Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:7059

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
30 maart 2026
Zaaknummer
C/09/693180 / JE RK 25-1773
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArt. 1:265c BWBesluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing van minderjarige kinderen

De rechtbank Den Haag heeft op 27 februari 2026 uitspraak gedaan over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van twee minderjarige kinderen, geboren in 2016 en 2021. De gecertificeerde instelling verzocht om verlenging van deze maatregelen vanwege de aanhoudende ontwikkelingsbedreiging en onveilige opvoedsituatie bij de moeder.

De moeder voerde geen verweer tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Zij stelde dat de kinderen het beste bij haar kunnen opgroeien en dat de pleegouders stoppen met pleegzorg vanwege de zorgbehoefte van de kinderen en de moeizame samenwerking. De gecertificeerde instelling onderbouwde dat terugplaatsing bij de moeder niet mogelijk is vanwege onveilige contacten met de vader en het incident van mishandeling in 2023.

De rechtbank oordeelde dat de ontwikkelingsbedreiging onverminderd aanwezig is en dat verlenging van beide maatregelen noodzakelijk is. Tevens werd vastgesteld dat de bijzondere curator haar opdracht heeft vervuld en haar werkzaamheden worden beëindigd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige kinderen tot 30 november 2026 en beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/693180 / JE RK 25-1773
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de meervoudige kamer
I. Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
II. Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
-
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
-
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna tezamen te noemen: de kinderen.
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. van der Heide-Boertien te Den Haag,
[pleegouder 1]en
[pleegouder 2],
hierna te noemen: de pleegouders,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
mr. drs. K. Moene,
hierna te noemen: de bijzondere curator.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Bij beschikking van 25 november 2025 heeft de kinderrechter in deze rechtbank de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 28 februari 2026 en voor dezelfde duur de machtiging verlengd om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg. Daarnaast heeft de kinderrechter mr. drs. K. Moene benoemd tot bijzondere curator over [minderjarige 1] en bepaald dat de bijzondere curator vóór 16 februari 2026 schriftelijk verslag dient te doen aan de rechtbank en aan de verzoeker en belanghebbenden. De kinderrechter heeft de behandeling van het verzoek voor het overige aangehouden, met verwijzing van de behandeling van het verzoek naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
1.2.
De rechtbank neemt nu ook de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van 25 november 2025;
  • het verslag van de bijzondere curator van 6 februari 2026;
  • de schriftelijke update van de gecertificeerde instelling met bijlagen, ontvangen op 20 februari 2026;
  • het e-mailbericht van de pleegouders met als bijlage een brief van [minderjarige 1], ontvangen op 23 februari 2026;
  • de brief van de gecertificeerde instelling met bijlage, ontvangen op 25 februari 2026;
- de pleitaantekeningen met bijlagen van de advocaat van de moeder.
1.3.
Op 27 februari 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- [naam 1], [naam 2] en [naam 3] namens de gecertificeerde instelling;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de bijzondere curator.
De pleegouders zijn niet verschenen. Uit de brief van de pleegouders van 11 februari 2026, overgelegd door de gecertificeerde instelling als bijlage bij de schriftelijke update, blijkt dat de pleegouders niet op de zitting zullen verschijnen.
1.4.
De rechtbank heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft hierover een brief gestuurd. Tijdens de zitting heeft de rechtbank samengevat wat [minderjarige 1] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
Voor de feiten verwijst de rechtbank naar de beschikking van 25 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De gecertificeerde instelling heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook heeft de gecertificeerde instelling verzocht de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. Van het verzoek resteert op dit moment nog ruim negen maanden. De gecertificeerde instelling verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De gecertificeerde instelling handhaaft het aangehouden deel van het verzoek en motiveert dat als volgt. Al vóór de zitting van 25 november 2025 hebben de pleegouders bij de gecertificeerde instelling aangegeven rond de meivakantie in 2026 te zullen stoppen met de pleegzorg van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De gecertificeerde instelling heeft dat tijdens die zitting niet gemeld, maar beseft nu dat dat wel had gemoeten. De reden dat de pleegouders willen stoppen is de bovengemiddelde zorgbehoefte van met name [minderjarige 1]: de pleegouders kunnen haar, mede omdat zij de zorg combineren met drukke banen, niet de aandacht geven die zij nodig heeft. Daarnaast zorgt de moeizame relatie met de moeder voor veel stress, vooral bij de pleegmoeder. De pleegouders ervaren de klachten en meldingen over de gezondheid en het welzijn van de kinderen als zeer belastend. Zij moeten zich telkens verantwoorden tegenover de hulpverleningsinstanties en de huisarts, terwijl keer op keer blijkt dat er niets aan de hand is. De gecertificeerde instelling betreurt het ten zeerste dat de pleegouders gaan stoppen, omdat wel gezien wordt dat de kinderen het naar hun zin hebben in het pleeggezin en zich daar goed ontwikkelen. De afgelopen maanden heeft de gecertificeerde instelling naarstig gezocht naar een andere passende plek voor de kinderen. Hoewel het perspectief van de kinderen al in november 2024 is bepaald in een pleeggezin, heeft de gecertificeerde instelling aanleiding gezien om bij de herbeoordeling nogmaals te kijken naar de mogelijkheden om op te groeien bij de moeder. In de gesprekken daarover heeft de moeder aangegeven dat zij rustiger is geworden door haar behandeling bij [zorginstantie]. De gecertificeerde instelling heeft de verslaglegging van [zorginstantie] en de reclassering gezien. Hieruit blijkt dat de moeder de trajecten inderdaad heeft afgerond en dat zij positieve stappen heeft gezet ten aanzien van haar (behandel)doelen. De moeder heeft verder benoemd dat zij geen contact heeft met de vader en graag een andere woning wil op een voor de vader geheime plek om daar samen met de kinderen een veilige basis op te bouwen. Tijdens de herbeoordeling is echter ook weer nieuwe informatie naar voren gekomen die de zorgen over de veiligheid van de kinderen opnieuw bevestigt en zelfs doet toenemen. Deze zorgen hebben betrekking op de zorgelijke relatie tussen de moeder en de vader. Volgens de moeder heeft zij al sinds januari 2025 geen contact meer gehad met de vader. Na navraag bij de politie bleek dit niet te kloppen: ook recent zijn er nog meldingen geweest waarbij de vader en de moeder samen waren. Ook heeft [minderjarige 1] verteld dat zij de vader heeft gezien tijdens een videobelmoment in oktober 2025. Het baart de gecertificeerde instelling zorgen dat de moeder niet open is over haar contacten met de vader. Daarnaast blijft de gecertificeerde instelling zorgen houden over het incident dat heeft plaatsgevonden in april 2023, waarbij de moeder [minderjarige 1] heeft mishandeld. De moeder kan nog steeds niet reflecteren op deze gebeurtenis en niet nadrukkelijk erkennen dat dit niet had mogen gebeuren. Op basis van de beschikbare informatie en de recente ontwikkelingen vindt de gecertificeerde instelling dat terugplaatsing bij de moeder niet mogelijk is. Dat neemt niet weg dat er wel ingezet moet worden op het versterken van de onderlinge band tussen de moeder en de kinderen en het uitbreiden van het contact. De afgelopen jaren is de moeder daarin onvoldoende geboden. Helaas is het NIKA-traject nog niet gestart, omdat de financiering niet rond kwam. De verwachting is dat dit nu wel op korte termijn kan starten. De gecertificeerde instelling hoopt dat er op termijn toegewerkt kan worden naar onbegeleid contact, maar dat is nu niet aan de orde. Gelet op het bovenstaande verzoekt de gecertificeerde instelling verlenging van beide kinderbeschermingsmaatregelen voor de verzochte duur.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de moeder is geen verweer gevoerd tegen de verlenging van de ondertoezichtstelling, maar wel tegen de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing. De moeder vindt het kwalijk dat de gecertificeerde instelling tijdens de vorige zitting niet heeft gemeld dat het pleeggezin heeft besloten te stoppen met pleegzorg. Hierdoor is de rechtbank belangrijke informatie onthouden die niet meegewogen kon worden bij de beoordeling van het verzoek. Volgens de moeder is de moeizame samenwerking met de pleegouders niet aan haar te wijten. In mei 2025 heeft er juist een herstelgesprek plaatsgevonden waarbij de moeder haar excuses heeft aangeboden voor haar uitlatingen. De moeder was opgelucht na het gesprek en hoopte op goede voet verder te gaan. De moeder meent dat de gecertificeerde instelling de taak heeft om de onderlinge samenwerking te bevorderen, maar hier is nooit op ingezet. Het is niet in het belang van de kinderen om hen weer over te plaatsen naar een nieuw pleeggezin of gezinshuis. De kinderen hebben al het nodige meegemaakt in hun leven en zouden alleen maar meer beschadigd raken als ze weer bij vreemde mensen geplaatst worden. Overigens is het maar zeer de vraag of er vóór de meivakantie een plek voor de kinderen gevonden wordt waar ze langdurig kunnen blijven. Als dat niet zo is, zal er een crisisplaatsing moeten volgen en dat is niet in hun belang. De moeder meent dan ook dat de kinderen het beste terug naar haar kunnen. De omgang tussen de moeder en de kinderen verloopt goed, zo blijkt ook uit de overgelegde omgangsverslagen. Verder heeft de moeder haar trajecten bij [zorginstantie] en de reclassering afgerond. De moeder beseft dat het om kwetsbare kinderen gaat en dat de kinderen - vooral [minderjarige 1] - hulp nodig hebben. De moeder zou alle hulpverlening accepteren en zij zou bijvoorbeeld ook meewerken aan plaatsing in een moeder-kindhuis. De moeder beaamt dat de veiligheid van de kinderen te allen tijde gewaarborgd moet zijn. Zij geeft juist aan dat de kinderen in het pleeggezin zijn blootgesteld aan onveilige situaties. De moeder benadrukt dat zij geen contact wenst met de vader. Hij is degene die contact met haar zoekt en haar lastigvalt. Hoewel de moeder beseft dat zij al eerder een laatste kans van de rechtbank heeft gekregen, verdient zij, in het belang van de kinderen, een nieuwe laatste kans.
4.2.
De bijzondere curator heeft naar voren gebracht dat zij de afgelopen periode met [minderjarige 1] heeft gesproken. Hoewel [minderjarige 1] niet erg open was, heeft de bijzondere curator wel de indruk gekregen dat ze het fijn vindt bij de pleegouders en dat ze het contact met de moeder goed vindt zoals het nu is. De bijzondere curator denkt niet dat haar verdere betrokkenheid wenselijk is. Er zijn namelijk al veel mensen betrokken bij [minderjarige 1]. De bijzondere curator zag duidelijk spanning bij [minderjarige 1] voor het gesprek, waardoor het de vraag is of het moeten hebben van gesprekken met nog een extra persoon niet alleen maar belastend voor haar is.

5.De beoordeling

Verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging uithuisplaatsing
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Daartoe overweegt de rechtbank dat de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen nog onverminderd aanwezig is. De kinderen hebben al veel meegemaakt in hun leven, waaronder meerdere uithuisplaatsingen ([minderjarige 1] drie keer en [minderjarige 2] twee keer) en onveilige situaties in de opvoedomgeving bij de moeder. Beide kinderen laten signalen zien van trauma en stress, waardoor zij niet (voldoende) toekomen aan hun ontwikkeling. Behandeling van de kinderen, met name van [minderjarige 1], is noodzakelijk, zodat zij de heftige gebeurtenissen uit het verleden kunnen verwerken. De zorgen over de kinderen zijn de afgelopen periode alleen maar toegenomen nu blijkt dat zij niet langer kunnen opgroeien in het pleeggezin, waar zij al sinds juli 2023 wonen. Dat betekent dat de kinderen opnieuw te maken krijgen met een hechtingsbreuk met hun opvoeders en een verandering van hun opvoedsituatie. Gelet op de forse zorgen die er nog zijn over de kinderen en de aanstaande verandering van woonplek, is de rechtbank van oordeel dat de langere betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk is. De gecertificeerde instelling moet toezicht houden op de ontwikkeling van de kinderen en ervoor zorgen dat de juiste hulpverlening wordt ingezet. Daarnaast moet de gecertificeerde instelling onderzoeken of en, zo ja, welke rol de pleegouders kunnen blijven spelen in het leven van de kinderen, aangezien zij belangrijke hechtingsfiguren zijn voor de kinderen. De rechtbank zal het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling, waartegen geen verweer is gevoerd, toewijzen als verzocht.
5.2.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.3.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding. [3] Daartoe overweegt de rechtbank dat een plaatsing bij de moeder niet in het belang van de kinderen is. De gecertificeerde instelling heeft al in november 2024 besloten dat het perspectief van de kinderen niet bij de moeder maar in een pleeggezin ligt. De rechtbank heeft bij beschikking van 13 december 2024 geoordeeld dat de gecertificeerde instelling het opvoedbesluit op goede gronden heeft genomen en gedegen heeft onderbouwd. Desondanks heeft de gecertificeerde instelling het opvoedbesluit heroverwogen toen de pleegouders aangaven dat zij zullen stoppen met pleegzorg. De uitkomst van deze heroverweging is dat plaatsing bij de moeder nog altijd niet in het belang van de kinderen is. De rechtbank is van oordeel dat de gecertificeerde instelling deze conclusie voldoende heeft onderbouwd. Daartoe is redengevend dat de veiligheid van de kinderen onvoldoende gewaarborgd kan worden in de opvoedsituatie bij de moeder. Er is nog altijd sprake van zorgelijk contact tussen de moeder en de vader, waarbij in het midden kan blijven wie het contact opzoekt. Duidelijk is in elk geval dat het de moeder niet lukt de vader op afstand te houden, waardoor de kinderen - die al zoveel hebben meegemaakt - het risico lopen om opnieuw in onveilige situaties te belanden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing verlengd moet worden als verzocht. De gecertificeerde instelling dient de komende tijd op zoek te gaan naar een passende plek voor de kinderen, bij voorkeur een plek waar zij samen geplaatst kunnen worden. De rechtbank spreekt daarbij de hoop uit dat de kinderen in het huidige pleeggezin kunnen blijven tot er een nieuwe passende plek voor hen gevonden is. Dat het perspectief van de kinderen niet meer bij de moeder ligt, neemt niet weg dat er ingezet moet blijven worden op het behoud van de band tussen de kinderen en de moeder, onder meer door inzet van het NIKA-traject dat, zo heeft de gecertificeerde instelling ter zitting meegedeeld, nu spoedig kan starten. Verder moet steeds beoordeeld worden of de omgang verder uitgebreid kan worden. De rechtbank zal het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing ook toewijzen als verzocht.
Beëindigen werkzaamheden bijzondere curator
5.4.
De rechtbank constateert dat de bijzondere curator de opdracht die de kinderrechter haar bij beschikking van 25 november 2025 heeft gegeven, heeft vervuld. De bijzondere curator heeft op 16 januari 2026 gesproken met [minderjarige 1] om haar authentieke mening over het verblijf bij pleegouders en de omgang met de moeder te achterhalen. Uit het verslag en hetgeen de bijzondere curator tijdens de zitting naar voren heeft gebracht blijkt dat de bijzondere curator moeilijk in gesprek kwam met [minderjarige 1]. Wel heeft de bijzondere curator de indruk gekregen dat [minderjarige 1] het naar haar zin heeft bij de pleegouders en tevreden is met de omgang met de moeder zoals die nu is. [minderjarige 1] gaf er geen blijk van langere betrokkenheid van de bijzondere curator te wensen. De rechtbank concludeert dat de opdracht van de bijzondere curator is vervuld en dat daarmee haar werkzaamheden zijn afgerond. De rechtbank ziet, net als de bijzondere curator, geen rol meer voor de bijzondere curator weggelegd. De rechtbank zal de bijzondere curator, onder dankzegging voor de door haar verrichte inspanningen, ontslaan van haar verplichtingen in deze zaak.
5.5.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 30 november 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg tot 30 november 2026;
6.3.
beëindigt de werkzaamheden van de bijzondere curator, mr. drs. K. Moene;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door
mr. E.E. Schotte, mr. M.H. Rochat en mr. C.M. Koole, kinderrechters, in aanwezigheid van
mr. J.M. Dreef als griffier, en op schrift gesteld op 13 maart 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 Burgerlijk Pro Wetboek (BW).
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.
3.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.