ECLI:NL:RBDHA:2026:6916

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 maart 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
AWB 25-4193
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 RWNArt. 1:3 AwbArt. 4:82 AwbArt. 4:84 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing naturalisatieverzoek wegens gevaar voor de openbare orde tijdens proeftijd

Eiser diende op 19 september 2024 een verzoek tot naturalisatie in, dat door de minister van Asiel en Migratie op 3 maart 2025 werd afgewezen wegens ernstige vermoedens dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde. Dit was gebaseerd op een onherroepelijk strafvonnis van 14 juli 2022, waarbij eiser een taakstraf van 40 uur en een voorwaardelijke jeugddetentie met proeftijd kreeg opgelegd. De minister handhaafde dit besluit bij bezwaar op 24 juni 2025.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht het beleid uit de Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN) hanteert, waarin een taakstraf van 36 uur of meer en het feit dat de proeftijd nog loopt, leiden tot afwijzing van naturalisatieverzoeken. Eiser betoogde dat deze beleidsgrens willekeurig is en onvoldoende gemotiveerd, maar de rechtbank stelt vast dat de minister volstaat met verwijzing naar de beleidsregel en dat deze keuze redelijk is.

Eiser voerde ook aan dat bijzondere omstandigheden tot afwijking van het beleid zouden moeten leiden, zoals zijn minderjarigheid ten tijde van het delict en persoonlijke gevolgen van de afwijzing. De rechtbank wijst dit af omdat deze omstandigheden reeds door de strafrechter zijn meegewogen en omdat gevolgen van afwijzing niet relevant zijn voor de beoordeling van het gevaar voor de openbare orde.

Ten slotte oordeelt de rechtbank dat het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond was, zodat geen hoorplicht bestond. Het beroep wordt ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het naturalisatieverzoek wordt ongegrond verklaard omdat eiser zich nog in de proeftijd bevond na een taakstraf van 40 uur.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/4193

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 maart 2026 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G.J. Dijkman)
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van het verzoek van eiser om naturalisatie op grond van RWN. [1] De minister heeft het verzoek afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, omdat er volgens verweerder ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister op goede gronden het naturalisatieverzoek heeft afgewezen
.Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 19 september 2024 zijn naturalisatieverzoek ingediend. De minister heeft dat verzoek met het besluit van 3 maart 2025 afgewezen (het primaire besluit). Met het besluit van 24 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister het bezwaar ongegrond verklaard en is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven (het bestreden besluit). Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.
2.1.
De rechtbank heeft het beroep op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank stelt vast dat eiser in het vonnis van de strafrechter van 14 juli 2022 is veroordeeld tot 40 uur werkstraf, subsidiair 20 dagen jeugddetentie voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Dit vonnis is op 12 september 2023 onherroepelijk geworden. De proeftijd liep tot 10 september 2025.
3.1.
De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van de aanvraag alsmede ten tijde van het nemen van het bestreden besluit op 24 juni 2025, eiser zich nog in de proeftijd bevond. Dit feit is door eiser niet bestreden.
4. De minister heeft eisers verzoek om naturalisatie afgewezen, omdat volgens de minister, gelet op het strafvonnis van 14 juli 2022, op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. In de motivering van het bestreden besluit wordt de motivering van het primaire besluit gehandhaafd en wordt gewezen op het beleid van de minister dat is neergelegd in de Handleiding RWN [2] . Uit de motivering van de minister kan worden opgemaakt dat de minister zich op het standpunt stelt dat het naturalisatieverzoek bij een taakstraf van minder dan 36 uur niet wordt afgewezen, maar dat daarvan in deze zaak geen sprake is omdat eiser een taakstraf van 40 uur opgelegd heeft gekregen. Verder acht de minister van belang dat de proeftijd moet zijn verstreken voordat eiser in aanmerking kan komen voor naturalisatie, als gevolg waarvan er al daarom ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN.
4.1.
De rechtbank overweegt dat de minister beoordelingsruimte heeft bij de vaststelling of ernstige vermoedens bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde in de zin van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. De minister heeft de invulling van deze beoordelingsruimte vastgelegd in de Handleiding RWN. Uit jurisprudentie van de Afdeling [3] volgt [4] , dat het beleid in de Handleiding RWN mag dienen als uitgangspunt bij deze beoordeling. Ook volgt uit deze jurisprudentie dat de minister het bestaan van het strafrechtelijk vonnis als gegeven mag beschouwen en bijzondere, verzachtende omstandigheden die de strafrechter al bij zijn oordeel heeft betrokken, niet opnieuw mag beoordelen.
5. Eiser betoogt dat paragraaf 3.6.1, aanhef en onder c, van de Handleiding RWN aangaande de invulling van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, waarin is aangegeven dat een naturalisatieverzoek wordt geweigerd als sprake is van een taakstraf van 36 uur of meer, willekeurig en niet redelijk is. Eiser stelt dat de enkele verwijzing van de minister naar deze beleidsbepaling niet voldoende is en dat de minister nader dient te motiveren waarom uit de gehanteerde ondergrens grens van 36 uur taakstraf de ernst van de gedraging voldoende blijkt en waarom die grens de ernst van de gedraging naar waarde schat. Eiser wijst daarbij de uitspraak van de Afdeling van 30 augustus 2023. [5]
5.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Zoals hiervoor is overwogen mag het beleid in de Handleiding RWN dienen als uitgangspunt bij de beoordeling van de minister of sprake is van ernstige vermoedens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. De Handleiding RWN is een beleidsregel in de zin van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb. Op grond van artikel 4:82 van Pro de Awb kan de minister ter motivering van het besluit volstaan met een verwijzing naar de beleidsregel en is een nadere motivering in het besluit zelf derhalve niet juridisch geboden. In paragraaf 3.6.6 van de Handleiding RWN is gemotiveerd aangegeven dat en waarom een taakstraf als een zwaardere sanctie dan een geldboete wordt gezien en dat de keuze voor de een of de andere strafsoort afhangt van de omstandigheden van het geval en niet alleen van de ernst van het misdrijf. Daarbij wordt ook aangegeven, voor zover hier relevant, dat mede daarom net als bij vermogenssancties een ondergrens van een taakstraf van 36 of meer, ongeacht de vraag of het voorwaardelijk of onvoorwaardelijk is opgelegd, is aangebracht op basis van de omzettabel van het OM. [6] De minister heeft met het vaststellen van deze ondergrens voldaan aan de uitspraak die door eiser word genoemd. Hoewel de gemachtigde van de minister op zitting niet kon aangeven waarom in het beleid is gekozen voor aansluiting bij de omzettabel van het OM, ziet de rechtbank in de hierboven opgenomen beschrijving in het beleid voldoende blijk van een gemotiveerde beleidskeuze van de minister. In het verweerschrift is bovendien ter verduidelijking aangegeven dat de hoogte van de taakstraf overeenkomt met de door de minister gehanteerde grens voor een strafrechtelijke boete volgens de omzettabel van het OM. De rechtbank acht deze keuze ook redelijk. Eiser heeft verder niet concreet aannemelijk kunnen maken waarom deze beleidskeuze niet redelijk zou zijn of in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
6. De rechtbank overweegt verder dat uit de Handleiding RWN over de invulling van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN blijkt dat ernstige vermoedens aanwezig zijn als de verzoeker zich nog in de proeftijd bevindt en dat verzoeker tijdens de proeftijd niet in aanmerking komt voor naturalisatie. Dit volgt bijvoorbeeld uit paragraaf 3.2 ‘samenvatting openbare-orde beleid’, aanhef en derde lid onder a, paragraaf 3.6.1, waarin een toelichting is gegeven op paragraaf 3.2, vierde lid, en paragraaf 3.6.10. van de Handleiding RWN.
7. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zich op goede gronden, onder verwijzing naar artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN en de Handleiding RWN, op het standpunt heeft gesteld dat op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar vormt voor de openbare orde. Uit de Handleiding RWN volgt immers dat zulke ernstige vermoedens bestaan als sprake is van aan taakstraf van 36 uur of meer en de verzoeker zich nog in de proeftijd bevindt. Daarvan is in de zaak van eiser sprake.
8. Eiser voert aan dat sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden op grond waarvan de minister van zijn beleid had moeten afwijken.
8.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
8.2.
Volgens paragraaf 3.7 van de Handleiding RWN kunnen zich in een concreet individueel geval heel bijzondere feiten en omstandigheden voordoen, op grond waarvan de minister van zijn beleid zou moeten afwijken. Uit jurisprudentie van de Afdeling [7] kan worden afgeleid dat artikel 4:84 van Pro de Awb [8] van toepassing is en dat de beoordeling in het kader van artikel 4:84 van Pro de Awb samenvalt met de beoordeling in het kader van paragraaf 6 van de Handleiding RWN. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat de toepassing van artikel 4:84 van Pro de Awb wel wordt begrensd door de ruimte die artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN aan de minister laat. De minister mag in dit verband alleen omstandigheden betrekken die relevant zijn voor de vraag in hoeverre er met betrekking tot de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt. Omstandigheden die gaan over de gevolgen van de afwijzing van het verzoek om naturalisatie, moet de minister buiten beschouwing laten. Uit de Handleiding RWN, paragraaf 6, volgt voorts dat ten behoeve van de eenduidigheid, de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid niet snel van de regels wordt afgeweken en dat daarbij zeer grote terughoudendheid wordt betracht.
8.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat er zich geen dergelijke bijzondere feiten en omstandigheden voordoen. De minister heeft er met juistheid op gewezen dat de omstandigheden, zoals de minderjarigheid van eiser ten tijde van het plegen van het delict en de omstandigheden waaronder eiser het delict heeft begaan, al door de strafrechter zijn betrokken. Verder heeft de minister terecht de door eiser gestelde omstandigheden rondom de aankoop van een huis in Duitsland en de mede daarmee verband houdende financiële en emotionele gevolgen van de afwijzing van het verzoek, buiten beschouwing gelaten, omdat deze gaan over de gevolgen van de afwijzing van het verzoek om naturalisatie.
9. De rechtbank deelt verder ook het standpunt van de minister dat in de door eiser aangevoerde omstandigheden geen grond is gelegen voor de conclusie dat het evenredigheidsbeginsel zou zijn geschonden. Ook die beroepsgrond van eiser slaagt niet.
10. Eiser voert voorts aan dat hij in de bezwaarfase ten onrechte niet is gehoord.
10.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is gelet op wat eiser in zijn bezwaarschrift naar voren heeft gebracht, mede gezien de voorgaande overwegingen, van oordeel dat sprake is geweest van een kennelijk ongegrond bezwaar als bedoeld in artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie is van een kennelijk ongegrond bezwaar sprake wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Omdat de minister op goede gronden heeft gewezen op de ondergrens van een taakstraf van 36 uur of meer, eiser in zijn bezwaarschrift niet heeft betwist dat de proeftijd niet is verlopen en de aangevoerde omstandigheden geen bijzondere omstandigheden betreffen op grond waarvan de minister van het beleid had kunnen afwijken, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de bezwaren ongegrond zijn en dat er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
griffier rechter
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Rijkswet op het Nederlanderschap.
2.wetten.nl – Regeling – Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap 2003 – BWBW33099.
3.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.Bijvoorbeeld de Afdelingsuitspraak van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478.
6.Openbaar Ministerie.
7.Afdelingsuitspraak van 7 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:478.
8.Algemene wet bestuursrecht.