ECLI:NL:RBDHA:2026:6695

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.15879
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 7:3 AwbArt. 16 Vreemdelingenwet 2000Art. 3.13 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 3.22a Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet eisers horen bij bezwaar mvv-aanvraag op grond van artikel 8 EVRM

De zaak betreft de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf als familie- en gezinslid op grond van artikel 8 EVRM Pro. De referent, met een verblijfsvergunning asiel, had deze aanvraag ingediend voor zijn meerderjarige zus en broer die in een vluchtelingenkamp in Gaza verblijven. De minister wees de aanvraag af wegens het ontbreken van gezinsleven en bijkomende afhankelijkheid.

Eisers stelden dat de minister ten onrechte niet heeft gehoord tijdens de bezwaarfase, terwijl het bezwaar niet kennelijk ongegrond was. De rechtbank oordeelt dat de minister had moeten horen, omdat er tegenstrijdigheden en onduidelijkheden waren die niet met eisers zijn besproken. Ook was het beleid gewijzigd waardoor het bezwaar niet kansloos was.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen tien weken een nieuwe beslissing te nemen na een hoorzitting. Tevens moet de minister de proceskosten en griffierecht aan eisers vergoeden. De rechtbank ziet geen aanleiding om zelf in de zaak te voorzien of de bestuurlijke lus toe te passen.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de mvv-aanvraag wordt vernietigd, met opdracht tot een nieuwe hoorzitting en besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15879

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

[naam referent], v-nummer: [nummer 1], referentnamens zijn zus en broer:

[naam zus], v-nummer: [nummer 2], de zus
[naam broer], v-nummer: [nummer 3], de broer
eisers
(gemachtigde: mr. L.I. Siers),
en
de minister van Asiel en Migratie [1]
(gemachtigde: mr. A. Bondarev).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met het doel ‘verblijf als familie- en gezinslid’ bij referent ([naam referent]) op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Zij zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit tot afwijzing van een mvv niet in stand kan blijven. De minister had eisers moeten horen tijdens de bezwaarfase, omdat het bezwaar van eisers niet op voorhand kansloos was en zij niet zijn geconfronteerd met de tegenstrijdigheden die de minister aan hen tegenwerpt. Als zij gehoord waren, had andere informatie naar voren kunnen komen. Dit betekent dat de minister een nieuw besluit op bezwaar moet nemen. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. Eisers krijgen gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Referent heeft op 21 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Referent dient deze aanvraag in om zich te herenigen met zijn meerderjarige zus en meerderjarige broer. Hij heeft de aanvraag daarom ingediend ten behoeve van zijn broer en zus. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 26 juni 2024 afgewezen, omdat niet aannemelijk is dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM. Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eisers is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers hebben op 11 augustus 2025 gronden ingediend en deze op 13 oktober 2025 aangevuld. De minister heeft op 16 oktober 2025 gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit
3. Referent is geboren op [geboortedag 1] 1985, hij is afkomstig uit Gaza en heeft op 26 januari 2024 een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland. Hij heeft de mvv-aanvraag ingediend voor zijn zus (geboren op [geboortedag 2] 1982) en zijn broer (geboren op [geboortedag 3] 1988). Zij zijn afkomstig uit Gaza en verblijven op dit moment in een vluchtelingenkamp in Khan Younis, Gaza.
4. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is voldaan aan de voorwaarden voor een mvv ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. [2] De minister laat in het bestreden besluit in het midden of er sprake is van een familierechtelijke relatie tussen referent en zijn zus en broer. Dit omdat volgens de minister geen sprake is van gezinsleven, want er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen hen. De minister heeft naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 27 maart 2024 geen belangenafweging gemaakt. [3]
Heeft de minister ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar?
5. Eisers betogen dat de minister hen onterecht niet heeft gehoord tijdens de bezwaarfase. Het bezwaar was niet kennelijk ongegrond, omdat het afwijzende besluit nog op het MTNET-criterium [4] was gebaseerd, terwijl nu het BEVA-criterium [5] geldt. Deze wijziging in beoordelingscriteria maakte het bezwaar op voorhand niet kansloos. Bovendien was het beleid waarop de minister zich baseert in het bestreden besluit [6] pas ná het voorlopig bezwaar ingegaan, [7] waardoor de toetsing achteraf plaatsvond. Daarnaast bevinden de zus en broer van referent zich in een moeilijke situatie in Gaza, waardoor een hoorzitting essentieel was om belangrijke feiten te verduidelijken. De minister had hen moeten horen bij onduidelijkheden over de stukken.
5.1.
De vaste rechtspraak gaat ervan uit dat de minister een vreemdeling in bezwaar hoort en terughoudend is met uitzonderingen op deze hoorplicht. [8] Volgens artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht mag de minister alleen van horen afzien als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dat betekent dat uit het bezwaarschrift zelf meteen duidelijk blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Dit wordt beoordeeld aan de hand van de inhoud van het bezwaarschrift, dat wat in eerste instantie is aangevoerd door een vreemdeling en de motivering van het afwijzende besluit. De uitspraak van 6 juli 2022 benadrukt dat horen in bezwaar de norm is en een belangrijk onderdeel van de procedure. Van het horen afzien is minder vanzelfsprekend als de vreemdeling tijdens het bezwaar nog niet alle relevante informatie of bewijsstukken heeft ingediend, of als het feitencomplex onduidelijk is. Hoe meer inspanningen de vreemdeling heeft geleverd om de gevraagde informatie aan te leveren en hierover heeft gecommuniceerd met de minister, hoe sterker de reden om de vreemdeling uit te nodigen voor een hoorzitting. Uit WI 2022/20 [9] volgt verder dat volgens de minister het uitgangspunt om te horen te meer geldt in zaken waar er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarin een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Dit zijn bijvoorbeeld zaken waarin artikel 8 van Pro het EVRM speelt. Omdat niet iedereen in staat is om zijn gedachten even goed schriftelijk te formuleren, kan het horen voor een belanghebbende een goede methode zijn om zijn visie op de zaak te geven en een toelichting te geven op de mee te wegen belangen. Op deze wijze kan het horen bijdragen aan het versterken van het vertrouwen tussen burgers en overheid en draagvlak creëren voor besluiten. Het horen draagt zo bij aan de door de burger ervaren procedurele rechtvaardigheid. Het uitgangspunt is daarom dat een belanghebbende de mogelijkheid krijgt om te worden gehoord in bezwaar.
5.2.
Deze beroepsgrond slaagt. De minister had eisers moeten horen in de bezwaarfase. Uit het bezwaarschrift blijkt niet direct dat het bezwaar kennelijk ongegrond is, wat voor de minister aanleiding had moeten geven om eisers te horen. Met tegenstrijdigheden en onduidelijkheden die ten grondslag liggen aan het besluit, zijn eisers niet geconfronteerd vóórdat het besluit werd genomen. De minister baseert zich onder meer op de vermeende omstandigheid dat referent geen contact meer heeft met zijn familie na het overlijden van zijn moeder en dat dit tegenstrijdig is met de verklaring van referent dat zijn verantwoordelijkheid voor zijn zus en broer juist is toegenomen na het overlijden van hun moeder, het contact dat hij met hen onderhoudt en de aanwezigheid van familie in Gaza die voor de zus en broer zouden kunnen zorgen. In de afwijzing wijst de minister nog op de contra-indicatie van de zelfstandigheid van de broer ondanks zijn fysieke beperkingen, maar dit heeft de minister in het bestreden besluit laten vallen vanwege de aangevoerde grond in het bezwaarschrift. Het had op de weg van de minister gelegen om deze punten met eisers te bespreken in een hoorzitting, zodat eisers de gelegenheid krijgen de situatie op te helderen en de feiten duidelijk op tafel krijgen. Dat is nu niet het geval geweest.
5.2.1.
Wat ook een rol speelt is dat uit het dossier blijkt dat eisers zich actief hebben ingespannen om relevante informatie aan te leveren en hierover met de minister te communiceren. In een brief van 24 september 2024 hebben eisers vermeld dat horen in hun situatie extra belangrijk is, omdat sommige aspecten alleen met verklaringen kunnen worden toegelicht, omdat de zus en broer in een vluchtelingenkamp in Gaza verblijven en het verkrijgen van documenten daardoor moeilijk is. Horen is daarom niet alleen noodzakelijk, maar juist ook een zeer geschikt middel om de situatie zorgvuldig en volledig in kaart te brengen als stukken ontbreken. Daarnaast wijzen eisers in hun bezwaarschrift erop dat referent zijn belangen beter in een hoorzitting kan toelichten. Had hij gehoord kunnen worden, dan was mogelijk andere relevante informatie naar voren gekomen, zoals de rol van referent als hoofd van het gezin ondanks dat hij niet de oudste zoon is binnen het gezin en de financiële afhankelijkheid tussen referent en zijn zus en broer. Ook over de familieleden die volgens de minister voor de zus en broer kunnen zorgen, heeft referent op de zitting toegelicht dat de oudste broer een herseninfarct heeft en een andere broer kampt met psychische problemen door de oorlog. Hoewel er familie in de buurt is in Gaza, kunnen zij volgens referent deze zorg niet op zich nemen. Het is aannemelijk dat zulke informatie in een hoorzitting tijdens een bezwaarprocedure duidelijker naar voren komt en dit biedt ook ruimte voor dialoog tussen partijen.
5.3.
Gelet op het voorgaande is het besluit onvoldoende zorgvuldig genomen. Daarom moet de minister eisers of referent eerst horen in een hoorzitting en daarna een nieuwe beslissing op bezwaar nemen. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van tien weken. Omdat eisers gehoord moeten worden en er een nieuw besluit nodig is, kan het bestreden besluit niet in stand blijven. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister eisers moet horen en daarna een nieuwe beoordeling moet maken. Die taak is voorbehouden aan de minister.
De overige gronden
6. De overige gronden behandelt de rechtbank niet inhoudelijk, ook niet vooruitlopend, omdat de minister een nieuw inhoudelijk besluit moet nemen. Tot slot blijft er nog een grond staan: eiser betogen dat het bezwaar ten onrechte kennelijk ongegrond is verklaard en dat de bestuurlijke dwangsom daarom onterecht niet is uitbetaald. Uit het voorgaande volgt dat ten onrechte niet gehoord is, zodat het bezwaar niet kennelijk ongegrond is. De minister moet dit aspect meenemen in het nieuwe besluit.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of om zelf in de zaak te voorzien, omdat de minister opnieuw, met inachtneming van deze uitspraak en op basis van een nog in te plannen gehoor, moet beoordelen of aan de zus en broer van referent een mvv moet worden verstrekt met het doel ‘verblijf als familie- en gezinslid’ op grond van artikel 8 van Pro het EVRM. Het horen en de daaropvolgende nieuwe beoordeling is voorbehouden aan de minister. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het oordeel van de rechtbank geen doelmatige afdoening van het geding is. Dat betekent dat de rechtbank de minister zal opdragen om binnen tien weken na de dag van verzending van deze uitspraak met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar van eisers te nemen.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eisers vergoeden. Deze vergoeding bedraagt € 1.868, omdat de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De minister moet ook het door eisers betaalde griffierecht aan hen vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op om binnen tien weken na de dag van verzending met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen, waarin ook de grond over het toekennen van de bestuurlijke dwangsom wordt meegenomen;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.868;
- bepaalt dat de minister het door eisers betaalde griffierecht van € 194 aan hen vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.P.C.G. Derksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Zowel de minister als de staatssecretaris worden voor de leesbaarheid in deze uitspraak aangeduid als de minister.
2.Deze voorwaarden staan in artikel 16 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) en zijn verder uitgewerkt in artikelen 3.13 tot en met 3.22a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) en hoofdstuk B7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000).
3.ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
4.‘More than the normal emotional ties’.
5.‘Bijkomende elementen van afhankelijkheid’.
6.IB 2024/57, ‘Bijkomende elementen van afhankelijkheid en 8 EVRM.’
7.Eisers hebben op 3 juli 2024 en op 24 september 2024 een voorlopig bezwaarschrift ingediend.
8.ABRvS 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
9.Werkinstructie 2022/20, Horen en mandatering in bezwaar.