ECLI:NL:RBDHA:2026:6702

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.37428
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArtikel 16 Vreemdelingenwet 2000Artikelen 3.13 tot en met 3.22a Vreemdelingenbesluit 2000Paragraaf B7/3.8.1 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM wegens onvoldoende motivering hechte persoonlijke banden

De zaak betreft de afwijzing van een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) op grond van artikel 8 EVRM Pro, ingediend door een referent voor zijn zussen en broers. De minister wees de aanvraag af omdat geen sprake zou zijn van beschermenswaardig familie- en gezinsleven, met name vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen de referent en zijn meerderjarige zussen en broers. De rechtbank oordeelt dat deze afwijzing terecht was voor de meerderjarige familieleden.

Voor de minderjarige broers, die tijdens de bezwaarprocedure meerderjarig werden, had de minister echter moeten toetsen op het bestaan van hechte persoonlijke banden. De rechtbank stelt vast dat de minister deze toets onjuist heeft toegepast en onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen beschermenswaardig gezinsleven zou bestaan tussen referent en deze minderjarige broers. De feiten wijzen op een bijzondere vaderrol van de referent binnen het gezin, met langdurige samenwoning, financiële en emotionele ondersteuning en het nemen van belangrijke opvoedkundige beslissingen.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen waarin de situatie van de minderjarige broers opnieuw wordt beoordeeld, inclusief een belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht van eisers.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister vernietigd wegens onvoldoende motivering omtrent hechte persoonlijke banden met minderjarige broers, met opdracht tot hernieuwde beoordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.37428

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[referent], referent

namens zijn broers en zussen:
[eiseres 1], v-nummer: [nummer 1]
[eiser 1], v-nummer: [nummer 2]
[eiseres 2], v-nummer: [nummer 3]
[eiser 2], v-nummer: [nummer 4]
[eiser 3], v-nummer: [nummer 5]
[eiser 4], v-nummer: [nummer 6]
eisers
(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.K. Ruijzendaal).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van referent ([referent]) tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel ‘verblijf als familie- en gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Referent heeft deze aanvraag ingediend voor zijn zussen en broers. Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De minister heeft terecht vastgesteld dat er tussen de referent en zijn meerderjarige zussen en broers geen sprake is van familie- en gezinsleven, omdat er geen aanwijzingen zijn voor bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke familieband overstijgen. Wel heeft de minister in het bestreden besluit onterecht de toets voor meerderjarigen toegepast op [eiser 3]. Hier had de minister – net als bij [eiser 4] – moeten beoordelen of sprake is van een hechte, persoonlijke band. De minister heeft onvoldoende deugdelijk gemotiveerd dat er geen beschermenswaardig familie- en gezinsleven bestaat tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4]. Mede gezien de bijzondere rol van referent binnen het gezin, zijn er aanwijzingen dat de persoonlijke band van referent met [eiser 3] en [eiser 4] de normale familieband overstijgt. De minister moet de zaak daarom opnieuw beoordelen en beter uitleggen waarom hij ten aanzien van [eiser 3] en [eiser 4] geen beschermenswaardig gezinsleven aanneemt. Indien beschermenswaardig gezinsleven alsnog wordt aangenomen moet de minister – na afweging van alle belangen – duidelijk motiveren of aan [eiser 3] en [eiser 4] een mvv moet worden verleend op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Hieronder licht de rechtbank haar oordeel toe en bespreekt zij de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Referent heeft op 10 juni 2022 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Referent dient deze aanvraag in om zich te herenigen met zijn zussen en broers. De minister heeft deze aanvraag op 2 februari 2024 afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Ook valt de belangenafweging uit in het nadeel van eisers. Met de beslissing op bezwaar (het bestreden besluit) van 15 juli 2025 is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Daarbij heeft de minister overwogen dat een belangenafweging niet langer nodig is.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit.
3. Referent is geboren op [geboortedag 1] 1990, hij heeft de Afghaanse nationaliteit en heeft op 1 oktober 2021 een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland. Hij dient de mvv-aanvraag in voor zijn meerderjarige zussen, [eiseres 1] (geboren op [geboortedag 2] 1993), [eiseres 2] (geboren op [geboortedag 3] 2001) en zijn meerderjarige broers [eiser 1] (geboren op [geboortedag 4] 1995) en [eiser 2] (geboren op [geboortedag 5] 2004). Referent dient deze aanvraag ook in namens zijn (op het moment van de aanvraag) minderjarige broers [eiser 3] (geboren op [geboortedag 6] 2005) en [eiser 4] (geboren op [geboortedag 7] 2007). De zussen en broers hebben allemaal de Afghaanse nationaliteit en wonen op dit moment in Pakistan.
3.1.
De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat niet voldaan is aan de voorwaarden voor een mvv ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [1] Volgens de minister is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van gezinsleven tussen referent en zijn zussen en broers. De minister stelt zich op het standpunt dat tussen referent en zijn meerderjarige zussen en broers ([eiseres 1], [eiseres 2], [eiser 1] en [eiser 2]) geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Tijdens de bezwaarprocedure is [eiser 3] meerderjarig geworden. De minister heeft daarom in het besluit op bezwaar (alsnog) beoordeeld of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen referent en [eiser 3]. Dit is volgens de minister niet het geval, zodat ook tussen referent en [eiser 3] om die reden geen sprake is van te beschermen gezinsleven. Wat betreft [eiser 4] heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat hij ten tijde van de beslissing op bezwaar weliswaar minderjarig was, zodat bijkomende elementen van afhankelijkheid niet nodig zijn, maar dat tussen referent en [eiser 4] geen hechte persoonlijke band bestaat. Omdat geen sprake is van te beschermen familie- en gezinsleven heeft de minister, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 maart 2024 geen belangenafweging gemaakt. [2]
Bestaat er tussen referent en zijn meerderjarige zussen en broers familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM?
4. Eisers betogen dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen familie- en gezinsleven bestaat tussen referent en zijn meerderjarige zussen en broers als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. De minister heeft de in dit verband relevante omstandigheden niet in samenhang beoordeeld, maar alleen per onderdeel. Eisers wijzen op het volgende. Referent woonde tot zijn vertrek uit Afghanistan samen met zijn zussen en broers. Toen referent twaalf jaar oud was, is zijn vader vertrokken. Volgens culturele gewoonte nam referent als oudste zoon de vaderrol op zich, bijvoorbeeld bij financiële beslissingen en beslissingen over het volgen van onderwijs. De rol van de moeder was beperkt tot het huishouden zelf. [3] Deze langdurige opvoedingsrol (vanwege de afwezigheid van een vader) en samenwoning, hebben geleid tot een sterke emotionele band tussen de zussen en broers die de minister onvoldoende heeft onderkend. De minister richt zich teveel op de huidige zelfredzaamheid, terwijl de onderlinge afhankelijkheid – zoals het schoolgeld en huur die referent heeft overgemaakt na zijn vertrek uit Afghanistan – ook relevant zijn. [4] Gelet op deze omstandigheden is er sprake van een emotionele afhankelijkheid die een fysieke nabijheid vereist; contact op afstand (via technologie) volstaat niet. Daarnaast heeft de minister onvoldoende aandacht besteed aan de impact van de komst van de Taliban op de banden die eisers hebben met Afghanistan. Het gezin heeft altijd naar westerse normen en waarden geleefd en het land waar de zussen en broers in zijn geworteld, is juist het land
zonderde Taliban. Ook is niet duidelijk of een brief van referent (overgelegd bij de aanvraag) bij de besluitvorming is betrokken. In deze brief staat dat eisers afhankelijk zijn van referent en dat referent zich als oudste broer verantwoordelijk voelt voor zijn zussen en broers. Die brief moet alsnog worden meegenomen volgens eisers. Tot slot wijzen eisers op de verslechterde veiligheid in het grensgebied met Pakistan en Afghanistan. Eisers maken zich hier zorgen om aangezien zij in Pakistan wonen. Zij wijzen naar meerdere websites met informatie hierover. [5]
Toetsingskader
4.1.
Om familie- en gezinsleven tussen meerderjarige familieleden onder artikel 8 van Pro het EVRM aan te nemen, zijn bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. [6] Dit wordt vastgesteld aan de hand van criteria zoals samenwoning, financiële en emotionele afhankelijkheid, gezondheid en banden met het land van herkomst. [7] Hoewel exclusieve afhankelijkheid een belangrijke factor is, is het geen doorslaggevend criterium. De afhankelijkheidsrelatie moet zo sterk zijn dat de betrokken gezinsleden niet zelfstandig kunnen functioneren bij scheiding. Deze afhankelijkheid kan wederzijds zijn en kan zich voordoen bij medische of psychische problematiek, waarbij gezinsleden zonder de zorg van één specifiek lid niet kunnen functioneren.
4.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft voldoende gemotiveerd dat tussen referent en zijn meerderjarige zussen en broers geen familie- of gezinsleven bestaat zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, omdat er geen aanwijzingen zijn voor bijkomende elementen van afhankelijkheid. De minister heeft alle aangevoerde relevante feiten en omstandigheden betrokken bij de beoordeling betrokken en heeft kenbaar gemotiveerd waarom deze, ook in samenhang bezien, niet maken dat sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hoewel referent vanaf zijn 12e tot augustus 2021 met zijn moeder, zussen en broers samenwoonde, is de samenwoning als zodanig onvoldoende om te spreken van een afhankelijkheid zoals hier bedoeld. Daarbij heeft de minister kunnen betrekken dat de moeder de feitelijke zorg droeg voor de kinderen en daarvoor ook financiële steun ontving van de vader tot zij meerderjarig waren. De minister heeft verder betrokken dat referent zich naar buiten toe presenteerde als degene die beslissingen nam, omdat zijn moeder dat vanuit de heersende cultuur niet kon doen, maar heeft hieraan geen doorslaggevend gewicht hoeven toe te kennen. Hieruit volgt immers niet dat ook nu nog sprake is van afhankelijkheid van referent. Daarnaast heeft de minister zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheid dat referent eisers financieel heeft ondersteund, niet meebrengt dat sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid, ook niet in samenhang met de samenwoning in het land van herkomst. Referent woont al geruime tijd niet meer samen met zijn zussen en broers, die inmiddels zelfstandig zijn. Dat referent hen financieel ondersteunt, verandert hier niets aan; die hulp kan ook op afstand worden gegeven, waardoor hun komst naar Nederland niet noodzakelijk is. Hoewel de minister de emotionele banden tussen referent en zijn meerderjarige zussen en broers erkent, zijn die banden niet ongebruikelijk en vormen deze geen bewijs voor afhankelijkheid. Referent is al vier jaar gescheiden van het gezin en gezien de leeftijd van de meerderjarige zussen en broers (20 tot 32 jaar) mag de minister ervan uitgaan dat zij zelfstandig functioneren zonder hem. Referent heeft niet concreet gemaakt welke niet-financiële bijdragen hij levert die zo essentieel zijn dat hun komst naar Nederland noodzakelijk is. Dat zij na het vertrek van referent, die als tolk werkte voor de Nederlandse overheid, zelf in gevaar kwamen en naar Pakistan moesten vluchten, heeft de minister niet van doorslaggevende betekenis hoeven te achten. Ook is er geen medische afhankelijkheid, omdat referent verklaarde dat zijn zussen en broers gezond zijn. [8] Over hun banden met Afghanistan wijst de minister er niet ten onrechte op dat deze sterk zijn: ze hebben daar (tot hun vertrek naar Pakistan) hun hele leven gewoond, spreken de taal, kennen de cultuur, hebben een sociaal netwerk en toegang tot voorzieningen en onderwijs. Hoewel de Taliban de situatie veranderde, zijn hun banden met Afghanistan diepgeworteld en daardoor niet verminderd. De beperkte banden door studie in India en Pakistan zijn niet sterk genoeg om die met Afghanistan te overtreffen en vormen dus ook geen aanwijzing voor afhankelijkheid. Daarbij geldt dat de huidige veiligheidssituatie in het grensgebied van Afghanistan en Pakistan in deze procedure geen rol speelt. Tot slot heeft de minister de brief van referent wel meegewogen en heeft geen reden hoeven zien om deze opnieuw te beoordelen of het besluit te wijzigen ten aanzien van de meerderjarige zussen en broers. Eisers hebben niet uitgelegd waarom dat wel nodig zou zijn.
Bestaat er tussen referent en de (ten tijde van de beslissing op de aanvraag) minderjarige broers [eiser 3] en [eiser 4] familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM?
Geldt de toets voor hechte persoonlijke banden ook voor [eiser 3]?
5. Eisers betogen ten eerste dat de minister ten onrechte heeft beoordeeld of ook tussen referent en [eiser 3] sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [eiser 3] was tijdens de aanvraag en het besluit op de aanvraag minderjarig en werd pas tijdens de bezwaarprocedure meerderjarig. Volgens eisers is het onredelijk dat de toets voor hechte persoonlijke banden daarna niet meer is toegepast op [eiser 3].
5.1.
Dit betoog slaagt. Uit de rechtspraak volgt dat het peilmoment voor het familie- of gezinsleven in zaken als deze ligt op het moment van het besluit op de aanvraag. [9] In het geval van eisers is dat 2 februari 2024. Voor de vraag of tussen referent en [eiser 3] beschermenswaardig familie- en gezinsleven bestaat, is dus de situatie op 2 februari 2024 bepalend. Hoewel de minister bij een besluit op bezwaar rekening mag houden met nieuwe feiten en omstandigheden na die datum (het is namelijk een volledige heroverweging), blijft de beoordeling van de situatie op 2 februari 2024 leidend. Omdat [eiser 3] op 2 februari 2024 minderjarig was, moet de minister toetsen of er hechte persoonlijke banden zijn, niet of er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
5.2.
De minister heeft er ter zitting op gewezen dat in het besluit van 2 februari 2024 is geconcludeerd dat tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4] geen hechte persoonlijke banden bestaan. Ook zonder een beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid, bestaat dus geen familie- of gezinsleven dat moet worden beschermd. Het maakt het besluit volgens de minister dan ook niet anders. De rechtbank zal daarom beoordelen of de minister zicht terecht op dit standpunt heeft kunnen stellen.
Bestaan er hechte persoonlijke banden tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4]?
6. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte geen hechte persoonlijke banden erkent tussen referent en zijn (ten tijde van belang) minderjarige broers [eiser 3] en [eiser 4]. Zij wijzen hierbij wederom op de vaderrol die referent vervulde en de belangrijke opvoedkundige beslissingen die hij nam, wat zulke banden bevestigt. Referent vertelt tijdens de zitting dat hij op 12-jarige leeftijd tegen een uithuwelijking van zijn zusjes was en zijn vader heeft tegengewerkt, waardoor die uithuwelijking werd voorkomen. Daarna vertrok zijn vader. Hiermee wil referent duidelijk maken dat hij reeds op jonge leeftijd een bijzondere rol had binnen het gezin. De minister heeft dit in onvoldoende mate bij de beoordeling betrokken. Eisers wijzen er verder op dat zij, tot het vertrek met referent, altijd met hem hebben samengewoond. Ook toen later de partner van referent erbij kwam. Referent heeft eisers daarnaast altijd financieel ondersteund, niet alleen in Afghanistan maar ook daarna. Bovendien heeft de minister ten onrechte aangenomen dat de zus van referent voor [eiser 4] heeft gezorgd voorafgaand aan dat gedwongen vertrek van referent uit Afghanistan. Referent was verantwoordelijk voor zijn broers en zussen en bleef dat ook na zijn vertrek.
Toetsingskader minderjarige gezinsleden
6.1.
Tussen minderjarige gezinsleden en andere bloed- of aanverwanten (zoals meerderjarige broers en zussen) is alleen sprake van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM bij hechte en persoonlijke banden. [10] Dit is een feitelijk begrip dat zorgvuldig en gemotiveerd moet worden beoordeeld op basis van de feitelijke situatie. Daarbij moet in ieder geval rekening worden gehouden met de volgende omstandigheden: (structurele) samenwoning met het kind, of het familie- of gezinslid van het kind een structurele en substantiële ouderrol vervult, de verhouding van de rol van het familie- of gezinslid tot eventuele andere familie- of gezinsleden, hoe (intensief) en op welke wijze invulling wordt gegeven aan het familie- of gezinsleven met het kind en of er vanuit het familie- of gezinslid van het kind een structurele en substantiële financiële ondersteuning plaatsvindt.
Standpunt minister
6.2.
De minister heeft aan zijn standpunt in dit verband in de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd dat samenwonen en financiële steun alleen niet genoeg zijn om hechte persoonlijke banden aan te tonen tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4]. Volgens de minister heeft referent niet aannemelijk gemaakt dat zijn relatie met zijn minderjarige broers verder ging dan normale familiebanden, bijvoorbeeld door een opvoedende rol of het nemen van belangrijke beslissingen. De minister voegt hier in het bestreden besluit aan toe dat de verklaringen van referent tegenstrijdig zijn, vooral over de rol van zijn moeder en wie beslissingen nam in het gezin. Ook is niet aangetoond dat de huidige feitelijke zorgsituatie (die ligt bij de zus van referent) niet toereikend is en dat [eiser 4] om die reden naar Nederland moet komen. Omdat de minister in het bestreden besluit de toets voor hechte persoonlijke banden enkel heeft toegepast op [eiser 4] en niet op [eiser 3] (wat wel moet, gelet op het oordeel onder 5.2), begrijpt de rechtbank dat de minister met zijn standpunt over de feitelijke zorgsituatie ook [eiser 3] bedoelt.
6.3.
Dit betoog slaagt. De minister heeft zijn standpunt dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4] onvoldoende deugdelijk gemotiveerd Bij het aannemen van hechte persoonlijke banden is niet uitsluitend van belang of sprake was van formeel ouderlijk gezag of een klassieke opvoedingsrol binnen het huishouden. Van belang is of uit de feitelijke omstandigheden blijkt dat referent verantwoordelijkheden droeg die normaal gesproken aan een ouder toekomen. Onder punt 4.2 kwam al eerder naar voren dat referent, tot aan zijn gedwongen vertrek, met zijn zussen, broers en moeder als gezin heeft samengewoond, dat zijn vader het gezin heeft verlaten toen referent twaalf jaar oud was en dat referent vanaf dat moment, in ieder geval naar buiten toe, een duidelijke vaderrol vervulde. Dat referent ook heeft verklaard dat zijn moeder in het dagelijks leven voor het gezin zorgde, dat het gezin binnenshuis samenleefde naar westerse maatstaven en dat moeder ook invloed had op beslissingen die werden genomen, betekent nog niet dat referent tegenstrijdig heeft verklaard. Zijn zussen en broers vroegen hem om toestemming om uiteenlopende zaken, waaronder onderwijs. Referent gaf advies over onderwijskeuzes en nam ook beslissingen over de opleidingen van zijn zussen en broers. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de vader van referent nauwelijks een rol speelde in het gezin. Uit de verklaringen van referent blijkt dat zijn vader slechts één à twee keer per jaar aanwezig was en nauwelijks invloed had op de opvoeding of belangrijke beslissingen. In dat licht bezien komt aan de rol van referent binnen het gezin bijzondere betekenis toe. Ook heeft referent een belangrijke rol gespeeld bij praktische en financiële ondersteuning van zijn zussen en broers, onder meer door hen te begeleiden naar Pakistan en hen te helpen bij het verkrijgen van woonruimte. Daarnaast droeg hij financieel bij aan studie- en dagelijkse kosten. Deze omstandigheden bevestigen dat referent structureel verantwoordelijkheid droeg voor het welzijn en de toekomst van zijn zussen en broers. Daarbij wijst de rechtbank er op dat – anders dan ten aanzien van de meerderjarige broers en zussen van referent – ten aanzien van de minderjarige broers geen sprake hoeft te zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Beoordeeld moet worden of sprake is van een hechte persoonlijke band. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in zijn besluit niet alle van belang zijnde feiten en omstandigheden in samenhang heeft bezien en onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een persoonlijke hechte band. Het besluit kan daarom niet in stand blijven en moet worden vernietigd.
Heeft de minister ten onrechte geen belangenafweging gemaakt?
7. Eisers betogen dat de minister ten onrechte geen belangenafweging heeft gemaakt.
7.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister in de afwijzing op de aanvraag van 2 februari 2024 een belangenafweging heeft gemaakt, maar deze in het nadeel van eisers heeft laten uitvallen. In het bestreden besluit van 15 juli 2025 heeft de minister géén belangenafweging gemaakt en daarbij verwezen naar uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, waaruit volgt dat er geen belangenafweging hoeft te worden gemaakt als er vastgesteld is dat er geen sprake is van familie- of gezinsleven. [11] De rechtbank oordeelt dat uit de overweging onder 4.2 blijkt dat de minister terecht geen familie- of gezinsleven heeft aangenomen tussen referent en zijn meerderjarige zussen en broers. Voor dat onderdeel was een belangenafweging dan ook niet vereist. Dat ligt mogelijk anders bij het familie- of gezinsleven tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4]. Indien de minister na een hernieuwde beoordeling niet langer het standpunt inneemt dat geen sprake is van te beschermen familie- en gezinsleven, zal de minister alsnog een belangenafweging moeten verrichten. Daarbij kan de minister de huidige situatie meewegen.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond voor zover dat ziet op de beslissing van de minister dat geen sprake is van hechte persoonlijke banden tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4]. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister opnieuw, met inachtneming van deze uitspraak, moet beoordelen of sprake is van beschermenswaardig gezinsleven tussen referent, [eiser 3] en [eiser 4]. Indien dat het geval is moet de minister, op basis van de huidige omstandigheden, beoordelen of aan [eiser 3] en [eiser 4] een mvv moet worden verstrekt met het doel ‘verblijf als familie- en gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Daarbij moet de minister een nieuwe belangenafweging maken in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. Dat is een beoordeling die is voorbehouden aan de minister. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige afdoening van het geding is. Dat betekent dat de rechtbank de minister zal opdragen om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eisers vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De minister moet ook het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194 aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Deze voorwaarden staan in artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en zijn verder uitgewerkt in artikelen 3.13 tot en met 3.22a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en hoofdstuk B7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
2.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
3.Verslag gehoor bezwaarfase 11 maart 2025, pagina 4. Gehoormedewerker: ‘
4.Eisers wijzen op een document van 24 september 2025, waaruit volgt dat hij geld heeft overgemaakt naar [eiser 2].
5.Aanvullende beroepsgronden van eisers van 10 oktober 2025.
6.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
7.WI 2020/16 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 EVRM Pro, paragraaf 3.4. Zie ook IB 2024/57 Bijkomende elementen van afhankelijkheid en 8 EVRM.
8.Verslag gehoor bezwaarfase 11 maart 2025, pagina 8. Referent:
9.ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4630, r.o. 5.1.
10.Paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000, WI 2026/3 Richtlijnen voor de toepassing van artikel 8 van Pro het EVRM, paragraaf 3.2.
11.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.