Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6678

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL26.8754
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WavArt. 9 WavArt. 3.31 Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening toelaatbaar voor kok met afgewezen gecombineerde vergunning verblijf en arbeid

Verzoeker, een Bengaalse kok werkzaam bij een Aziatisch restaurant, had een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) die niet werd verlengd vanwege een negatief UWV-advies. Verzoeker stelde dat het belang spoedeisend was omdat hij anders niet meer mocht werken en Nederland moest verlaten, en dat het beroep redelijke kans van slagen had.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake was van een spoedeisend belang, omdat het restaurant zonder verzoeker zou moeten sluiten en de referent een dilemma heeft tussen het overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen en sluiting. De rechter vond de mondelinge toelichting tijdens de zitting voldoende.

De voorzieningenrechter concludeerde dat het beroep een redelijke kans van slagen heeft vanwege divergentie over de werkervaringseis sinds het vervallen van de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca. De belangenafweging viel in het voordeel van verzoeker en referent uit, ondanks het belang van verweerder bij naleving van de wet.

De voorlopige voorziening werd toegewezen, waardoor verzoeker mocht blijven werken en verblijven totdat de meervoudige kamer op 21 april 2026 uitspraak doet. Verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitkomst: Verzoeker mag blijven werken en verblijven totdat op het beroep is beslist vanwege spoedeisend belang en redelijke kans van slagen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.8754

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , V-nummer: [V-nummer] , verzoeker

(gemachtigde: mr. E.T.P. Scheers),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker. Hij heeft op 20 februari 2025 een aanvraag ingediend voor een gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid (GVVA) om als kok werkzaamheden te verrichten bij een Aziatisch restaurant (referent). Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 14 juli 2025 afgewezen. Verweerder is bij het bestreden besluit van 2 februari 2026 bij die afwijzing gebleven.
1.1.
Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. [1] Hij heeft daarbij ook dit verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
1.2.
Verweerder heeft met een verweerschrift gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 10 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, [naam 1] (namens referent), de gemachtigde van verweerder en [naam 2] (namens het UWV).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Verzoeker heeft de Bengaalse nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1997. Hij heeft van 22 maart 2023 tot en met 22 maart 2025 een GVVA gehad om als Aziatische kok bij referent te werken. Hij heeft om verlenging verzocht van die vergunning, maar die aanvraag is afgewezen vanwege een negatief UWV-advies. Uit het UWV-advies blijkt namelijk dat er voldoende aanbod aanwezig is, dat er geen (goede) vacaturemelding is, dat referent onvoldoende heeft gezocht naar kandidaten en dat referent onnodige eisen stelt aan de functie. [2] Deze voorwaarden mogen volgens verweerder worden tegengeworpen omdat de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca is komen te vervallen. [3]
Wat vinden verzoeker en verweerder?
3. Verzoeker is het niet eens met de afwijzing. Hij stelt zich op het standpunt dat zijn verzoek spoedeisend belang heeft, omdat hij door de afwijzing niet meer mag werken en Nederland moet verlaten. Bovendien komt referent in de problemen, omdat verzoeker op dit moment niet legaal mag werken. Verzoeker wijst erop dat zijn belang en het belang van referent zeer groot zijn en dat deze belangen zwaarder wegen dan het belang van verweerder om het verzoek af te wijzen. Verzoeker vindt verder dat zijn beroep een redelijke kans van slagen heeft. In de kern heeft dat er volgens hem mee te maken dat alle afwijzingsgronden zijn terug te voeren op de werkervaringseis die door referent is gesteld voor de functie. Het valt niet te volgen waarom de werkervaringseis in deze procedure door verweerder wordt bestempeld als irreëel. In de eerdere procedure was het namelijk verweerder zelf die deze werkervaringseis als voorwaarde stelde. Niet valt in te zien waarom nu voor precies dezelfde functie deze werkervaringseis kan worden tegengeworpen.
3.1.
Verweerder verzet zich niet tegen toewijzing van het verzoek voor zover het verzoeker wordt toegestaan om zijn beroep in Nederland af te wachten. Verweerder verzet zich wel tegen toewijzing van het verzoek voor zover het verzoeker zou worden toegestaan om te mogen werken totdat op zijn beroep wordt beslist. Verweerder vindt allereerst dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. De arbeidsovereenkomst van verzoeker is niet beëindigd, verzoeker is na afwijzing van de aanvraag blijven werken en referent mag het loon niet zonder meer stopzetten. Mocht er wel sprake zijn van spoedeisend belang dan vindt verweerder zijn belang zwaarder wegen dan dat van verzoeker en referent. Tot slot betoogt verweerder dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De betreffende weigeringsgronden zijn terecht tegengeworpen en zijn dwingend geformuleerd. Dat betekent dat verweerder de aanvraag moet afwijzen en dat hij geen ruimte heeft om hier na een belangenafweging van af te wijken.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder zich niet verzet tegen toewijzing van het verzoek voor zover het verzoeker wordt toegestaan om zijn beroep in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om het verzoek in ieder geval op dit onderdeel toe te wijzen. De voorzieningenrechter gaat hieronder in op het verzoek voor zover dat ziet op het recht om te mogen werken.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor verzoeker niet kan wachten op een beslissing op zijn beroep. Voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld, moet eerst worden beoordeeld of er sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening.
5.1.
De voorzieningenrechter overweegt hierover het volgende. Verzoeker is vanaf 2023 als kok werkzaam in het restaurant. [naam 1] heeft tijdens de zitting toegelicht dat verzoeker de enige kok is in het restaurant. [naam 1] probeert de werkzaamheden van verzoeker tijdelijk over te nemen als verzoeker er een keer niet is, maar als dat niet lukt gaat het restaurant op een dergelijk moment dicht. Het restaurant is in ieder geval gesloten tijdens de vier vakantieweken die verzoeker per jaar heeft. Op dit moment is er ook niemand die een eventuele nieuwe kok kan inwerken. De voorzieningenrechter overweegt dat deze omstandigheden referent voor een dilemma stellen. Als verzoeker blijft werken, handelt referent in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en riskeert hij een hoge boete. Als referent verzoeker niet laat werken, zal het de deuren (voorlopig) moeten sluiten. De voorzieningenrechter is in verband met deze specifieke omstandigheden van oordeel dat er sprake is van een spoedeisend belang.
5.2.
De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in zijn betoog dat het spoedeisend belang onvoldoende naar voren is gebracht omdat de informatie over de situatie van het restaurant pas tijdens de zitting en uitsluitend mondeling is gegeven. De voorzieningenrechter ziet in het kader van het spoedeisend belang namelijk geen aanleiding om aan de gegeven toelichting te twijfelen.
Heeft het beroep een redelijke kans van slagen?
5.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het oordeel in deze zaak een voorlopig karakter heeft en dat dit de rechtbank in de beroepszaak [4] (het bodemgeding) niet bindt.
5.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze spoedprocedure zich niet leent voor een diepgaand inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het besluit. De geschilpunten in dat kader gaan met name over: 1) de vraag of de werkervaringseis die referent stelt irreëel is en mag worden tegengeworpen en 2) in hoeverre verweerder de ruimte heeft om tot verlenging van de vergunning over te gaan bij aanwezigheid van tenminste één dwingendrechtelijke afwijzingsgrond. [5]
5.5.
De voorzieningenrechter overweegt dat er op dit moment divergentie [6] bestaat over de functie-eisen [7] (waaronder werkervaring) die sinds de afschaffing van de Regeling voor Aziatische horeca worden gehanteerd. [8] De wisselende uitkomsten in die spoedprocedures laten volgens de voorzieningenrechter zien dat het beroep een redelijke kans van slagen op dit moment niet kan worden ontzegd.
Daarbij betrekt de voorzieningenrechter ook dat het beroep van verzoeker op een zitting van de meervoudige kamer van deze rechtbank staat gepland op 21 april 2026 en dat deze rechtbank zich nog niet eerder heeft uitgelaten over deze rechtsvragen in een bodemgeding.
Valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker uit?
5.6.
Het belang van verzoeker en referent is erin gelegen dat verzoeker weer (legaal) arbeid kan verrichten voor referent. Referent zou in dat geval niet genoodzaakt zijn om over te gaan tot (tijdelijke) sluiting van het restaurant om hoge boetes te voorkomen. Daartegenover staat het uitgangspunt dat het instellen van beroep geen schorsende werking heeft en het belang van verweerder dat de wet wordt gevolgd. Het is volgens verweerder niet de bedoeling dat een situatie ontstaat waarbij illegale tewerkstelling [9] legaal wordt gemaakt.
5.7.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de belangenafweging in het voordeel van verzoeker en referent uit. De voorzieningenrechter kan verweerder volgen in zijn belang dat de regels worden nageleefd, maar voor de voorzieningenrechter weegt zwaarder dat verzoeker, na een eerder positief UWV-advies, al enkele jaren legaal arbeid heeft verricht voor referent en dat afwijzing van het verzoek in dit geval directe gevolgen heeft voor verzoeker en referent, terwijl het beroep - in afwachting van de uitspraak van de meervoudige kamer - een redelijke kans van slagen niet kan worden ontzegd.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat verzoeker totdat op zijn beroep is beslist, moet worden behandeld alsof hij in het bezit is van de verzochte vergunning. Dat betekent in de praktijk dat het verzoeker is toegestaan om te werken en in Nederland te verblijven totdat de rechtbank op zijn beroep heeft beslist.
6.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Verzoeker krijgt ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in die zin dat verweerder verzoeker aldus dient te behandelen dat hij mag werken bij referent en in Nederland mag verblijven totdat op het beroep is beslist;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.F.A. Bleichrodt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit beroep is geregistreerd onder het zaaknummer NL26.8753. De behandeling van het beroep staat gepland op een zitting van de meervoudige kamer van 21 april 2026.
2.Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder a, b en c, en artikel 9, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
3.Door de uitzonderingspositie voor de Aziatische horeca golden de voorwaarden in artikel 8, onder a, b en c, van de Wav niet voor deze groep.
4.Het beroep met zaaknummer NL26.8753.
5.In verband met artikel 3.31, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Uiteenlopende rechterlijke oordelen.
7.En de invloed daarvan op de afwijzingsgronden over prioriteitgenietend aanbod, vacaturemelding en inspanningsverplichting.
8.Uitspraken van de voorzieningenrechter van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 5 augustus 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:15133), 18 augustus 2025 (zaaknummer NL25.25846, niet gepubliceerd) en 19 december 2025 (zaaknummer NL25.37592 e.a., niet gepubliceerd).
9.Zoals bedoeld in artikel 2 van Pro de Wav.