ECLI:NL:RBDHA:2026:7135

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
09-025889-25, 09-371767-24 (ttz.gev), 09-044108-24 (ttz.gev) en 09-215325-25 (ttz. gev.) en 09-188924-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77a SrArt. 77g SrArt. 77i Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie voor poging diefstal, openlijke geweldpleging en mishandeling

De rechtbank Den Haag heeft op 4 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een minderjarige verdachte geboren in 2009. De verdachte werd beschuldigd van meerdere strafbare feiten, waaronder poging diefstal met geweld, openlijke geweldpleging, mishandeling en belediging van ambtenaren. De zaak werd behandeld over meerdere zittingen tussen mei 2025 en februari 2026.

De rechtbank verklaarde de verdachte onder meer schuldig aan poging diefstal met geweld bij een avondwinkel en een supermarkt, openlijke geweldpleging tegen meerdere personen, meervoudige mishandeling en belediging van politieambtenaren. Medeplegen van de diefstal bij de supermarkt werd niet bewezen verklaard. De verdachte had bekend aan enkele feiten, maar ontkende medeplegen bij de supermarktoverval.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een belaste voorgeschiedenis en psychische problematiek, en het advies van de Raad voor de Kinderbescherming. De verdachte werd veroordeeld tot 10 maanden jeugddetentie, waarvan 1 maand voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden zoals plaatsing in een drie milieus-voorziening en begeleiding door de jeugdreclassering.

Daarnaast werden schadevergoedingen van €500 per benadeelde partij toegekend voor immateriële schade, met wettelijke rente vanaf de datum van het strafbare feit. De vordering tot tenuitvoerlegging van een eerder opgelegde taakstraf werd afgewezen vanwege de noodzaak van behandeling en begeleiding van de verdachte. Het vonnis werd gewezen door drie kinderrechters en uitgesproken in een openbare terechtzitting.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 10 maanden jeugddetentie, waarvan 1 maand voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan benadeelden.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-025889-25, 09-371767-24 (ttz.gev), 09-044108-24 (ttz.gev) en
09-215325-25 (ttz. gev.) en 09-188924-24 (tul)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteland] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] ,
op dit moment in voorlopige hechtenis verblijvende in [instelling 1] in [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van
1 mei 2025, 22 juli 2025 en 8 januari 2026 (pro forma), 9 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 18 februari 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en de raadsman van de verdachte is mr. J. Looman te Wassenaar. De verdachte is op de terechtzitting van
9 februari 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (parketnummer 09-025889-25)
medeplegen van een poging tot diefstal met geweld bij avondwinkel [bedrijf 1] , gepleegd op
23 januari 2025 te ’s-Gravenhage.
Dagvaarding II (parketnummer 09-371767-24)
1. openlijke geweldpleging gepleegd op 20 november 2024 te ’s-Gravenhage tegen
[aangever 1] en/of [aangever 2] ;
2. belediging van ambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2] gepleegd op 20 november 2024 te ’s-Gravenhage.
Dagvaarding III (parketnummer 09-044108-24)
mishandeling gepleegd op 7 februari 2024 te ’s-Gravenhage tegen [aangever 3] en/of [aangever 4] .
Dagvaarding IV (parketnummer 09-215325-25)
medeplegen van een diefstal met geweld bij [bedrijf 2] Supermarkt gepleegd op 22 januari 2025 te ’s-Gravenhage.
De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van het bij dagvaarding IV tenlastegelegde voor zover het ziet op het medeplegen van de diefstal.
De raadsman heeft zich voor het overige tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Partiële vrijspraak dagvaarding IV (09-215325-25)
Op 22 januari 2025 is de supermarkt [bedrijf 2] aan de [adres 2] in Den Haag overvallen. De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij deze overval heeft gepleegd. De verdachte ontkent evenwel dat hij deze overval samen met een ander heeft gepleegd, zoals ten laste is gelegd. De rechtbank is van oordeel dat voor medeplegen onvoldoende bewijs voorhanden is en overweegt daartoe het volgende.
Op de beelden van [bedrijf 2] Supermarkt van de ingang, toonbank en kassa in de winkel, is te zien dat één persoon alle handelingen van de overval binnen de winkel uitvoert. De verdachte heeft bekend dat hij dit is geweest. Dan ligt de vraag voor of voorafgaand aan en/of na de overval de verdachte met een ander zodanig nauw en bewust heeft samengewerkt dat de conclusie gerechtvaardigd is dat sprake is van medeplegen. Het dossier bevat daarvoor geen aanwijzingen. Op beelden van de bakkerij Istanbul, gevestigd verderop in dezelfde straat, zijn in de verte twee personen te zien, onder wie de verdachte. De tweede persoon steekt de straat over en loopt in de richting van de verdachte. Op de beelden is slechts een kort moment te zien waarop deze twee personen elkaar kruisen op straat. Of zij daarbij contact met elkaar hebben, is niet te zien. Andere bewijsmiddelen waaruit samenwerking met de verdachte kan worden afgeleid, bevat het dossier niet. Dat een medeverdachte achteraf geld van de overval in handen zou hebben, zoals te zien zou zijn op foto’s, kan evenmin de conclusie dragen dat de verdachte met diegene in bewuste en nauwe samenwerking de overval heeft gepleegd.
Dit leidt tot de conclusie dat voor medeplegen geen wettig en overtuigend bewijs aanwezig is; de verdachte zal daarom van het tenlastegelegde medeplegen worden vrijgesproken.
3.4
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor de overige feiten met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft deze feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Dagvaarding I (09-025889-25)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025052418 (30Mars), van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 881).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
9 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 5] , opgemaakt op 23 januari 2025
(p. 689-691);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 maart 2025 (p. 738-740).
Dagvaarding II (09-371767-24)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024376558, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 101).
Feit 1
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
9 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 20 november 2024 (p. 7-10);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 20 november 2024 (p. 11-14);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 november 2024 (p. 26-28).
Feit 2
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 9 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 1] , opgemaakt op 20 november 2024 (p. 29-31);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [verbalisant 2] , opgemaakt op 20 november 2024 (p. 32-34);
4. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 20 november 2024 (p. 35-39);
5. Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt op 20 november 2024 (p. 57-60).
Dagvaarding III (09-044108-24)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024040060, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 38).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
9 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3] , opgemaakt op 7 februari 2024 (p. 8-11);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4] , opgemaakt op 7 februari 2024
(p. 12-16).
Dagvaarding IV (09-215325-25)
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025052418 (30Mars), van de politie eenheid Den Haag, district Den Haag-Zuid, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 881).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 9 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6] , opgemaakt op 22 januari 2025 (p. 650-651);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 6 maart 2025 (p. 659-661).
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
dagvaarding I (09-025889-25)
hij op 23 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een geldbedrag, dat aan Avondwinkel [bedrijf 1] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan
ente doen vergezellen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 5] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken,
- een machete en hamer
heeft getoonden daarbij één of meerdere malen 'kassa, kassa'
heeft geroepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
dagvaarding II (09-371767-24)
1
hij op 20 november 2024 te ’s-Gravenhage, openlijk, te weten op de Grote Marktstraat, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen meerdere personen, te weten, [aangever 1] en
[aangever 2] door meermalen
- in het gezicht, althans het hoofd, te slaan en te stompen
- tegen het lichaam te schoppen en
- voornoemd strafbaar feit te filmen;
2
hij op 20 november 2024 te ’s-Gravenhage, opzettelijk meerdere ambtenaren, te weten
[verbalisant 1] en [verbalisant 2] , verbalisanten van politie, eenheid Den Haag, gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening, in hun tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hen de woorden toe te voegen: "je kanker moeder, hoerenzoon, kankerhoerenkind, kankerhoer, kankerwijf, je kanker dode oma";
dagvaarding III (09-044108-24)
hij op 7 februari 2024 te 's-Gravenhage [aangever 3] en [aangever 4] heeft mishandeld door die [aangever 3] en [aangever 4]
- te slaan tegen het lichaam en
- te schoppen tegen het lichaam;
dagvaarding IV (09-215325-25)
hij op 22 januari 2025 te ’s-Gravenhage een geldbedrag ter waarde van 700 euro, dat aan de [bedrijf 2] Supermarkt toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld van bedreiging met geweld tegen [naam] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken, door een machete aan die [naam] te tonen en daarbij één of meerdere malen 'geld, geld, geld in de tas doen' te roepen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om daarvan een gedeelte van
3 maanden voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren, en daaraan te verbinden de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft ter zitting naar voren gebracht dat het lastig is om de straf te bepalen. De officier van justitie heeft een goed voorstel gedaan. Het is volgens de verdediging in ieder geval van groot belang dat de voorwaarden, zoals deze door de Raad zijn geadviseerd, worden opgelegd. De verdachte wil de hulp met beide handen aangrijpen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenOp 22 januari 2025 heeft de verdachte de supermarkt [bedrijf 2] overvallen en op 23 januari 2025 heeft hij samen met twee anderen geprobeerd avondwinkel [bedrijf 1] te overvallen. Beide keren was de verdachte in het bezit van een machete. Met deze machete heeft hij de medewerkers in de supermarkten bedreigd. Dergelijke brute overvallen zijn buitengewoon ernstig strafbare feiten en veroorzaken heftige gevoelens van angst en onveiligheid, in de eerste plaats bij de slachtoffers maar ook bij omstanders.
Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen openlijk geweld gepleegd. De verdachte en twee vrienden liepen achter de slachtoffers, één van de medeverdachten maakte met zijn benen een schaarbeweging, kwam daardoor ten val en raakte één van de slachtoffers, waarna het andere slachtoffer reageerde door die medeverdachte te schoppen. Vervolgens hebben de verdachten de slachtoffers geschopt en geslagen. Daarbij is alles ook door de verdachte gefilmd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen dit als zeer traumatisch ervaren en nog geruime tijd te kampen kunnen hebben met de gevolgen van deze angstaanjagende ervaringen. Bovendien hebben zulke geweldsfeiten ook hun weerslag op het gevoel van veiligheid van de samenleving in het algemeen. Dat klemt in dit geval te meer nu dit geweld middenin een druk winkelgebied plaatsvond en veel mensen in de omgeving aanwezig waren die het hebben kunnen zien.
De verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan nog een geweldsfeit: een mishandeling van twee docenten. Ten slotte heeft de verdachte twee politieagenten beledigd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 28 januari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte eerder veroordeeld is voor een geweldsdelict.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 4 februari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat de verdachte een belaste voorgeschiedenis heeft. De Raad maakt zich, in lijn met de bevindingen uit de Pro Justitia-rapportage, zorgen om de gewetensontwikkeling en het inlevingsvermogen van de verdachte. Zolang de verdachte in een strak kader zit, gaat het goed met hem. Zodra hij meer vrijheden krijgt, is de verdachte niet in staat om zich aan regels en afspraken te houden en gaat hij zijn eigen gang. De Raad is van mening dat op dit moment een drie milieus-voorziening de juiste plek voor de verdachte is. De verdachte heeft baat bij een duidelijke structuur en een behandeling gericht op emotieregulatie, relatieherstel met zijn moeder en, wanneer mogelijk, het verwerken van ingrijpende ervaringen uit het verleden. Het is belangrijk dat de verdachte vaardigheden aanleert om zich aan afspraken te houden en daarbij de juiste ondersteuning krijgt. Het is noodzakelijk dat dit in een strak kader met veel toezicht gebeurt en dat de verdachte weinig kans krijgt om hierin ruimte te zoeken.
Mocht de verdachte schuldig worden bevonden, dan is de Raad van mening dat een onvoorwaardelijke en voorwaardelijke jeugddetentie de meest passende interventie is. Een werkstraf of leerstraf is niet geïndiceerd omdat de verdachte veel moeite heeft om zich aan afspraken te houden en de kans groot is dat dit zal mislukken.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van GZ-psycholoog drs. C. van den Bergh van 25 april 2025. Daaruit volgt - kort samengevat - dat bij de verdachte sprake is van een oppositionele opstandige stoornis, matig van ernst (in gedwongen remissie), een normoverschrijdende gedragsstoornis met begin in de adolescentie (ernstig) en een andere gespecificeerde psychotrauma- of stressorgerelateerde stoornis met PTSS-achtige symptomen. Hij functioneert cognitief op een zwakbegaafd niveau waarmee de adaptieve vaardigheden overeenkomen. Er is ook sprake van ouder-kindrelatieproblemen. De verdachte heeft te maken gehad met life events met veel onrust en basale onveiligheid, wisselende opvoedrelaties en verlies van hechtingsfiguren vanaf zijn vroege ontwikkeling.
Gedragsdeskundige aanknopingspunten voor interventie worden allereerst gezien in een functionele begeleiding in een drie milieu-setting met expertise in de begeleiding van jongeren met een benedengemiddelde intelligentie. Op die manier kan een pro-sociale levensstijl worden ingesleten. Behalve een dergelijke functionele en praktische begeleiding die goed aansluit bij de instrumentele en opportunistische manier waarop de verdachte denkt en handelt, adviseert de psycholoog ook behandeling gericht op herstel van de relatie tussen hem en zijn moeder en op termijn mogelijk ook gericht op verwerking van teleurstellingen uit het verleden. Het effect van een behandeling en een effectieve begeleiding is volgens de psycholoog afhankelijk van een duidelijk kader waarin de verdachte gedurende langere tijd ‘geleerd’ wordt om voor- en nadelen voor zichzelf af te wegen en waarin er ook toezicht is op het nakomen van afspraken.
Het psychologisch onderzoek is alleen uitgevoerd ten aanzien van de verdenking van de overval op avondwinkel [bedrijf 1] . De psycholoog heeft geen advies kunnen uitbrengen over de toerekenbaarheid van dit feit aan de verdachte, omdat hij ten tijde van het onderzoek niet over de verdenking heeft willen praten.
Ter zitting heeft de deskundige van Jeugdbescherming west naar voren gebracht dat de verdachte aan zijn toekomst wil werken. De verdachte heeft een plek nodig waar hij behandeling, structuur en onderwijs krijgt. Hij zal daarvoor geplaatst moeten worden in een drie milieus-voorziening. De verdachte is daarom aangemeld bij [instelling 2] . Het is echter nog niet bekend of hij daar terecht kan. Als de verdachte in vrijheid wordt gesteld terwijl hij (nog) niet bij [instelling 2] terecht zou kunnen, zal gekeken worden naar een overbruggingsplek. Dit kan een crisisplaats zijn, of eventueel bij de moeder. De deskundige heeft ter zitting toegelicht dat de plaatsing in een drie milieus-voorziening als bijzondere voorwaarde moet worden opgelegd om de kans dat de verdachte bij [instelling 2] geplaatst kan worden te vergroten. Als de verdachte alleen in civiel kader begeleiding krijgt dan kan hij niet bij de voor hem geschikte groepen terecht. Daarvoor is begeleiding door de Jeugdreclassering in strafrechtelijk kader belangrijk.
De Raad en de jeugdreclassering hebben ten slotte bij hun adviezen betrokken dat de verdachte op zeer korte termijn vader zal worden en dat dit betekent dat er voor hem een spannende tijd aankomt die hem veel nieuwe uitdagingen zal brengen.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor een overval op een winkel een jeugddetentie vanaf vier maanden wordt opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank hierbij mee de bedreigingen met de machete en een hamer en het feit dat de poging overval op avondwinkel [bedrijf 1] een georganiseerd karakter heeft, gelet op de spullen die bij de aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachte in de kelderbox zijn aangetroffen.
Voor openlijk geweld tegen personen geldt als uitgangspunt een taakstraf vanaf 40 uur, dan wel een daaraan gelijk te stellen jeugddetentie. Voor mishandeling met meerdere klappen en schoppen geldt een uitgangspunt van 40 uur taakstraf en voor belediging van een ambtenaar in functie een taakstraf van 25 uur.
De rechtbank vindt dat de feiten zoals door de verdachte gepleegd zonder meer een jeugddetentie rechtvaardigen. Daarvan zal een deel voorwaardelijk worden opgelegd en aan dat voorwaardelijk deel zullen bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Bij het bepalen van de duur en zwaarte van de straf houdt de rechtbank rekening met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de strafbare feiten - 14 en 15 jaar - en met de aard en ernst van de bewezenverklaarde feiten. In dat licht is de rechtbank van oordeel dat van de eis van de officier van justitie - een jeugddetentie voor de maximale duur van 12 maanden, meer passend bij levensdelicten en delicten waarbij ernstig letsel is veroorzaakt - in enige mate moet worden afgeweken.
Bij het bepalen van de duur en zwaarte van de straf houdt de rechtbank ook rekening met het eensluidende en dringende advies van de Raad en de jeugdreclassering, onderschreven door de coach van de verdachte, dat de verdachte geplaatst moet worden in een drie milieus-voorziening. De verdachte heeft behandeling nodig en daarnaast is hij gebaat bij de duidelijkheid en structuur die hem in zo’n voorziening geboden wordt. Daarom zal als (een van) de bijzondere voorwaarden worden opgelegd dat de verdachte mee moet werken aan plaatsing in en behandeling bij een drie milieus-voorziening.
De weging van de hiervoor besproken omstandigheden leidt ertoe dat de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 10 maanden, waarvan 1 maand voorwaardelijk, passend vindt. Aan het voorwaardelijk deel van de straf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarden verbinden zoals door de Raad geadviseerd en door de jeugdreclassering onderschreven. Met die voorwaarden zal de jeugdreclassering de verdachte kunnen blijven begeleiden.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[aangever 1] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 5.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot toewijzing van de vordering van zowel de benadeelde partij [aangever 2] als van de benadeelde partij [aangever 1] , met matiging van het aan ieder van hen toe te wijzen bedrag tot € 500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.
Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,- ten behoeve van ieder van de slachtoffers [aangever 2] en [aangever 1] .
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vorderingen van de benadeelde partijen te matigen tot
€ 250,- per vordering.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op de aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelden, is de rechtbank van oordeel dat zij door het strafbare feit op andere wijze in hun persoon zijn aangetast. Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als vergoeding voor immateriële schade worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat een vergoeding van € 500,- voor elk van de benadeelde partijen billijk is. De rechtbank wijst de vorderingen van de benadeelde partij [aangever 2] en van de benadeelde partij [aangever 1] daarom tot dat bedrag toe. De rechtbank verklaart de benadeelde partijen in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 november 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vorderingen gedeeltelijk worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partijen hebben betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partijen hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van de slachtoffers naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 bewezenverklaarde strafbare feit van dagvaarding II (09-371767-24) is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf
20 november 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van ieder van de slachtoffers, genaamd [aangever 2] en [aangever 1] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-188924-24 door de kinderrechter van de rechtbank Den Haag op 18 oktober 2024 voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 25 uren, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
Ter zitting heeft de officier van justitie geconcludeerd tot afwijzing van de vordering.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten terwijl hij in een proeftijd liep. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf worden gelast. Niettemin ziet de rechtbank redenen die last niet te geven nu door de Raad naar voren is gebracht dat de kans groot is dat de uitvoering van een taakstraf door de verdachte is gedoemd te mislukken. De verdachte moet zijn tijd en aandacht besteden aan de behandeling en het aanleren van vaardigheden tijdens zijn verblijf in een drie milieus-voorziening. De rechtbank zal daarom, zoals gevorderd door de officier van justitie en bepleit door de verdediging, de vordering tot tenuitvoerlegging afwijzen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36f, 45, 77a, 77g, 77i, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141, 266, 267, 300 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I (09-025889-25)
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
dagvaarding II (09-371767-24)
ten aanzien van feit 1:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
ten aanzien van feit 2:
eenvoudige belediging, aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd;
dagvaarding III (09-044108-24)
mishandeling, meermalen gepleegd;
dagvaarding IV (09-215325-25)
diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straf
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
10(
tien) maanden;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
1 (één) maand, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Jeugdbescherming west te Den Haag op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende drie maanden zich houdt aan een avondklok, te wijzigen door de jeugdreclassering en wanneer en zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
3. meewerkt aan plaatsing in een drie milieus-voorziening of een andere instelling, te bepalen door de jeugdreclassering;
4. meewerkt aan een behandeling gericht op emotieregulatie, verwerken van teleurstellende ervaringen in het verleden en indien mogelijk werken aan relatieherstel tussen de veroordeelde en zijn moeder, bij De Waag of een soortgelijke instelling, te bepalen door de jeugdreclassering;
5
.gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach, verbonden aan E25 of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
6. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of een andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
geeft opdracht aan Jeugdbescherming west, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [aangever 2]hoofdelijk toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
de benadeelde partij [aangever 2], een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 november 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan
de benadeelde partij [aangever 2], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart
de benadeelde partij [aangever 2]niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door
de benadeelde partij [aangever 2]gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van
de benadeelde partij [aangever 2]te betalen € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van
de benadeelde partij [aangever 2]en omgekeerd;
wijst de vordering tot schadevergoeding van
de benadeelde partij [aangever 1]hoofdelijk toe tot een bedrag van € 500,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
de benadeelde partij [aangever 1], een bedrag van € 500,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 20 november 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door de mededaders van de verdachte aan
de benadeelde partij [aangever 1], zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag;
verklaart
de benadeelde partij [aangever 1]niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door
de benadeelde partij [aangever 1]gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte hoofdelijk samen met zijn mededaders de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van
de benadeelde partij [aangever 1]te betalen € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 november 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij, waaronder begrepen betaling door zijn mededaders, tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van
de benadeelde partij[aangever 1]en omgekeerd;
de vordering tenuitvoerlegging (09-188924-24)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 18 oktober 2024 van de kinderrechter in deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke taakstraf, bestaande uit een werkstraf;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijk gedeelte van de opgelegde jeugddetentie.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.H. Rochat, kinderrechter, voorzitter,
mr. E.E. Schotte, kinderrechter,
en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.