ECLI:NL:RBDHA:2026:6975
Rechtbank Den Haag
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling of herkrijging van het Nederlanderschap
Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot herkrijging daarvan met terugwerkende kracht. Verzoeker is geboren uit een Nederlandse vader en een moeder met een andere nationaliteit, en heeft bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkregen. De vader van verzoeker heeft in 2011 een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit afgelegd, waarin ook verzoeker werd genoemd als minderjarig kind dat daardoor het Nederlanderschap verloor.
Verzoeker betoogt dat de afstandsverklaring niet rechtsgeldig is omdat deze niet is geregistreerd in het nationaliteitenregister en dat hij door het ontvangen van een Nederlands paspoort in 2023 gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat hij Nederlander is. De IND stelt dat de afstandsverklaring rechtsgeldig is en dat het ontbreken van registratie geen invloed heeft op het rechtsgevolg.
De rechtbank oordeelt dat op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het Nederlanderschap van verzoeker van rechtswege is verloren door de afstandsverklaring van zijn vader. De wet biedt geen ruimte voor een belangenafweging of het betrekken van verzoeker bij de afstandsverklaring. Ook het gerechtvaardigd vertrouwen door het paspoort leidt niet tot behoud of herkrijging van het Nederlanderschap. Daarom wordt het verzoek afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling of herkrijging van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren door de afstandsverklaring van zijn vader.