Eiseres, een Afghaanse minderjarige, vroeg op 30 mei 2024 asiel aan in Nederland. Verweerder stelde haar aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, onder c van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiseres Nederland op 25 juni 2024 met onbekende bestemming had verlaten en de beslissing niet had afgewacht.
Eiseres stelde beroep in tegen deze buitenbehandelingstelling. Tijdens de zitting op 19 februari 2026 bleek dat eiseres inmiddels een asielstatus in Duitsland had verkregen, wat door verweerder werd onderbouwd met een beschikking van 18 december 2025. Eiseres reageerde niet op verzoeken van haar gemachtigde om dit te bevestigen, waardoor de rechtbank aannam dat zij geen belang meer had bij de procedure.
De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan procesbelang. Daarnaast oordeelde de rechtbank dat verweerder verwijtbaar had gehandeld door in het besluit niet expliciet de rechtsgevolgen van de buitenbehandelingstelling te vermelden, wat leidde tot rechtsonduidelijkheid en rechtsonzekerheid. Daarom werd verweerder veroordeeld tot een proceskostenvergoeding van €1.868 aan eiseres.
De rechtbank wees erop dat eiseres te allen tijde een nieuwe asielaanvraag in Nederland kan indienen, die dan als eerste aanvraag zal worden behandeld. De uitspraak werd gedaan door rechter H.J.M. Baldinger en griffier I.G.A. Karregat op 17 maart 2026.