ECLI:NL:RBDHA:2026:7118

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
09-025892-25 en 09-000335-26 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 141 SrArt. 312 SrArt. 45 SrArt. 63 SrArt. 77a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en taakstraf voor poging overval en openlijke geweldpleging in Den Haag

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen een minderjarige verdachte die werd verdacht van meerdere strafbare feiten, waaronder poging tot diefstal met geweld bij een avondwinkel en openlijke geweldpleging op het perron van Den Haag Centraal.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging overval op de Corner Markt en van afpersing wegens onvoldoende bewijs. Voor de poging overval op de avondwinkel [bedrijf] werd de verdachte wel wettig en overtuigend bewezen verklaard als medepleger, mede op basis van DNA-sporen, camerabeelden, en getuigenverklaringen. Ook werd bewezen verklaard dat de verdachte openlijk geweld heeft gepleegd tegen een persoon op het station.

De rechtbank hield rekening met de ernst van de feiten, het strafblad en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder een mogelijk licht verstandelijke beperking en een hoog recidiverisico. De opgelegde straf bestaat uit 120 dagen jeugddetentie, waarvan 49 dagen voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en een proeftijd van twee jaar, en een taakstraf van 60 uur. De vorderingen tot schadevergoeding van de benadeelden werden afgewezen wegens niet-ontvankelijkheid.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 120 dagen jeugddetentie (waarvan 49 voorwaardelijk) en 60 uur taakstraf voor poging tot diefstal met geweld en openlijke geweldpleging; vrijspraak voor andere feiten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-025892-25 en 09-000335-26 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2008 te [geboorteplaats] ( [geboorteland] ),
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de besloten terechtzittingen van 9 februari 2026 (inhoudelijke behandeling) en 18 februari 2026 (sluiten onderzoek).
De officier van justitie in deze zaak is mr. M.J.A. Grimmelikhuijsen en de raadsvrouw van de verdachte is mr. M.M. Vié te Den Haag. De verdachte is op de terechtzitting van
9 februari 2026 verschenen.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (parketnummer 09-025892-25)
1. medeplegen van een poging tot diefstal met geweld van de Corner Markt gepleegd op
19 januari 2025 te ’s-Gravenhage;
2. medeplegen van een poging tot diefstal met geweld van avondwinkel [bedrijf] gepleegd op
23 januari 2025 te ’s-Gravenhage;
3. medeplegen van een afpersing gepleegd op 24 juni 2025 te ’s-Gravenhage tegen
[aangever 1] .
Dagvaarding II (parketnummer 09-000335-26)
openlijke geweldpleging gepleegd op 24 augustus 2025 te ’s-Gravenhage tegen [aangever 2] .
De volledige tekst van de (gewijzigde) tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het bij dagvaarding I tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding II tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Feit 1 09-025892-25 (poging overval Corner Markt): vrijspraak
Op 19 januari 2025 hebben twee personen geprobeerd om de Corner Markt in Den Haag te overvallen. De officier van justitie verdenkt de verdachte ervan dat hij NN1 is, de eerste persoon die de Corner Markt binnen kwam lopen. Deze persoon had een machete vast, droeg een zwart vest met oranje letters en zwarte handschoenen met daarop een wit logo. Deze handschoenen zijn naar het oordeel van de rechtbank het enige wat direct herleidbaar zou kunnen zijn naar de verdachte. De verdachte is op 23 januari 2025 in een kelderbox aangehouden met zwarte handschoenen aan met daarop een wit Nike-logo. In deze kelderbox zijn ook een machete en een zwart vest met oranje letters aangetroffen, maar het dossier bevat geen concrete gegevens waaruit kan worden afgeleid dat de verdachte vier dagen eerder dit vest heeft gedragen of deze machete heeft gebruikt bij de poging overval op de Corner Markt. Voor het overige zijn er geen bewijsmiddelen op grond waarvan buiten twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die op 19 januari 2025 bij de poging om de Corner Markt te overvallen betrokken is geweest.
Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de poging overval op de Corner Markt. De rechtbank zal de verdachte van dit feit vrijspreken.
3.4
Feit 3 09-025892-25 (afpersing): vrijspraak
De verdachte wordt ervan verdacht dat hij samen met een ander op 24 juni 2025
[aangever 1] heeft afgeperst. [aangever 1] heeft hierover verklaard dat de medeverdachte een mes trok en dat de verdachte degene was die hem heeft bedreigd. De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat [aangever 1] zijn pinpas heeft afgeven aan de medeverdachte. Later die avond heeft de medeverdachte immers met de pinpas van [aangever 1] een bedrag betaald bij de Titanic supermarkt op de De la Reyweg in Den Haag. Wat evenwel niet kan worden vastgesteld, is wat het aandeel van de verdachte in deze afpersing is geweest. De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting ontkend dat hij [aangever 1] heeft bedreigd. De verdachte erkent wel dat hij in de buurt aanwezig is geweest, maar hij ontkent enige bijdrage te hebben geleverd en zegt dat hij niet heeft gezien dat [aangever 1] werd beroofd. [aangever 1] is de enige persoon die heeft verklaard dat de verdachte dreigementen heeft geuit en deze verklaring wordt niet ondersteund door enig ander bewijsmiddel. Dat betekent dat het dossier voor de wezenlijke bijdrage van de verdachte aan de tenlastegelegde afpersing, bestaande uit het uiten van bedreigingen, onvoldoende bewijs bevat. Dat leidt tot het oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend bewezen kan worden. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van dit tenlastegelegde feit.
3.5
Feit 2 09-025892-25 (poging overval Avondwinkel [bedrijf] ): gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in de bijlage II de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
3.6
Feit 2 09-023592-25 (poging overval Avondwinkel [bedrijf] ): bewijsoverwegingen
Op 23 januari 2025 hebben drie personen geprobeerd om avondwinkel [bedrijf] in Den Haag te overvallen. De overvallers hadden zwarte dan wel donkere kleding aan, droegen gezichtsbedekking en waren gewapend met een machete en een hamer. Toen de eigenaar van de avondwinkel op de noodknop drukte en een keukenmes pakte, zijn de drie overvallers de avondwinkel uit gevlucht.
De verdachte heeft verklaard dat hij niets met de overval te maken heeft gehad.
De vraag die de rechtbank allereerst moet beantwoorden is de vraag of de verdachte één van deze drie daders is geweest. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De politie heeft kort nadat de overvallers de avondwinkel uit zijn gevlucht onderzoek gedaan in de omgeving van de avondwinkel. Voor het portiek van de [adres 2] werd een groep jongens aangetroffen die allemaal donker gekleed waren en wegvluchtten toen zij de politie zagen. Met behulp van een politiehond is vervolgens verder gezocht en in de kelderbox van de [adres 2] zijn twee personen aangehouden. Eén van deze twee personen was de verdachte. De andere persoon was de medeverdachte [medeverdachte] .
De verdachte droeg tijdens zijn aanhouding zwarte handschoenen met een wit Nike-logo. Op de camerabeelden van avondwinkel [bedrijf] is te zien dat overvaller NN2 precies zulke handschoenen droeg ten tijde van de poging overval.
In de kelderbox van de [adres 2] heeft de politie een machete aangetroffen en in een plastic zak een hamer. Beide voorwerpen vertonen zeer sterke gelijkenissen met de machete en de hamer die kort tevoren bij de poging overval waren gebruikt. Ook zijn in de kelderbox verschillende kledingstukken aangetroffen, waaronder natte zwarte Nike-sneakers en een natte zwarte North Face-jas.
De gevonden kledingstukken en schoenen zijn door het NFI op DNA-sporen onderzocht. Op de zwarte North Face-jas is, aan de binnenkant van de manchetten, DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen. Ook op de zwarte Nike-schoenen is, aan de binnenkant bij de instap van de schoenen, DNA-materiaal van de verdachte aangetroffen.
De telefoon van de verdachte straalde kort voor de overval en kort na de overval aan in de omgeving van de [adres 2] . Op het moment van de poging overval straalde de telefoon voor korte tijd nergens aan.
De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij vóór zijn aanhouding in de kelderbox met de medeverdachte [medeverdachte] aan het chillen was. Medeverdachte [medeverdachte] heeft evenwel al in mei 2025 bij de politie bekend dat hij heeft meegedaan aan deze poging tot overval van avondwinkel [bedrijf] . Los daarvan blijkt uit het dossier dat de verdachte bij zijn aanhouding in de kelderbox verstopt zat tussen een muur en een wasmachine, en dat aanhouding pas heeft plaatsgevonden na langdurig aanroepen door de politie en herhaalde waarschuwingen dat een politiehond zou worden ingezet. De wijze waarop de verdachte is aangetroffen, en het feit dat hij het er, ondanks herhaalde waarschuwingen, op aan heeft laten komen dat de politiehond is ingezet die hem vervolgens daadwerkelijk in zijn been heeft gebeten, verdragen zich niet met zijn uitleg dat hij op dat moment in de kelderbox aan het chillen was.
Samengevat wordt uit de bewijsmiddelen afgeleid dat de handschoenen die de verdachte droeg bij zijn aanhouding sterke gelijkenissen vertonen met de handschoenen van overvaller NN2, dat de verdachte nog geen 40 minuten nadat de overvallers zijn weggevlucht is aangehouden in de kelderbox samen met medeverdachte [medeverdachte] , dat in die kelderbox een machete en een hamer zijn aangetroffen met zeer specifieke, onderscheidende kenmerken die overeenkomen met de machete en de hamer die bij de poging overval zijn gebruikt, dat in die kelderbox kledingstukken zijn aangetroffen die er precies zo uitzien als waargenomen op de camerabeelden van de poging overval bij avondwinkel [bedrijf] en dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de in die kelderbox in beslag genomen zwarte North Face-jas en Nike-schoenen. Daarbij gaat het om DNA-mengprofielen waarbij geldt dat deze DNA-mengprofielen meer dan 1 miljard keer waarschijnlijker zijn als de verdachte wel DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen, dan wanneer hij geen DNA aan de bemonstering heeft bijgedragen. Ten slotte volgt uit de bewijsmiddelen dat de telefoon van de verdachte aanstraalde bij de kelderbox kort voor en kort na de poging overval.
Deze feiten en omstandigheden wijzen erop dat de verdachte een van de overvallers is geweest die betrokken waren bij de poging overval op avondwinkel [bedrijf] . De verdachte heeft voor deze omstandigheden geen verklaring gegeven die leidt tot een andere conclusie.
Zijn uitleg dat hij in de kelderbox verschillende kledingstukken heeft aangeraakt geeft geen afdoende verklaring voor het feit dat zijn DNA is aangetroffen aan de binnenkant van de manchetten van de jas en aan de binnenkant van beide schoenen. Dat duidt er op dat de verdachte deze kledingstukken ook daadwerkelijk aan heeft gehad. Aan de overtuiging dat de verdachte deze kledingstukken ook zeer kort tevoren nog heeft gedragen draagt bij dat zowel de jas als de schoenen nat waren, wat aansluit bij de omstandigheid dat het die avond regende.
De gevolgtrekkingen uit de hiervoor besproken bewijsmiddelen vinden ten slotte steun in de verklaring van een anonieme getuige. Deze anonieme getuige heeft verklaard dat de overval op avondwinkel [bedrijf] is gepleegd door drie donkere gasten, waarvan er één is weggevlucht, en dat één van de overvallers door een politiehond is gebeten die volgens deze getuige “ [verdachte] ” heet.
De hiervoor beschreven feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien leiden de rechtbank tot het oordeel dat wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte als medepleger bij de poging overval op de avondwinkel [bedrijf] betrokken is geweest. Uit de bewijsmiddelen volgt naar het oordeel van de rechtbank evenzeer dat de verdachten gezamenlijk uitvoering hebben gegeven aan deze poging overval en elkaar hebben versterkt in hun handelen. De rechtbank is van oordeel dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met de medeverdachten heeft gehandeld.
Conclusie
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen.
3.7
Gebruikte bewijsmiddelen 09-000335-26 (openlijk geweld)
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsvrouw geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-202586794, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 118).
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van
9 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op
24 augustus 2025 (p. 11-14);
3. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op
24 november 2025 (p. 15-18);
4. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 oktober 2025 (p. 31-33).
3.8
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
09-025892-25
2
hij op 23 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met anderen, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om een geldbedrag, dat aan Avondwinkel [bedrijf] toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en deze poging diefstal te doen voorafgaan en te doen vergezellen van bedreiging met geweld tegen [naam] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken,
- een machete en hamer
heeft getoonden daarbij één of meerdere malen 'kassa, kassa'
heeft geroepen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
09-000335-26
hij op 24 augustus 2025 te 's-Gravenhage op het perron van Den Haag Centraal station, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2] , welk in vereniging
gepleegdgeweld bestond uit:
- die [aangever 2] meermalen te slaan en
- die [aangever 2] te schoppen en
- die [aangever 2] vast te pakken en
- richting die [aangever 2] te spugen.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte - rekening houdend met artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht - wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht. De officier van justitie heeft gevorderd om daarvan een gedeelte van 109 dagen voorwaardelijk op te leggen met een proeftijd van twee jaren, en daar aan te verbinden de bijzondere voorwaarden zoals deze door de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) zijn geadviseerd en ter zitting zijn aangevuld met de verplichting tot het meewerken aan een behandeling bij E25.
De officier van justitie heeft daarnaast een taakstraf, bestaande uit een werkstraf van 60 uren gevorderd.
6.2
Het standpunt van de verdediging
Als de verdachte wordt veroordeeld, kan hij zich vinden in het advies van de Raad om geen langere jeugddetentie op te leggen dan het voorarrest. De verdachte is bereid om een taakstraf uit te voeren als hij daartoe wordt veroordeeld. Hij begrijpt ook dat er bijzondere voorwaarden moeten worden opgelegd om hem begeleiding en ondersteuning te kunnen blijven bieden.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit het rapport van de Raad en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feitenOp 23 januari 2025 heeft de verdachte geprobeerd samen met twee anderen de avondwinkel [bedrijf] te beroven. De verdachten zijn bewapend met een machete en een hamer de avondwinkel binnengelopen en hebben daarmee gedreigd en vervolgens ‘kassa, kassa’ geroepen met als doel dat aangever hen het geld uit de kassa zou geven. Door krachtig optreden van de eigenaar is dit niet gelukt en zijn de verdachten weggerend zonder iets te stelen. Dergelijke brutale en buitengewoon ernstig strafbare feiten veroorzaken heftige gevoelens van angst en onveiligheid, in de eerste plaats bij de slachtoffers maar ook bij omstanders
Daarnaast heeft de verdachte samen met anderen openlijk geweld gepleegd. De verdachte zat met zijn medeverdachten in de tram bij het slachtoffer. De verdachten hebben het slachtoffer op het perron bij Den Haag Centraal geslagen, geschopt en bespuugd.
Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van dergelijke gebeurtenissen dit als zeer traumatisch ervaren en nog geruime tijd te kampen kunnen hebben met de gevolgen van deze angstaanjagende ervaringen. Openlijke geweldpleging zorgt er ook voor dat anderen zich onveilig voelen. Dit effect wordt versterkt, omdat deze geweldpleging heeft plaatsgevonden op een tramperron waar, zoals ook op de beelden te zien is, daar op dat moment ook veel andere mensen aanwezig waren. Uiteindelijk heeft zelfs iemand die er niet bij betrokken was, in het gevecht ingegrepen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 15 januari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat hij eerder is veroordeeld voor een vermogensdelict. De rechtbank heeft daarnaast toepassing gegeven aan artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het rapport van de Raad van 5 februari 2026 en de mondelinge toelichting die daarop door de deskundige ter zitting is gegeven. Daaruit volgt - kort samengevat - dat het algemeen recidiverisico hoog is doordat de verdachte al vaker in aanraking is gekomen met de politie. Er zijn verschillende risicofactoren aanwezig die de kans op herhaling vergroten. Gebleken is dat de verdachte zich agressief kan gedragen, dat hij (soms) beïnvloedbaar is en dat hij geen weerstand kan bieden tegen antisociaal gedrag. Het lukt de ouders onvoldoende om ook buitenshuis grip op de verdachte te houden. De verdachte heeft zich een periode niet goed aan zijn schorsende voorwaarden gehouden en heeft hiervoor een officiële waarschuwing gekregen van de jeugdreclasseerder. Hij hield zich regelmatig niet aan de avondklok en ging ook niet volgens rooster naar school/stage. De jeugdreclasseerder en de coach van E25 denken dat er sprake is van onmacht bij de verdachte en niet van onwil. Aangezien hij praktijkonderwijs volgt, is er mogelijk sprake van een licht verstandelijke beperking. Dat zou betekenen dat hij hulp en ondersteuning nodig heeft. Het is belangrijk dat de verdachte vaardigheden aanleert om zich aan zijn afspraken te houden en daarbij de juiste ondersteuning ontvangt. Ondanks schorsende voorwaarden is de verdachte twee keer opnieuw in aanraking gekomen met de politie. Dit maakt duidelijk dat de verdachte echt een strak kader nodig heeft. Mocht de verdachte schuldig worden bevonden, dan concludeert de Raad dat een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan het voorarrest en een deels voorwaardelijke taakstraf in de vorm van een werkstraf met jeugdreclassering vanuit pedagogisch opzicht de meest wenselijke strafrechtelijke reactie is. Door middel van een werkstraf leert de verdachte dat zijn delictgedrag consequenties heeft. Aangezien de verdachte een goede band heeft met zijn coach van E25, lijkt het de Raad verstandig dat de verdachte ook bij E25 behandeling zal ondergaan.
De jeugdreclasseerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat de verdachte gemotiveerd is om aan zijn toekomst te werken. Hij werkt actief mee aan begeleiding en houdt zich goed aan de afspraken. Het valt op dat de verdachte structuur accepteert en dat hij het door die structuur ook goed doet. Ook de jeugdreclasseerder ziet signalen van een licht verstandelijke beperking. Als er bijzondere voorwaarden worden opgelegd is het raadzaam dat daarin wordt verwerkt dat verdere bespreking en behandeling van de risico’s en delictgedrag nodig is. E25 kan de verdachte hiervoor behandeling bieden. Die behandeling omvat een verdiepingstraject, waar begeleiding door een psycholoog ook deel van kan uitmaken.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank heeft ook gekeken naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd en de LOVS-oriëntatiepunten voor de straftoemeting voor minderjarigen. Daarin is als uitgangspunt vermeld dat voor een overval op een winkel een jeugddetentie vanaf vier maanden wordt opgelegd. In strafverzwarende zin neemt de rechtbank hierbij mee de bedreiging met een wapen en een hamer en het feit dat deze poging overval een georganiseerd karakter lijkt te hebben, onder meer gelet op de spullen die bij aanhouding van de verdachte en zijn medeverdachte in de kelderbox zijn aangetroffen. Ook weegt de rechtbank hierbij mee dat de verdachte hardnekkig blijft zwijgen en dus geen verantwoordelijkheid neemt voor wat hij heeft gedaan.
Voor openlijk geweld tegen personen is als uitgangspunt opgenomen een taakstraf vanaf
40 uur of een daaraan gelijk te stellen jeugddetentie.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de feiten zoals door de verdachte gepleegd zonder meer een jeugddetentie rechtvaardigen. Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat een jeugddetentie van langere duur dan de tijd die hij in voorarrest heeft doorgebracht, geen recht doet aan de hiervoor uitvoerig besproken omstandigheden.
De weging van de besproken omstandigheden leidt er toe dat de rechtbank een jeugddetentie voor de duur van 120 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden vindt. Van deze jeugddetentie zullen 49 dagen voorwaardelijk worden opgelegd. De rechtbank zal aan dit voorwaardelijk deel de door de Raad geadviseerde bijzondere voorwaarden verbinden, waaronder ook een behandelverplichting bij E25 zoals ter zitting door de jeugdreclasseerder toegelicht, en een proeftijd van twee jaren verbinden.
De rechtbank ziet daarnaast aanleiding om een taakstraf in de vorm van een werkstraf op te leggen voor de duur van 60 uren. De rechtbank overweegt daartoe dat het van belang is dat de verdachte de directe gevolgen van zijn handelen ondervindt door tijd te besteden aan het verrichten van onbetaalde arbeid.

7.De vordering van de benadeelde partij

[benadeelde] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 9.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
[benadeelde] heeft zich ook namens de Corner Markt als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van
€ 9.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot afwijzing van de vordering namens de Corner Markt en tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] tot een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente.
Voorts vordert de officier van justitie dat de rechtbank aan de verdachte de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 500,- ten behoeve van het slachtoffer genaamd [benadeelde] .
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft net als de officier van justitie bepleit dat de vordering van de Corner Markt afgewezen moet worden. Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] heeft de verdediging primair tot niet-ontvankelijk van de benadeelde partij geconcludeerd nu vrijspraak is bepleit. Subsidiair is de vordering volgens de verdediging onvoldoende onderbouwd en moet de benadeelde partij om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. Meer subsidiair moet de vordering worden gematigd.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
Vordering van de Corner Markt
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding, aangezien uit de stukken en het onderzoek op de terechtzitting niet kan worden opgemaakt aan welke (rechts)persoon de schade is toegebracht - in het formulier is niet vermeld of het bedrijf ‘Corner Markt’ een rechtspersoon of eenmanszaak is - en evenmin is vast te stellen of de indiener van het formulier, [benadeelde] , namens de Corner Markt (wettelijk) bevoegd en gemachtigd is om de vordering tot schadevergoeding in te dienen. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing hiervan zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Vordering van [benadeelde]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden vrijgesproken.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
Dit brengt mee dat de benadeelde partij [benadeelde] moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen beide vorderingen heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:
45, 63, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 141 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I
(09-025892-25) onder 1 en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I (09-025892-25) onder 2 tenlastegelegde feit en het bij dagvaarding II (09-000335-26) tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.8 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
dagvaarding I (09-025892-25)
ten aanzien van feit 2:
poging tot diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen;
dagvaarding II (09-000335-26)
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
120 (honderdtwintig) dagen;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (door de rechtbank berekend op
71 dagen), bij het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
49 (negenenveertig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering te Amsterdam op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
2. zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van E25 of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
3
.gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding door een coach, verbonden aan E25 of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt;
4. gedurende de proeftijd onderwijs volgt of een andere zinvolle en door de jeugdreclassering goedgekeurde dagbesteding heeft;
geeft opdracht aan William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de jeugdreclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
jeugdreclassering, zo vaak en zo lang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen;
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
60 (zestig) uren;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
30 (dertig) dagen;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde] namens de Corner Markt niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij [benadeelde] in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de beide vorderingen gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. E.E. Schotte, kinderrechter, voorzitter,
mr. M.H. Rochat, kinderrechter,
en mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 4 maart 2026.