ECLI:NL:RBDHA:2026:680

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL26.233
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep inzake maatregel van bewaring en zicht op uitzetting naar Egypte

Op 16 januari 2026 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende een vervolgberoep tegen de maatregel van bewaring van eiser, die de Egyptische nationaliteit heeft. Eiser had op 27 november 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen, welke nog voortduurde. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting niet nodig was en het onderzoek op 12 januari 2026 gesloten. Eiser stelde dat er geen zicht op uitzetting naar Egypte was, omdat de Egyptische autoriteiten niet hadden gereageerd op een aanvraag voor een laissez-passer (LP) die op 4 december 2025 was ingediend. De rechtbank oordeelde echter dat er geen aanknopingspunten waren dat het zicht op uitzetting ontbrak. Eiser had ook niet voldoende medewerking verleend aan zijn terugkeer, wat bijdroeg aan de duur van zijn bewaring. De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.233

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: [gemachtigde]).

Procesverloop

Verweerder heeft op 27 november 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd. [1] Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek op 12 januari 2026 gesloten.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1997 en de Egyptische nationaliteit te hebben.
2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. [2] Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 10 december 2025 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte ontbreekt. Op 4 december 2025 is een LP [3] aangevraagd. Hierop is nog niet gereageerd door de Egyptische autoriteiten. Om die reden kan worden vastgesteld dat de Egyptische autoriteiten geen enkele intentie hebben om mee te werken aan eisers uitzetting, zoals dat in een eerdere procedure ook het geval was.
5. De rechtbank is van oordeel dat er geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ten aanzien van Egypte in het algemeen, of in het bijzonder van eiser, is komen te ontbreken. Uit het voortgangsrapport blijkt dat op 4 december 2025 een LP-aanvraag is ingediend, waarna op 17 december 2025 is gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten. Verder rust op eiser de verplichting om voldoende medewerking te verlenen aan zijn terugkeer. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 5 januari 2026 blijkt dat eiser meermaals heeft aangegeven niet terug te willen naar Egypte en hieraan ook niet mee te willen werken. Zo wil hij zijn paspoort bij een vriend van hem in Spanje niet opvragen, zodat hij hiermee de voortgang van zijn uitzetting frustreert. De duur van de LP-aanvraag, en daarmee de huidige duur van zijn bewaring is dan ook volledig aan hem toe te rekenen.
6. Verder leidt ook de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
 verklaart het beroep ongegrond; en
 wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is op 16 januari 2026 gedaan door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van R. Ben Sellam, griffier, en openbaar gemaakt door middel van een geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Rb Den Haag (zittingsplaats Middelburg) 15 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:24005.
3.Laissez-passer.