vragen naar de identiteit van een getuige achterwege zal worden gelaten, indien er gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd. De rechter-commissaris neemt in dat geval de maatregelen die redelijkerwijs nodig zijn om onthulling van de identiteit te voorkomen. Op grond van het vierde lid van genoemd artikel vermeldt de rechter-commissaris in zijn proces-verbaal de redenen waarom hij heeft besloten niet naar de identiteit van de getuige te vragen.
Uit het proces-verbaal van het verhoor van deze getuige volgt dat de rechter-commissaris de getuige bij beslissing van 15 januari 2026 heeft aangemerkt als een getuige in de zin van artikel 190 lid 3 Sv Pro en aangegeven dat daarom specifieke maatregelen zullen worden genomen om onthulling van de identiteit van de getuige te voorkomen. Uit het proces-verbaal van het verhoor blijkt wat de gang van zaken is geweest tijdens het verhoor. Deze gang van zaken geeft geen aanleiding om aan te nemen dat het recht op een zuivere waarheidsvinding door de aangebrachte beperkingen is belemmerd. Die beperkingen zijn niet zodanig ingrijpend geweest dat de verklaring van de getuige om die reden als onbetrouwbaar moet worden bestempeld. Ook is niet gebleken dat de verdediging op enig moment tijdens het verhoor beperkt is in het stellen van inhoudelijke vragen aan de getuige. Van een afbreuk aan het ondervragingsrecht in zodanige mate dat sprake is van strijd met artikel 6 EVRM Pro, zoals door de raadsman betoogd, is geen sprake. De rechtbank zal de verklaring van de beperkt anonieme getuige dan ook gebruiken voor het bewijs.
De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger bij de poging overval op de avondwinkel [bedrijf 2] betrokken is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer dat de verdachten gezamenlijk uitvoering hebben gegeven aan deze poging overval en elkaar hebben versterkt in hun handelen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten heeft gehandeld.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.7 09-024003-25 (
09-024003-25 (ontploffing): bewijsoverwegingen
Op 2 oktober 2024 heeft een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres 4] te Den Haag. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte betrokken is geweest bij het teweegbrengen van deze ontploffing. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat in de nacht van 2 oktober 2024 de getuige [getuige 1] , die op dat moment tijdens zijn werk als taxichauffeur in de buurt reed, een harde knal heeft gehoord. De getuige reed in de richting van waar de knal vandaan kwam en op het moment dat hij de Oranjelaan opreed zag hij twee jongens wegrennen vanaf het portiek aan de Oranjelaan in de richting van de kerk Wesley Methodist Church. Ruim anderhalf uur later heeft deze getuige twee jongens zien lopen richting de Parallelweg. Daarover heeft hij op dat moment met de politie enkele WhatsApp-berichten uitgewisseld. In deze berichten vermeldt hij dat de jongens die hij richting de Parallelweg ziet lopen, lijken op de jongens die hij eerder heeft zien wegrennen. Ook schrijft hij dat de jongens steeds achterom kijken en dat ze hard doorlopen. Een van de jongens draagt een grijze hoodie. De getuige schrijft dat dit de hoodie is die hij bij de explosie heeft gezien.
Aan de hand van de verklaring van getuige [getuige 1] heeft de politie de beelden van verschillende camera’s bekeken vanaf het moment vlak vóór de ontploffing en de momenten daarna. Hierop is te zien dat twee personen, NN01 en NN02, om 00:23:55 uur over het Hofwijckplein vanuit de richting van het Stationsplein de Oranjelaan oplopen en dat NN01 een witte plastic tas met inhoud in zijn hand houdt. Circa vijf minuten later lopen zij vanuit de richting van het Rijswijkseplein de Oranjelaan op. NN02 wijst in de richting van het appartementencomplex waar [adres 4] gevestigd is. Om 00:52:23 is een felle explosie op de Oranjelaan ter hoogte van nummer [huisnummer 1] te zien.
Op de camerabeelden van de Methodist Church is om 00:52:48 een harde knal te horen en wordt gezien dat NN01 en NN02 vanuit de Oranjelaan in beeld rennen. NN01 heeft dan de plastic tas die hij eerder bij zich had, niet meer bij zich. Bijna een uur later is te zien dat NN01 en NN02 bij de Methodist Church weer in beeld zijn en dat zij dan gedeeltelijk andere kleding dragen. Vervolgens wordt de vluchtroute van NN01 en NN02 via verschillende camera’s opgenomen totdat zij bij het Stationsplein niet meer in beeld zijn.
Aan de hand van deze camerabeelden is de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] herkend. Zij hebben deze herkenning bij de rechter-commissaris bevestigd en daarop een nadere toelichting gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte herkend aan zijn nonchalante houding, zijn behoorlijk slanke postuur, zijn hoge haargrens en een wat groter voorhoofd. Zij heeft de verdachte gedurende haar werkzaamheden circa vijftien keer gezien. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte herkend aan zijn opvallende broek en zijn donkere huidskleur in combinatie met relatief kort kroeshaar. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte gedurende zijn werkzaamheden meerdere keren gezien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze herkenningen van de verdachte gebaseerd op voldoende onderscheidende gezichts- en lichaamskenmerken.
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte één van de personen is die de ontploffing teweeg heeft gebracht, weegt de rechtbank ook de verklaring van de getuige [getuige 2] mee. Deze getuige heeft verklaard dat hij de verdachte heeft herkend op beelden die zijn vertoond bij Opsporing Verzocht. Hij kent de verdachte, omdat hij samen met hem op een groep bij [instelling 1] gewoond heeft. De verdachte heeft de getuige verteld dat hij, de verdachte, te zien was op de beelden van Opsporing Verzocht en dat hij een cobra had laten afgaan. De dag na de uitzending van Opsporing Verzocht heeft de verdachte hem gevraagd of hij geld kon lenen voor de kapper, omdat hij een nieuw kapsel nodig had.
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verklaring van deze getuige onbetrouwbaar is, omdat deze onjuistheden en tegenstrijdigheden bevat. Dat verweer wordt gepasseerd. Dat de getuige niet eenduidig heeft verklaard over hoe lang hij de verdachte kende doet niet af aan het feit dàt hij de verdachte kende, en dat hij hem kende van de woongroep waar zij samen verbleven. Ook de manier waarop de getuige aan de beelden is gekomen doet niet af aan de rechtmatigheid van het verhoor. De getuige is verder consistent in zijn verklaring dat de verdachte naar de kapper wilde en zijn haar anders wilde laten knippen zodat hij niet herkend zou worden van de beelden van Opsporing Verzocht. Ten slotte heeft de getuige bij de politie verklaard dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij een cobra heeft gebruikt. Dit komt overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek op de plaats delict bij de [adres 4] .
Op de plaats delict zijn voor de woning aan de [adres 4] meerdere stukjes karton aangetroffen en werd een sterke benzinelucht geroken. Op de stukjes karton zaten gele en rode accenten en op een zwart stukje karton stond het woord ‘cobra’. Op de galerij voor huisnummer [huisnummer 2] werd een gesmolten blauwe dop aangetroffen en voor de voordeur van [adres 4] lagen meerdere stukjes van een gesmolten flesje. Hier werd de penetrante benzinelucht nog sterker geroken. Tegen het muurtje, tegenover huisnummer [huisnummer 1] , hing een stukje gesmolten duct tape. Door de ontploffing is het omhulsel van het slot van de voordeur af gevlogen en is de voordeur van huisnummer [huisnummer 1] beschadigd.
Samengevat wordt uit de bewijsmiddelen afgeleid dat getuige [getuige 1] rijdend in zijn taxi om 00:17 uur twee jongens uit de straat waar de knal van de explosie vandaan komt ziet wegrennen in de richting van de kerk Wesley Methodist Church. Op camerabeelden uit de buurt, van kort vóór de explosie tot ruim daarna, worden twee jongens gezien die uit de Oranjelaan naar de Methodist Church lopen en daar nog geruime tijd in beeld blijven. Ruim anderhalf uur nadien meldt dezelfde taxichauffeur dat hij twee jongens ziet lopen die lijken op de jongens die hij eerder zag, en geeft aan de politie door van welke camera’s de beelden moeten worden bekeken om die twee jongens verder te volgen. De verdachte wordt vervolgens op de beelden van verschillende camera’s herkend, zowel door twee verbalisanten als door getuige [getuige 2] . Alle drie de getuigen hebben hun verklaringen bij de rechter-commissaris herhaald. Getuige [getuige 2] heeft ook verklaard dat de verdachte hem heeft verteld dat hij (de verdachte) degene was op de beelden die op televisie zijn getoond en dat hij een cobra heeft gebruikt. Op de plaats delict aan de Oranjelaan zijn ten slotte verschillende sporen aangetroffen die duiden op een gebruikt explosief van -in elk geval- een cobra en een flesje brandbare vloeistof.
Deze feiten en omstandigheden wijzen er op dat de verdachte een van de jongens is geweest die betrokken was bij het plaatsen van een explosief bij de woning aan de [adres 4] te Den Haag. De verdachte heeft voor deze omstandigheden geen verklaring gegeven die leidt tot een andere conclusie.
De gevolgtrekkingen uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen vinden ten slotte steun in de verklaring van de beperkt anonieme getuige. Deze getuige heeft bij de wijkagent verklaard dat de verdachte, die de getuige bij naam noemt, betrokken is bij een explosie achter Hollands Spoor en dat hij hem herkent op een video van de explosie van Omroep West die hij op YouTube heeft gezien. Bij de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard dat hij/zij de verdachte heeft herkend aan zijn haren, zijn gezicht en zijn herkenbare stemgeluid.
De verdediging heeft ten aanzien van deze verdenking zijn bezwaren tegen het gebruik van de verklaring van deze anonieme getuige voor het bewijs herhaald. Dit verweer is reeds gepasseerd, zoals hiervoor onder 3.6 overwogen.
De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger bij de ontploffing aan de [adres 4] betrokken is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte uitvoering heeft gegeven aan het teweegbrengen van de ontploffing.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of van de ontploffing gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De rechtbank moet daarvoor beoordelen of dat gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest dat door het teweegbrengen van een ontploffing in een portiek, door een cobra en een flesje brandbare vloeistof te gebruiken, gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het was immers te verwachten dat door de ontploffing onder meer ramen, deuren en muren beschadigd zouden raken.
Niet kan worden bewezen dat het voor de verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat van de ontploffing levensgevaar te duchten was. De rechtbank wijst er in dit kader op dat geen forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat door de ontploffing zodanig gevaar voor de zich in het appartementencomplex bevindende personen is ontstaan dat er levensgevaar te duchten was.
De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.
3.8 09-287919-25 (
09-287919-25 (diefstal snorfiets): bewijsoverwegingen
De rechtbank komt op basis van het proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de snorfiets met de verdachten, de verklaring van de aangever [aangever 4] en het proces-verbaal van bevindingen waarin door de medeverdachte is verklaard dat de diefstal mislukt is tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal in vereniging.
Op 17 oktober 2025 heeft de politie gezien dat de verdachte samen met de medeverdachte rond 03.00 uur met een snorfiets op straat liep. De verdachte duwde de snorfiets voort en de medeverdachte hield de snorfiets bij het stuur vast. Bij het zien van de politie hebben de verdachten de snorfiets achtergelaten en zijn zij weggelopen. De verdachten hebben meermaals omgekeken om te zien of zij door de politie achtervolgd werden. Uiteindelijk zijn beide verdachten staande gehouden op verdenking van diefstal van de snorfiets. De medeverdachte verklaarde op dat moment dat de snorfiets van een vriend was en dat hij de snorfiets ergens anders moest neerzetten. Na onderzoek aan de snorfiets bleek de tennaamgestelde [aangever 4] , een vrouw, te zijn. Ook was het stuurslot van de snorfiets defect. Hierop zijn de verdachten aangehouden op verdenking van diefstal dan wel heling.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend betrokken te zijn geweest bij de diefstal. Hij zou niet hebben gezien dat de medeverdachte de snorfiets had weggenomen en ging er vanuit dat de medeverdachte voor een vriend de snorfiets moest wegzetten.
De rechtbank acht deze verklaring niet geloofwaardig, omdat deze strijdig is met de inhoud van de bewijsmiddelen. De snorfiets is aangetroffen met een defect stuurslot en bij de aanhouding van de medeverdachte is een stekker met een ingetapete kabel aangetroffen. Dit bleek een contactslotschakelaar te zijn waarmee, met behulp van een sleutel of knop, de elektrische systemen van een voertuig kunnen worden geactiveerd. De verbalisant die de jongens om 03:00 uur ’s nachts zag lopen heeft gezien dat de verdachte de snorfiets voortduwde terwijl de medeverdachte het stuur vasthield. De medeverdachte verklaarde bij aanhouding meteen dat de snorfiets van een maat van hem was en op naam van de broer van die maat zou staan, maar de eigenaar van de snorfiets is een vrouw. En de medeverdachte heeft bij zijn voorgeleiding, toen hem werd verteld dat hij werd verdacht van diefstal van een scooter, tot twee maal toe geantwoord ‘ja maar het was toch niet gelukt’.
De bewijsmiddelen geven bovendien grond voor het oordeel dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn medeverdachte bij het stelen van de snorfiets. Die samenwerking bestaat in de kern uit het uitvoeren van de diefstal doordat één persoon de snorfiets vasthield en de ander de snorfiets voortduwde. Hun gedragingen zijn daarmee, in het licht van de overige, hierboven besproken bewijsmiddelen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm te beschouwen als diefstal. De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte samen en in vereniging met een ander de snorfiets heeft weggenomen.
3.9
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
09-104599-25
2
hij op 23 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een geldbedrag, dat aan Supermarkt [bedrijf 2] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan
ente doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [aangever 5] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken,
- die [aangever 5]
heeftbedreigd met een hamer en een machete,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
09-024003-25
hij op 2 oktober 2024 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een ander bij een woning, gelegen aan de [adres 4] , opzettelijk een ontploffing teweeg heeft gebracht door een cobra en een flesje brandbare vloeistof, met (open) vuur in aanraking te brengen en tot ontploffing te brengen, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten voor die woning aan de [adres 4] en goederen in die woning en in de directe omgeving van die woning te duchten was;
09-287919-25
hij op 17 oktober 2025 te Leidschendam tezamen en in vereniging met een ander, een snorfiets (kenteken [kenteken] ), die aan [aangever 4] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader die weg te nemen snorfiets onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 8 maanden (240 dagen), met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om daarvan een gedeelte van 103 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren, en daaraan te verbinden de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd en ter zitting zijn aangevuld met de verplichting tot het meewerken met een coach tot het moment waarop de verdachte bij [instelling 2] gaat verblijven en de verplichting tot het hebben van een zinvolle dagbesteding.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van
80 uren, subsidiair 40 dagen jeugddetentie gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging verzoekt om, als de verdachte wordt veroordeeld, geen langere jeugddetentie op te leggen dan het voorarrest. De verdediging heeft verzocht om te volstaan met een taakstraf. De verdachte is bereid om een taakstraf uit te voeren.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenOp 23 januari 2025 heeft de verdachte geprobeerd samen met twee anderen avondwinkel [bedrijf 2] te beroven. De verdachten zijn bewapend met een machete en een hamer de avondwinkel binnengelopen en hebben daarmee gedreigd, omdat zij geld wilden stelen. Door krachtig optreden van de eigenaar zijn de verdachten weggerend zonder iets te stelen. Dergelijke brutale en buitengewoon ernstig strafbare feiten veroorzaken heftige gevoelens van angst en onveiligheid, in de eerste plaats bij de slachtoffers maar ook bij omstanders.
Verder heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het teweegbrengen van een ontploffing bij de voordeur van een woning. Naast het feit dat de ontploffing de eigenaar en de buren in het appartementencomplex veel overlast en hinder en vrees voor hun veiligheid heeft bezorgd, is dit feit ook intimiderend en verontrustend voor de samenleving. Door op deze manier te handelen heeft de verdachte een zeer gevaarlijke situatie doen ontstaan, waarbij aan de woning schade is toegebracht. De gevolgen hadden veel ernstiger kunnen zijn, nu de ontploffing plaatsvond op een tijdstip waarop het aannemelijk is dat bewoners in hun woningen liggen te slapen. Dat de gevolgen van de ontploffing beperkt zijn gebleven tot materiële schade, is niet aan de verdachte te danken.
Ten slotte heeft de verdachte zich, terwijl zijn voorlopige hechtenis onder voorwaarden was geschorst, schuldig gemaakt aan het medeplegen van een diefstal van een snorfiets. Met zijn handelen heeft de verdachte er blijk van gegeven geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen en zich enkel te laten leiden door eigen gewin. Diefstal is een hinderlijk feit dat veel overlast en schade voor de benadeelden veroorzaakt.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 13 januari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte eerder veroordeeld is voor een vermogensfeit en een geweldsfeit. De rechtbank heeft daarnaast toepassing gegeven aan artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 5 februari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat het recidiverisico hoog is. De Raad ziet in de verdachte een kwetsbare jongen die al veel ingrijpende gebeurtenissen en (gevoelsmatige) faalervaringen heeft meegemaakt die hem mogelijk voor een deel ook gevormd hebben. Hij is gebaat bij structuur, duidelijkheid en heldere afspraken. Het is belangrijk om hem in zijn ontwikkeling niet te overvragen, maar aan te sluiten bij zijn ontwikkeling. De beste kansen om het risico dat de verdachte opnieuw recidiveert te verkleinen, kunnen worden geboden door de inzet van passende hulpverlening en het bieden van toekomstperspectief. De Raad vindt het positief dat de verdachte aangeeft de wens te hebben om zijn leven positief in te vullen, interesse toont in een bijbaan en bereid is om zichzelf hier ook voor in te zetten. Dit zijn belangrijke factoren die de kans op recidive kunnen verkleinen. De LVB-problematiek van de verdachte heeft invloed op de mate waarin hij zijn eigen handelen en de gevolgen daarvan kan overzien. Binnen sociale situaties kan de verdachte zichzelf behoorlijk verwoorden, wat tot gevolg heeft dat anderen hem snel overvragen. Vanuit overvraging ervaart hij gedrag en emoties die hij moeilijk kan reguleren. Het is daarom ook belangrijk dat hulpverlening vanuit De Waag hem hierin, binnen zijn eigen mogelijkheden, zal ondersteunen. De Raad heeft jeugddetentie overwogen omdat de verdachte verdacht wordt van ernstige feiten en binnen zijn proeftijd recidiveert. Het opleggen van jeugddetentie vindt de Raad niet wenselijk, omdat er vanuit het civielrechtelijk kader een plan ligt om hem door te plaatsen naar een andere behandelplek. De Raad is van mening dat dit plan meer bijdraagt aan het verminderen van de kans op recidive dan het opleggen van jeugddetentie. Gezien de situatie van de verdachte is de Raad van mening dat een werkstraf passender is. De Raad vindt het ook noodzakelijk dat de jeugdreclasseerder betrokken blijft bij de verdachte, omdat hij gebaat is bij de begeleiding die hij vanuit het jeugdreclasseringskader ontvangt. De deskundige heeft ter zitting nader toegelicht dat de betrokkenheid van de jeugdreclassering ook in het kader van bijzondere voorwaarden bij een nieuwe straf kan worden opgelegd in plaats van in de vorm van gewijzigde voorwaarden bij een reeds eerder voorwaardelijk opgelegde straf. Daarnaast is aangevuld dat meerwaarde wordt gezien in voortgezette inzet van zijn coach waarbij als voorwaarde wordt opgelegd dat hij daar aan moet meewerken, en dat de verdachte verplicht wordt om te zorgen voor een nuttige dagbesteding dan wel onderwijs.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het Pro Justitia-rapport van GZ-psycholoog
drs. M. de Bree van 10 oktober 2025. Daaruit volgt - kort samengevat - dat bij de verdachte sprake is van een verstandelijke beperking, matig, en een normoverschrijdend gedragsstoornis, matig van ernst. In algemene zin brengen de zwakke cognitieve vermogens van de verdachte mee dat hij verminderd de gevolgen van zijn gedrag overziet en dat hij zijn gedrag minder goed kan organiseren en zelf kan sturen. Ook brengt dit impulsiviteit mee en een gebrekkig inlevingsvermogen in gevolgen voor een slachtoffer. Hij legt verantwoordelijkheid buiten zichzelf en stelt eigen belangen voorop; dit is passend bij de beschreven gedragsstoornis. De risico’s zijn vooral gelegen in de tekortschietende cognitieve vermogens met bijbehorend gebrek aan zelfsturing en oordeelsvermogen, gecombineerd met het in de loop der jaren gegroeide zelfbepalend gedrag en de overtuiging er alleen voor te staan. Het risico op recidive wordt als hoog ingeschat wanneer deze risicofactoren niet aangepakt worden in een veilige gestructureerde omgeving met voldoende ondersteuning. In een veilige setting met voldoende structuur en aansturing dient de verdachte een realistisch, voldoende positief zelfbeeld te ontwikkelen, te groeien naar meer autonomie en meer vaardigheden hiertoe te ontwikkelen. Dit om een positief perspectief te creëren en terugval in delictgedrag te voorkomen. Gezien de ambivalentie tegenover hulpverlening en het gebrek aan probleembesef is bij een bewezenverklaring een duidelijk kader met toezicht en begeleiding door jeugdreclassering aangewezen. De geadviseerde behandeling en begeleiding kunnen worden opgelegd als bijzondere voorwaarden bij een (deels) voorwaardelijke straf.
De deskundige van de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering heeft ter zitting toegelicht dat de behandeling bij De Waag is gestart. De verdachte verblijft sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis bij [instelling 3] op een groep waar hij nog niet eerder heeft verbleven. Het gaat daar goed met hem. De deskundige hoopt dat de verdachte binnen drie maanden kan doorstromen naar een groep bij [instelling 2] , als onderdeel van een stappenplan dat voor de verdachte is opgezet.
Toerekeningsvatbaarheid
De GZ-psycholoog kan de vraag of het tenlastegelegde in verminderde mate of niet aan verdachte kan worden toegerekend niet beantwoorden omdat de verdachte ontkent. De rechtbank kan om die reden de toerekenbaarheid niet meenemen bij de bepaling van de strafmaat.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor een overval op een winkel een jeugddetentie vanaf vier maanden wordt opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank hierbij mee de bedreiging met een wapen en een hamer en het feit dat deze poging overval een georganiseerd karakter heeft, gelet op de spullen die in de kelderbox zijn aangetroffen. Ook weegt de rechtbank hierbij mee dat de verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven en dus geen verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan.
Het uitgangspunt voor de diefstal van een bromfiets is een taakstraf vanaf 40 uur. Ten slotte is het uitgangspunt voor brandstichting een onvoorwaardelijke jeugddetentie. Voor het teweegbrengen van de ontploffing zoekt de rechtbank hier aansluiting bij.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de feiten zoals door de verdachte gepleegd zonder meer een jeugddetentie rechtvaardigen. De rechtbank heeft bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder laten meewegen de ernst van de feiten, maar ook het feit dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten en dat de verdachte gedurende de schorsing van de voorlopige hechtenis opnieuw een strafbaar feit heeft gepleegd. De rechtbank zal daarom een jeugddetentie opleggen voor de duur van 137 dagen. De dagen die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht zullen hierbij in mindering worden gebracht.
Daarnaast zal de rechtbank aan de verdachte ook een taakstraf bestaande uit een werkstraf voor de duur van 100 uren opleggen, bij niet voldoen te vervangen door 50 dagen jeugddetentie. De rechtbank vindt het van groot belang dat de straf ook bijdraagt aan voorkoming van nieuwe strafbare feiten en dat een deel van de straf een pedagogische component heeft. Het is daarnaast noodzakelijk dat de verdachte sturing en ondersteuning krijgt bij zijn verdere ontwikkeling; daartoe is geruime tijd gewerkt aan een voor de verdachte op maat gemaakt stappenplan, dat de Raad heeft vertaald in de geadviseerde voorwaarden. Daarom zal een deel van de taakstraf, te weten 40 uur, voorwaardelijk worden opgelegd en zullen daaraan bijzondere voorwaarden worden verbonden zodat de verdachte zich met hulp en begeleiding van de jeugdreclassering zo gunstig mogelijk verder kan ontwikkelen. De rechtbank zal aan het voorwaardelijk deel de geadviseerde voorwaarden verbinden zoals gemeld in het rapport van de Raad van 5 februari 2026 en daarnaast de voorwaarden zoals ter zitting aangevuld en toegelicht, te weten het meewerken aan de begeleiding van een coach en zich houden aan de verplichting om naar school te gaan of te zorgen voor een andere zinvolle dagbesteding.

7.De vordering tot tenuitvoerlegging

7.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-291604-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 11 december 2024 voorwaardelijk opgelegde straf van 30 dagen jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verlenging van de proeftijd met één jaar.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair verzocht om de voorwaardelijk opgelegde straf niet ten uitvoer te leggen. Subsidiair heeft de verdediging verlenging van de proeftijd bepleit.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich opnieuw schuldig gemaakt aan een strafbaar feit terwijl hij in een proeftijd liep. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie worden gelast. In de hierboven beschreven omstandigheid dat de verdachte sturing en begeleiding moet krijgen bij zijn verdere ontwikkeling en het van groot belang is dat het daartoe ingezette traject niet wordt doorkruist, ziet de rechtbank aanleiding die last niet te geven. De rechtbank zal de proeftijd van deze voorwaardelijke straf verlengen.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
45, 47, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 157, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (09-104599-25) onder 1 tenlastegelegde en het bij dagvaarding II (09-104775-25) tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (09-104566-25) onder 2 tenlastegelegde feit, het bij dagvaarding III (09-024003-25) tenlastegelegde feit en het bij dagvaarding IV (09-287919-25) primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.9 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I (09-104599-25)
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
dagvaarding III (09-024003-25)
opzettelijk in vereniging een ontploffing teweeg brengen, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is;
dagvaarding IV (09-287919-25)
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
137 (honderdzevenendertig) dagen;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank berekend op 137 dagen), geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
100 (honderd) uren;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 5
0 (vijftig) dagen;
bepaalt dat een gedeelte van deze taakstraf,
40 (veertig) uren, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. zich zal houden aan de afspraken en regels van [instelling 3] en [instelling 2] ;
3. meewerkt aan (residentiële) behandeling vanuit [instelling 3] , De Waag en [instelling 2] ;
4
.gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach, verbonden aan E25 of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
5. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of een andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de vordering tenuitvoerlegging (09-291604-24)
verlengt de proeftijd van de bij vonnis van 11 december 2024 opgelegde voorwaardelijke jeugddetentie met één jaar;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.