Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 februari 2026
Publicatiedatum
29 maart 2026
Zaaknummer
C/09/687844 / HA RK 25-338
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 RWNArt. 15 lid 1 onder b RWNArt. 16 lid 1 onder d RWNArt. 16 lid 2 RWNArtikel 17 RWN
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot vaststelling of herkrijging van het Nederlanderschap

Verzoeker heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn Nederlanderschap of tot herkrijging daarvan met terugwerkende kracht. Verzoeker is geboren uit een Nederlandse vader en een moeder met een andere nationaliteit, en heeft bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkregen. De vader van verzoeker heeft in 2011 een verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit afgelegd, waarin ook verzoeker werd genoemd als minderjarig kind dat daardoor het Nederlanderschap verloor.

Verzoeker betoogt dat de afstandsverklaring niet rechtsgeldig is omdat deze niet is geregistreerd in het nationaliteitenregister en dat hij door het ontvangen van een Nederlands paspoort in 2023 gerechtvaardigd vertrouwen heeft gekregen dat hij Nederlander is. De IND stelt dat de afstandsverklaring rechtsgeldig is en dat het ontbreken van registratie geen invloed heeft op het rechtsgevolg.

De rechtbank oordeelt dat op grond van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) het Nederlanderschap van verzoeker van rechtswege is verloren door de afstandsverklaring van zijn vader. De wet biedt geen ruimte voor een belangenafweging of het betrekken van verzoeker bij de afstandsverklaring. Ook het gerechtvaardigd vertrouwen door het paspoort leidt niet tot behoud of herkrijging van het Nederlanderschap. Daarom wordt het verzoek afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling of herkrijging van het Nederlanderschap wordt afgewezen omdat verzoeker het Nederlanderschap van rechtswege heeft verloren door de afstandsverklaring van zijn vader.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Meervoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-338
Zaaknummer: C/09/687844
Datum beschikking: 26 februari 2026

Beschikking op het op 2 juli 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P. Scholtes te Delft .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de IND”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. R.Y. Reckers.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift, met bijlagen;
- de brief van 17 juli 2025 van de IND, met bijlagen;
- de brief van 18 augustus 2025 van verzoeker;
- het e-mailbericht van 21 augustus 2025 van de IND.
Op 15 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de advocaat van verzoeker en mr. R.Y. Reckers namens de IND. Verzoeker is – hoewel behoorlijk opgeroepen – niet ter zitting verschenen.

Verzoek en het standpunt van de IND

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van het Nederlanderschap van verzoeker, dan wel dat verzoeker met terugwerkende kracht het Nederlanderschap dient te herkrijgen.
De IND concludeert tot afwijzing van het verzoek.

Feiten

- Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] uit het op [datum] 2000 in [land] gesloten huwelijk tussen de heer [vader] en mevrouw [moeder] .
- De vader van verzoeker heeft bij koninklijk Besluit van 12 juni 1996 de Nederlandse nationaliteit verkregen. De vader had de Nederlandse nationaliteit ten tijde van de geboorte van verzoeker en verzoeker heeft bij geboorte de Nederlandse nationaliteit verkregen via zijn vader. Zijn moeder had de [nationaliteit] .
- Verzoeker is op 29 juni 2007 vertrokken naar [land] .
- Verzoeker staat van 2 oktober 2023 tot heden weer ingeschreven in de Basisregistratie personen (Brp) in Nederland.
- Verzoeker heeft de [nationaliteit] .
- Verzoeker heeft op 18 juni 2025 in de gemeente [gemeente] een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning, met als doel ‘verblijf in afwachting van procedure ex. artikel 17 RWN Pro’. Op deze aanvraag is nog niet beslist.

Beoordeling

De rechtbank stelt voorop dat het verzoek is gegrond op artikel 17 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN). Op basis van dit artikel is de rechtbank enkel bevoegd om tot vaststelling van het Nederlanderschap van een persoon over te gaan of tot vaststelling dat die persoon het Nederlanderschap niet bezit. De rechtbank kan niet het Nederlanderschap verlenen.
In geschil is of verzoeker in het bezit is van de Nederlandse nationaliteit. Verzoeker stelt dat dit het geval is, terwijl de IND zich op het standpunt stelt dat verzoeker de Nederlandse nationaliteit van rechtswege is verloren.
De rechtbank stelt op basis van de registratie in de Brp en de overige overgelegde stukken vast dat verzoeker is geboren uit het huwelijk tussen zijn vader [vader] en zijn moeder [moeder] . De vader van verzoeker had op het moment van geboorte van verzoeker de Nederlandse nationaliteit. Dit heeft tot gevolg gehad dat verzoeker op grond van artikel 3 RWN Pro bij geboorte – als kind van een Nederlandse vader – de Nederlandse nationaliteit verkreeg. De vader van verzoeker heeft echter op 15 december 2011 te [geboorteplaats] een “Verklaring van afstand van de Nederlandse nationaliteit” afgelegd, welke verklaring op dezelfde datum door de burgemeester van [geboorteplaats] is bevestigd. In de verklaring worden verzoeker en de twee andere kinderen van de ouders van verzoeker vermeld als zijnde de kinderen voor wie de afstandsverklaring tevens verlies van de Nederlandse nationaliteit ten gevolge heeft.
Artikel 15 lid 1 onder Pro b RWN, zoals dat in 2011 luidde, bepaalt:
“Het Nederlanderschap gaat voor een meerderjarige verloren:
(…)
b. door het afleggen van een verklaring van afstand;
(…)”.
Artikel 16 lid 1 onder Pro d RWN, zoals dat in 2011 luidde, bepaalt:
“Het Nederlanderschap gaat voor een minderjarige verloren:
(…)
d. indien zijn vader of moeder het Nederlanderschap verliest ingevolge artikel 15, eerste lid, onder b, c of d, (…);”.
Lid 2 van dit artikel luidt:
“Het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid treedt niet in:a. indien en zolang een ouder het Nederlanderschap bezit;
(…)”.
Uit de voornoemde artikelen van de RWN volgt dat verzoeker van rechtswege het Nederlanderschap is verloren, doordat verzoeker, op het moment van het afleggen van de verklaring van afstand door de vader van verzoeker, minderjarig was.
De uitzondering van lid 2 gaat voor verzoeker niet op, omdat zijn moeder niet het Nederlanderschap bezit en nooit heeft bezeten. Bij de herziening van de RWN op 1 april 2003 is lid 2 van artikel 16 RWN Pro verruimd. De toegevoegde bepalingen – waarvan enkelen ook met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1985 worden geacht te gelden – zien op situaties dat het verlies van het Nederlanderschap, bedoeld in het eerste lid, niet intreedt. Deze situaties zijn evenwel ook niet van toepassing op verzoeker.
Verzoeker stelt zich op het standpunt dat de verklaring van afstand van de vader van verzoeker kwijt is en niet is geregistreerd in het nationaliteitenregister. Hierdoor kan niet worden gecontroleerd of de verklaring rechtsgeldig tot stand is gekomen. Alleen een verklaring van de burgemeester waarin de afstandsverklaring door de vader wordt bevestigd is onvoldoende. Verzoeker is daarom primair van mening dat de afstandsverklaring geen rechtsgevolg heeft. Gelet hierop moet volgens verzoeker worden aangenomen dat hij altijd de Nederlandse nationaliteit heeft behouden.
De IND voert verweer en stelt dat de omstandigheid dat de afstandsverklaring in 2011 niet is opgenomen in het nationaliteitenregister en bij de gemeente [geboorteplaats] niet is terug te vinden, niet betekent dat de afstandsverklaring niet heeft plaatsgevonden. Uit de bevestiging van de afstandsverklaring door de burgemeester en uit het feit dat de afstandsverklaring is vermeld in de Brp van de vader van verzoeker volgt dat deze afstandsverklaring is afgelegd. Voorts volgt uit de RWN niet dat een afstandsverklaring slechts rechtsgevolg heeft indien die verklaring wordt ingeschreven in het nationaliteitenregister.
De rechtbank overweegt als volgt. Namens verzoeker is aangevoerd dat de vader van verzoeker in 2011 afstand heeft gedaan van de Nederlandse nationaliteit. Daarnaast is er een kopie van een door de burgemeester ondertekend document waarin de afstandsverklaring van de vader wordt bevestigd. Deze afstandsverklaring is alsnog geüpload en ook is de afstandsverklaring vermeld in de Brp van de vader van verzoeker en verzoeker. Uit de Brp van verzoeker blijkt ook dat hij niet de Nederlandse maar de [nationaliteit] heeft. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat de afstandsverklaring is afgelegd met als gevolg dat de vader van verzoeker zijn Nederlanderschap verloor. Gelet op het bepaalde in artikel 16 lid 1 onder Pro d RWN heeft verzoeker daarmee ook de Nederlandse nationaliteit verloren.
Voorts stelt verzoeker zich op het standpunt dat bij de verklaring van afstand door zijn vader een belangenafweging had moeten plaatsvinden. De afstandsverklaring is eenzijdig door de vader van verzoeker gedaan zonder hierin verzoeker te betrekken. Bij de afstandsverklaring zijn de belangen van verzoeker, in hoedanigheid van een (kwetsbaar) kind, op geen enkele manier betrokken en verzoeker is niet gehoord, aldus verzoeker. Daarnaast heeft de afgifte van een Nederlands paspoort aan verzoeker in 2023 het gerechtvaardigd vertrouwen bij verzoeker gewekt dat hij de Nederlandse nationaliteit heeft. Verzoeker heeft aan de hand daarvan zijn leven in Nederland verder opgebouwd.
De IND voert verweer en stelt dat de manieren waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen limitatief zijn opgenomen in de RWN en dat voor een belangenafweging in de RWN geen ruimte is.
De rechtbank stelt vast dat in de RWN, zoals ook door de IND naar voren is gebracht, de wijzen van het verkrijgen en het verliezen van de Nederlandse nationaliteit of het behouden daarvan limitatief zijn opgesomd. Voor het maken van een belangenafweging zoals door verzoeker is betoogd biedt de wet geen ruimte. Ook het feit dat verzoeker niet is betrokken bij de keuze die zijn vader indertijd maakte, is op grond van de artikelen van de RWN niet relevant. De rechtbank ziet in het gestelde dan ook geen grond waarop kan worden geconcludeerd dat verzoeker, ondanks de afstandsverklaring door zijn vader, het Nederlanderschap desondanks heeft behouden.
Voor zover verzoeker een beroep op het evenredigheidsbeginsel of een ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur doet om tot vaststelling van het Nederlanderschap te komen, kan dit beroep ook niet slagen. De manieren waarop de Nederlandse nationaliteit kan worden verkregen, zijn, zoals hiervoor overwogen, limitatief opgenomen in de RWN. Onder deze manieren van verkrijging is niet begrepen de werking van enig algemeen beginsel van behoorlijk bestuur (zie bijvoorbeeld Hoge Raad, 25 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:331). Dat aan verzoeker in 2023 abusievelijk een Nederlands paspoort is verstrekt hetgeen bij hem het vertrouwen heeft gewekt dat hij Nederlander is, kan derhalve niet leiden tot de conclusie dat verzoeker daardoor het Nederlanderschap heeft behouden dan wel daardoor kan verkrijgen.
Het voorgaande betekent dat het verzoek van verzoeker wordt afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mrs. C.L. Strop, A.C. Olland en A.P. de Klerk, rechters, bijgestaan door mr. S.G.J. Verkennis als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 26 februari 2026.