Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7107

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
NL26.902
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 96 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

De minister heeft op 7 september 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het voortduren van de maatregel reeds eerder getoetst en geoordeeld dat deze tot het sluiten van het onderzoek rechtmatig was. De beoordeling richt zich daarom op de periode daarna. Eiser voerde aan dat er geen zicht is op afgifte van een reisdocument en dat hij coöperatief is, maar de rechtbank acht dit onvoldoende om het beroep gegrond te verklaren.

De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt en dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door rappelleren bij de Algerijnse autoriteiten en het voeren van vertrekgesprekken. De detentieduur van minder dan zes maanden is onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van eiser te doen uitvallen.

De rechtbank concludeert dat de maatregel van bewaring niet onrechtmatig is en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.902
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.M. Walther) en
de Minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S.H.F. Pols).

Procesverloop

De minister heeft op 7 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd. De minister heeft vervolgens een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 5 november 2025 (in de zaak NL25.52567) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van
belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
4. Eiser stelt dat er geen sprake is van enig zicht op afgifte van de laissez-passer (lp) en dat hij zich coöperatief en actief opstelt met betrekking tot zijn terugkeer en uitzetting naar Algerije. Hierbij wordt verwezen naar het vertrekgesprek van 4 december 2025, waarin eiser verklaart dat hij terug zal keren naar Algerije, indien een reisdocument voor hem wordt afgegeven. De lange detentieduur maakt dat de te maken belangenafweging in het voordeel van eiser uit moet vallen, aldus eiser.
5. In wat eiser aanvoert, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, het zicht op uitzetting ontbreekt of dat de belangenafweging thans in het voordeel van eiser uit moet vallen.
6. Wat betreft het zicht op uitzetting overweegt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet ontbreekt.1 De rechtbank ziet ook geen reden om aan te nemen dat dit in het geval van eiser anders is. Hierbij wijst de rechtbank op wat hierover in voormelde uitspraak van 5 november 2025 is overwogen. De minister stelt verder onder verwijzing naar de vertrekgesprekken (van 6 november 2025 en 4 december 2025) terecht dat uit die gesprekken niet blijkt dat eiser actief meewerkt aan zijn terugkeer en uitzetting naar Algerije. De enkele verklaring dat hij als er een reisdocument komt, wel zal vertrekken, is hiertoe onvoldoende.
7. Verder is het de rechtbank niet gebleken dat de minister sinds de vorige uitspraak onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. De minister heeft meermalen, laatstelijk op 17 december 2025, bij de Algerijnse autoriteiten gerappelleerd en daarnaast ook meerdere vertrekgesprekken met eiser gevoerd.
8. Ten slotte is de enkele verwijzing naar de duur van de detentie, die nog geen zes maanden bedraagt, onvoldoende voor het oordeel dat de belangenafweging in het voordeel van eiser dient uit te vallen. De rechtbank is ook overigens niet van omstandigheden gebleken die daartoe nopen.
9. Ook met inachtneming van de ambtshalve toetsing waartoe zij gehouden is, is de rechtbank van oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek niet op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
10. Het beroep is ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
1. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B. Thépass, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.