Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6735

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.2393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:12 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft eiser een tweede beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 13 december 2024. Eerder had de rechtbank een beslistermijn van zestien weken aan de minister opgelegd, die op 29 januari 2026 verliep. Het tweede beroep werd echter al op 14 januari 2026 ingediend, waardoor het prematuur was.

De rechtbank overweegt dat bij een tweede beroep tegen hetzelfde niet tijdig beslissen geen nieuwe ingebrekestelling vereist is, maar dat het beroep niet eerder kan worden ingediend dan na het verstrijken van de beslistermijn. Omdat het beroep te vroeg is ingediend, verklaart de rechtbank het niet-ontvankelijk.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser wordt gewezen op de mogelijkheid tot het indienen van een verzetschrift binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet tijdig beslissen op de asielaanvraag is niet-ontvankelijk verklaard wegens prematuur indienen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2393

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,V-nummer: [nummer],(gemachtigde: mr. V.L. van Wieringen),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit gegrond verklaard. [1] De minister moest binnen een termijn van zestien weken alsnog een besluit nemen op de asielaanvraag. Daarbij heeft de rechtbank ook bepaald dat als de minister niet op tijd een besluit neemt, hij een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-.
1.1.
Deze uitspraak gaat over het tweede beroep dat eiser heeft ingediend, omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvraag van 13 december 2024.
1.2.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en gegrond?
2. Voorafgaand aan het instellen van een beroep tegen het niet tijdig beslissen moet eiser de minister door middel van een ingebrekestelling laten weten dat hij binnen twee weken alsnog op de aanvraag moet beslissen. [3] Bij een tweede beroep tegen het niet tijdig beslissen op dezelfde aanvraag is een nieuwe ingebrekestelling niet nodig. [4]
3. In de uitspraak van 8 oktober 2025 heeft de rechtbank de minister een beslistermijn opgelegd van zestien weken. Deze termijn verliep op 29 januari 2026.
Het tweede beroep is 14 januari 2026 ingediend, het beroep niet tijdig beslissen is prematuur ingediend.

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is kennelijk niet-ontvankelijk
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

- De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.NL25.31020.
2.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Artikel 6:12, aanhef en onder b, en artikel 6:12, tweede lid, van de Awb.
4.Vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2019:673.