In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag en het verzoek om een voorlopige voorziening. Eiseres, een Ethiopische vrouw geboren in 1962, heeft op 1 maart 2024 een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend, na eerder in 2020 asiel te hebben aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag op 14 oktober 2025 afgewezen als kennelijk ongegrond, met de stelling dat eiseres bescherming kan krijgen van de autoriteiten in Ethiopië.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 23 december 2025 behandeld. Eiseres heeft aangevoerd dat de afwijzing onterecht is, omdat de omstandigheden in Ethiopië zijn veranderd en zij niet kan rekenen op bescherming van de autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiseres in Addis Abeba geen reëel risico op ernstige schade loopt en dat zij zich daar kan vestigen. De rechtbank concludeert dat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en verklaart het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen en krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten.
De uitspraak benadrukt de noodzaak voor een zorgvuldige beoordeling van de individuele omstandigheden van asielzoekers en de verplichting van de overheid om deze omstandigheden in samenhang te bezien bij het toekennen van bescherming.