Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:6635

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL24.52207
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000Art. 28 Vreemdelingenwet 2000Art. 33 Vreemdelingenwet 2000Art. 8 Vreemdelingenwet 2000Art. 62 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen buitenbehandelingstelling asielaanvraag niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang

Eiseres, een Afghaanse minderjarige, vroeg op 30 mei 2024 asiel aan in Nederland. Verweerder stelde haar aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiseres Nederland op 25 juni 2024 met onbekende bestemming had verlaten en de beslissing niet had afgewacht.

Eiseres stelde beroep in tegen deze buitenbehandelingstelling. Tijdens de zitting op 19 februari 2026 bleek dat eiseres inmiddels een asielstatus in Duitsland had verkregen, wat door verweerder werd onderbouwd met een beschikking van 18 december 2025. Eiseres reageerde niet op verzoeken van haar gemachtigde om dit te bevestigen, waardoor de rechtbank aannam dat zij geen belang meer had bij de procedure.

De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder verwijtbaar had gehandeld door in het besluit niet expliciet de rechtsgevolgen van de buitenbehandelingstelling te vermelden, wat leidde tot rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid. Daarom werd verweerder veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €1.868 aan eiseres.

De rechtbank wees erop dat eiseres te allen tijde een nieuwe asielaanvraag in Nederland kan indienen, die dan als eerste aanvraag zal worden behandeld. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J.M. Baldinger en griffier I.G.A. Karregat op 17 maart 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan procesbelang en verweerder wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.52207
[v nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiseres

(gemachtigde: mr. I.J.M. Oomen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J.G.R. Becker).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de buitenbehandelingstelling van haar asielaanvraag.
1.2.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet-ontvankelijk is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2.1.
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2005 en heeft de Afghaanse nationaliteit.
2.2.
Op 30 mei 2024 heeft eiseres asiel aangevraagd in Nederland.
2.3.
Op 15 oktober 2024 heeft verweerder eiseres laten weten voornemens te zijn haar asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Eiseres heeft op 25 oktober 2024 gereageerd op dit voornemen.
2.4.
Met het primaire besluit van 8 november 2024 heeft verweerder de asielaanvraag buiten behandeling gesteld, op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft aan deze beslissing ten grondslag gelegd dat uit informatie van het Centraal Orgaan Opvang Asielzoekers en uit informatie van de korpschef van het regionaal politiekorps Noord-Holland blijkt dat eiseres op 25 juni 2024 is vertrokken met onbekende bestemming (MOB). Zij heeft de beslissing op haar asielaanvraag niet afgewacht.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het primaire besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Is sprake van procesbelang?
3.1.
Voordat de rechtbank toekomt aan een inhoudelijke beoordeling, toetst de rechtbank ambtshalve of sprake is van procesbelang. Dat houdt in dat het resultaat dat wordt nagestreefd met een procedure ook daadwerkelijk kan worden bereikt met die procedure.
3.2.
Verweerder heeft de rechtbank op 17 februari 2026 laten weten dat eiseres inmiddels een asielstatus heeft gekregen in Duitsland. Verweerder heeft ter onderbouwing hiervan een mailwisseling met de Dublinunit overgelegd, waaruit volgt dat de vluchtelingenstatus met een beschikking van 18 december 2025 aan eiseres is verleend. Volgens verweerder heeft eiseres daarom geen belang meer bij de behandeling van haar beroep.
3.3.
De gemachtigde van eiseres heeft eiseres per e-mail gevraagd of het klopt dat zij inmiddels een asielstatus heeft gekregen in Duitsland. Op het moment van de zitting had eiseres nog niet gereageerd op dit e-mailbericht. De rechtbank heeft daarom het onderzoek op de zitting geschorst met een termijn van één week, om de gemachtigde van eiseres de gelegenheid te geven een reactie van eiseres af te wachten. De gemachtigde van eiseres heeft de rechtbank op 24 februari 2026 laten weten dat zij geen nadere reactie van eiseres heeft ontvangen. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten, zoals met partijen was afgesproken op de zitting.
3.4.
De rechtbank overweegt als volgt. Nu eiseres niet heeft gereageerd op de e-mail van haar gemachtigde, en verweerder de verlening van de asielstatus aan eiseres in Duitsland heeft onderbouwd met het eerdergenoemde informatie van de Dublinunit, moet ervan uit worden gegaan dat eiseres daadwerkelijk zoals verweerder zegt een asielstatus heeft gekregen in Duitsland. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres dan ook geen belang meer bij deze procedure. Zij heeft namelijk al bescherming in Duitsland en heeft de door haar aanvankelijk verzochte bescherming in Nederland niet meer nodig. Daarbij is gebleken dat eiseres geen contact meer onderhoudt met haar gemachtigde. Ook dat is een indicatie dat eiseres geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of dat zij anderszins nog een actueel en reëel belang heeft. [1] De rechtbank merkt in dit verband nog op dat eiseres, indien nodig, een nieuwe asielaanvraag in Nederland kan indienen, welke alsdan door verweerder op grond van artikel 30c, tweede lid, van de Vw als een eerste aanvraag zal worden behandeld. In het verweerschrift en op de zitting heeft de gemachtigde van verweerder dat bevestigd.
3.5.
Het beroep is gelet op het voorgaande niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen procesbelang meer heeft. De rechtbank zal het beroep daarom niet inhoudelijk behandelen.
Moet verweerder worden veroordeeld in de proceskosten van eiseres?
4.1.
De gemachtigde van eiseres heeft verzocht om haar, ook als het beroep
niet-ontvankelijk zou worden verklaard, een proceskostenvergoeding toe te kennen.
4.2.
De rechtbank stelt vast dat voor een proceskostenveroordeling niet is vereist dat het beroep gegrond moet zijn verklaard. Ook in het geval van een niet-ontvankelijkverklaring kan een bestuursorgaan worden veroordeeld in de proceskosten, als sprake is van verwijtbaarheid aan de zijde van het bestuursorgaan.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval sprake is van een aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Op grond van de Vw geldt de beschikking waarbij een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd, bedoeld in artikel 28, of voor onbepaalde tijd, bedoeld in artikel 33 van Pro de Vw, wordt afgewezen, als een terugkeerbesluit, tenzij reeds eerder een terugkeerbesluit tegen de vreemdeling is uitgevaardigd en aan de daaruit voortvloeiende terugkeerverplichting niet is voldaan. Ook heeft het afwijzende besluit van rechtswege een aantal gevolgen. Het eerste (voor zover relevante) gevolg is dat de vreemdeling niet langer rechtmatig in Nederland verblijft, tenzij een andere rechtsgrond voor rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 8 van Pro toepassing is. Het tweede (voor zover relevante) gevolg is dat de vreemdeling Nederland uit eigen beweging dient te verlaten binnen de in artikel 62 van Pro de Vw gestelde termijn, bij gebreke waarvan de vreemdeling kan worden uitgezet. Een buitenbehandelingstelling, waarvan in dit geval sprake is, wordt op grond van artikel 30c, derde lid, van de Vw gelijkgesteld met een afwijzende beschikking voor de toepassing van het bepaalde bij of krachtens de Vw. De buitenbehandelingstelling heeft dus dezelfde rechtsgevolgen als de afwijzende beschikking, zoals die hierboven zijn vermeld.
4.4.
Omwille van rechtsduidelijkheid en rechtszekerheid maakt verweerder de rechtsgevolgen doorgaans duidelijk in een voor de asielzoeker negatieve beschikking, door expliciet die rechtsgevolgen te benoemen en uit te leggen wat die voor de asielzoeker betekenen. De gemachtigde van eiseres heeft ter illustratie hiervan de negatieve beschikking van de broer van eiseres overlegd. Daarin staat een terugkeerbesluit expliciet opgenomen en staat ook verdere uitleg over de rechtsgevolgen van het besluit. In de onderhavige buitenbehandelingstelling staan de rechtsgevolgen van het besluit niet expliciet vermeld. Wat dit zou moeten betekenen, is met partijen op de zitting besproken. De gemachtigde van eiseres voert aan dat de rechtsgevolgen expliciet in het besluit opgenomen hadden moeten worden, omdat verweerder dit altijd doet, de wet de rechtsgevolgen van een negatief besluit expliciet omschrijft en eiseres nu niet weet waar zij aan toe is, omdat niet duidelijk in het besluit staat wat haar nu te doen staat. Verweerder stelt zich op standpunt dat nu in het besluit geen terugkeerbesluit en geen vertrekplicht zijn opgenomen, deze ook niet zijn opgelegd. Dat de wet de rechtsgevolgen van de negatieve beschikking noemt, maakt niet dat die rechtsgevolgen impliciet uit het besluit zouden moeten worden afgeleid, aldus verweerder.
4.5.
Naar het oordeel van de rechtbank illustreert de bespreking van dit punt op de zitting in ieder geval dat als de rechtsgevolgen niet expliciet worden vermeld in het besluit, er rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid ontstaat. Dat kan niet de bedoeling zijn. De rechtbank is van oordeel dat verweerder verwijtbaar heeft gehandeld door deze rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid te scheppen. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat een proceskostenveroordeling op zijn plaats is.
4.6.
De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.868.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr.I.G.A. Karregat, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van