3.7 09-024003-25 (09-024003-25 (ontploffing): bewijsoverwegingen
Op 2 oktober 2024 heeft een ontploffing plaatsgevonden aan de [adres 4] te Den Haag. De eerste vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of de verdachte betrokken is geweest bij het teweegbrengen van deze ontploffing. De rechtbank overweegt als volgt.
Uit het dossier blijkt dat in de nacht van 2 oktober 2024 de getuige [getuige 1] , die op dat moment tijdens zijn werk als taxichauffeur in de buurt reed, een harde knal heeft gehoord. De getuige reed in de richting van waar de knal vandaan kwam en op het moment dat hij de Oranjelaan opreed zag hij twee jongens wegrennen vanaf het portiek aan de Oranjelaan in de richting van de kerk Wesley Methodist Church. Ruim anderhalf uur later heeft deze getuige twee jongens zien lopen richting de Parallelweg. Daarover heeft hij op dat moment met de politie enkele WhatsApp-berichten uitgewisseld. In deze berichten vermeldt hij dat de jongens die hij richting de Parallelweg ziet lopen, lijken op de jongens die hij eerder heeft zien wegrennen. Ook schrijft hij dat de jongens steeds achterom kijken en dat ze hard doorlopen. Een van de jongens draagt een grijze hoodie. De getuige schrijft dat dit de hoodie is die hij bij de explosie heeft gezien.
Aan de hand van de verklaring van getuige [getuige 1] heeft de politie de beelden van verschillende camera’s bekeken vanaf het moment vlak vóór de ontploffing en de momenten daarna. Hierop is te zien dat twee personen, NN01 en NN02, om 00:23:55 uur over het Hofwijckplein vanuit de richting van het Stationsplein de Oranjelaan oplopen en dat NN01 een witte plastic tas met inhoud in zijn hand houdt. Circa vijf minuten later lopen zij vanuit de richting van het Rijswijkseplein de Oranjelaan op. NN02 wijst in de richting van het appartementencomplex waar [adres 4] gevestigd is. Om 00:52:23 is een felle explosie op de Oranjelaan ter hoogte van nummer [huisnummer 1] te zien.
Op de camerabeelden van de Methodist Church is om 00:52:48 een harde knal te horen en wordt gezien dat NN01 en NN02 vanuit de Oranjelaan in beeld rennen. NN01 heeft dan de plastic tas die hij eerder bij zich had, niet meer bij zich. Bijna een uur later is te zien dat NN01 en NN02 bij de Methodist Church weer in beeld zijn en dat zij dan gedeeltelijk andere kleding dragen. Vervolgens wordt de vluchtroute van NN01 en NN02 via verschillende camera’s opgenomen totdat zij bij het Stationsplein niet meer in beeld zijn.
Aan de hand van deze camerabeelden is de verdachte door de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] herkend. Zij hebben deze herkenning bij de rechter-commissaris bevestigd en daarop een nadere toelichting gegeven. Verbalisant [verbalisant 1] heeft de verdachte herkend aan zijn nonchalante houding, zijn behoorlijk slanke postuur, zijn hoge haargrens en een wat groter voorhoofd. Zij heeft de verdachte gedurende haar werkzaamheden circa vijftien keer gezien. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte herkend aan zijn opvallende broek en zijn donkere huidskleur in combinatie met relatief kort kroeshaar. Verbalisant [verbalisant 2] heeft de verdachte gedurende zijn werkzaamheden meerdere keren gezien. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze herkenningen van de verdachte gebaseerd op voldoende onderscheidende gezichts- en lichaamskenmerken.
Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte één van de personen is die de ontploffing teweeg heeft gebracht, weegt de rechtbank ook de verklaring van de getuige [getuige 2] mee. Deze getuige heeft verklaard dat hij de verdachte heeft herkend op beelden die zijn vertoond bij Opsporing Verzocht. Hij kent de verdachte, omdat hij samen met hem op een groep bij [instelling 1] gewoond heeft. De verdachte heeft de getuige verteld dat hij, de verdachte, te zien was op de beelden van Opsporing Verzocht en dat hij een cobra had laten afgaan. De dag na de uitzending van Opsporing Verzocht heeft de verdachte hem gevraagd of hij geld kon lenen voor de kapper, omdat hij een nieuw kapsel nodig had.
De verdediging heeft het verweer gevoerd dat de verklaring van deze getuige onbetrouwbaar is, omdat deze onjuistheden en tegenstrijdigheden bevat. Dat verweer wordt gepasseerd. Dat de getuige niet eenduidig heeft verklaard over hoe lang hij de verdachte kende doet niet af aan het feit dàt hij de verdachte kende, en dat hij hem kende van de woongroep waar zij samen verbleven. Ook de manier waarop de getuige aan de beelden is gekomen doet niet af aan de rechtmatigheid van het verhoor. De getuige is verder consistent in zijn verklaring dat de verdachte naar de kapper wilde en zijn haar anders wilde laten knippen zodat hij niet herkend zou worden van de beelden van Opsporing Verzocht. Ten slotte heeft de getuige bij de politie verklaard dat de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij een cobra heeft gebruikt. Dit komt overeen met de bevindingen van het forensisch onderzoek op de plaats delict bij de [adres 4] .
Op de plaats delict zijn voor de woning aan de [adres 4] meerdere stukjes karton aangetroffen en werd een sterke benzinelucht geroken. Op de stukjes karton zaten gele en rode accenten en op een zwart stukje karton stond het woord ‘cobra’. Op de galerij voor huisnummer [huisnummer 2] werd een gesmolten blauwe dop aangetroffen en voor de voordeur van [adres 4] lagen meerdere stukjes van een gesmolten flesje. Hier werd de penetrante benzinelucht nog sterker geroken. Tegen het muurtje, tegenover huisnummer [huisnummer 1] , hing een stukje gesmolten duct tape. Door de ontploffing is het omhulsel van het slot van de voordeur af gevlogen en is de voordeur van huisnummer [huisnummer 1] beschadigd.
Samengevat wordt uit de bewijsmiddelen afgeleid dat getuige [getuige 1] rijdend in zijn taxi om 00:17 uur twee jongens uit de straat waar de knal van de explosie vandaan komt ziet wegrennen in de richting van de kerk Wesley Methodist Church. Op camerabeelden uit de buurt, van kort vóór de explosie tot ruim daarna, worden twee jongens gezien die uit de Oranjelaan naar de Methodist Church lopen en daar nog geruime tijd in beeld blijven. Ruim anderhalf uur nadien meldt dezelfde taxichauffeur dat hij twee jongens ziet lopen die lijken op de jongens die hij eerder zag, en geeft aan de politie door van welke camera’s de beelden moeten worden bekeken om die twee jongens verder te volgen. De verdachte wordt vervolgens op de beelden van verschillende camera’s herkend, zowel door twee verbalisanten als door getuige [getuige 2] . Alle drie de getuigen hebben hun verklaringen bij de rechter-commissaris herhaald. Getuige [getuige 2] heeft ook verklaard dat de verdachte hem heeft verteld dat hij (de verdachte) degene was op de beelden die op televisie zijn getoond en dat hij een cobra heeft gebruikt. Op de plaats delict aan de Oranjelaan zijn ten slotte verschillende sporen aangetroffen die duiden op een gebruikt explosief van -in elk geval- een cobra en een flesje brandbare vloeistof.
Deze feiten en omstandigheden wijzen er op dat de verdachte een van de jongens is geweest die betrokken was bij het plaatsen van een explosief bij de woning aan de [adres 4] te Den Haag. De verdachte heeft voor deze omstandigheden geen verklaring gegeven die leidt tot een andere conclusie.
De gevolgtrekkingen uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen vinden ten slotte steun in de verklaring van de beperkt anonieme getuige. Deze getuige heeft bij de wijkagent verklaard dat de verdachte, die de getuige bij naam noemt, betrokken is bij een explosie achter Hollands Spoor en dat hij hem herkent op een video van de explosie van Omroep West die hij op YouTube heeft gezien. Bij de rechter-commissaris heeft deze getuige verklaard dat hij/zij de verdachte heeft herkend aan zijn haren, zijn gezicht en zijn herkenbare stemgeluid.
De verdediging heeft ten aanzien van deze verdenking zijn bezwaren tegen het gebruik van de verklaring van deze anonieme getuige voor het bewijs herhaald. Dit verweer is reeds gepasseerd, zoals hiervoor onder 3.6 overwogen.
De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger bij de ontploffing aan de [adres 4] betrokken is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachte uitvoering heeft gegeven aan het teweegbrengen van de ontploffing.
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden is of van de ontploffing gemeen gevaar voor goederen, levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten was. De rechtbank moet daarvoor beoordelen of dat gevaar ten tijde van de ontploffing naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest.
De rechtbank is van oordeel dat het voor de verdachte voorzienbaar moet zijn geweest dat door het teweegbrengen van een ontploffing in een portiek, door een cobra en een flesje brandbare vloeistof te gebruiken, gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Het was immers te verwachten dat door de ontploffing onder meer ramen, deuren en muren beschadigd zouden raken.
Niet kan worden bewezen dat het voor de verdachte naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest dat van de ontploffing levensgevaar te duchten was. De rechtbank wijst er in dit kader op dat geen forensisch onderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat door de ontploffing zodanig gevaar voor de zich in het appartementencomplex bevindende personen is ontstaan dat er levensgevaar te duchten was.
De rechtbank zal de verdachte van dit onderdeel vrijspreken.