De vrouw heeft bij de rechtbank Den Haag een verzoek ingediend om voorlopige voorzieningen te treffen voor kinderalimentatie, met het oog op een lopende bodemprocedure bij het gerechtshof. Zij vordert dat de man vanaf september of oktober 2024 een maandelijkse bijdrage aan de kosten van de kinderen betaalt, met een bedrag variërend tussen €315 en €449 per kind.
De rechtbank beoordeelt eerst de ontvankelijkheid en stelt vast dat het verzoek samenhangt met de hoofdvordering in de bodemprocedure, waardoor de vrouw ontvankelijk is. Vervolgens wordt het spoedeisend belang onderzocht. De vrouw stelt dat de kans van slagen groot is, de man draagkracht heeft en al een toezegging heeft gedaan.
De rechtbank oordeelt echter dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij niet kan wachten op de uitspraak in de bodemprocedure. Er is al een bindende afspraak over kinderalimentatie uit een eerder kort geding van april 2025. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorzieningen afgewezen.