Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De aanvraag werd op 23 mei 2024 ontvangen, met een beslistermijn van zes maanden. De minister heeft niet binnen deze termijn beslist, ondanks een ingebrekestelling van eiser op 26 januari 2026.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en gegrond is, omdat de minister niet tijdig heeft beslist. De rechtbank stelt een nadere beslistermijn van zes weken na verzending van de uitspraak vast waarbinnen de minister alsnog een besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor het geval de minister deze termijn overschrijdt.
Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-, vanwege de inschakeling van een professionele gemachtigde en het beperkte onderwerp van het geschil. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier N.B. Yalcinkaya op 24 maart 2026.