ECLI:NL:RBDHA:2026:6625

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 januari 2026
Publicatiedatum
26 maart 2026
Zaaknummer
NL25.23716
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 AwbArt. 8:72 AwbArt. 9 Vreemdelingenwet 2000Art. 20 VWEU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit beëindiging verblijfsrecht verzorgende ouder wegens schending hoorplicht en onvoldoende motivering afhankelijkheidsrelatie

Eiser, een Marokkaanse onderdaan en verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind met een ontwikkelingsachterstand en autisme spectrum stoornis, kreeg in 2021 een verblijfsvergunning op grond van het Chavez-Vilchez arrest. De minister beëindigde dit verblijfsrecht per 14 maart 2022, omdat eiser niet meer op hetzelfde adres als het kind stond ingeschreven en volgens de minister niet meer voldeed aan de voorwaarden voor het verblijfsrecht.

Eiser stelde dat de minister ten onrechte afzag van het horen in bezwaar, terwijl een nieuwe verklaring van de moeder van het kind niet met hem was gedeeld. De rechtbank oordeelde dat de hoorplicht was geschonden, omdat de minister had moeten horen en de nieuwe verklaring had moeten delen. Daarnaast had de minister onvoldoende rekening gehouden met de bijzondere lichamelijke en emotionele situatie van het kind en onvoldoende gemotiveerd waarom de aanwezigheid van eiser niet essentieel zou zijn.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen twaalf weken een nieuw besluit moet nemen, waarbij alle relevante omstandigheden, waaronder de gezondheidstoestand van het kind, zorgvuldig moeten worden meegewogen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het bestreden besluit tot beëindiging van het verblijfsrecht wordt vernietigd wegens schending van de hoorplicht en onvoldoende motivering, met opdracht tot nieuwe besluitvorming.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.23716
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.H. Hekman),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. I.A.G. Lodders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vaststelling dat het verblijfsrecht van eiser als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind is geëindigd. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beëindiging van de verblijfsvergunning.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 11 mei 2021 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), als verzorgende ouder van een minderjarig Nederlands kind op grond van artikel 20 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en het arrest Chavez-Vilchez van 10 mei 2017 (ECLI:EU:C:2017:354) van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof). Op 2 december 2021 is aan eiser een verblijfsvergunning afgegeven als verzorgende ouder van [persoon1] .
4. Bij besluit van 6 maart 2025 stelt de minister vast dat het verblijfsrecht per 14 maart 2022 is geëindigd. De minister heeft met het bestreden besluit van 16 mei 2025 het bezwaar van eiser tegen de beëindiging van zijn verblijfsrecht, ongegrond verklaard.
5. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
6. De minister heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
7. De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Op de zitting is als getuige gehoord [persoon2] , de moeder van [persoon1] .

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
8. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 1999 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zijn zoon, [persoon1] , geboren op [geboortedatum 2] 2019, heeft de Nederlandse nationaliteit. Eiser heeft sinds 2 december 2021 een verblijfsrecht als verzorgende ouder van [persoon1] . Dit verblijfsrecht is afhankelijk van zijn kind. Uit de Basisregistratie Personen (BRP) blijkt dat eiser sinds 14 maart 2022 niet meer op hetzelfde adres staat ingeschreven als zijn kind. De vraag is of eiser sindsdien, kort samengevat, ook niet meer als verzorgende ouder van [persoon1] kan worden aangemerkt.

Het bestreden besluit

9. De minister heeft het verblijfsrecht van eiser beëindigd, omdat de persoonlijke situatie van eiser is gewijzigd. De relatie tussen eiser en de moeder van [persoon1] is beëindigd. Vanaf 14 maart 2022 staat eiser niet meer ingeschreven op hetzelfde adres als [persoon1] . Eiser voldoet daarom niet (meer) aan de voorwaarden voor een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. De minister verwijst naar paragraaf B10/2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser voldoet niet meer aan de voorwaarde dat hij meer dan beperkte zorg- en opvoedingstaken voor zijn kind heeft en aan de voorwaarde dat zijn kind zodanig van hem afhankelijk is dat eisers kind gedwongen wordt eiser te volgen als eiser Nederland of de Europese Unie zou moeten verlaten. In bezwaar blijft de minister bij zijn standpunt.

Is de hoorplicht geschonden?

10. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft afgezien van het horen in bezwaar. Eiser wijst er daarbij op dat de minister bij het bestreden besluit onder meer een brief van de moeder van [persoon1] van 9 april 2025 (de rechtbank begrijpt: 8 april 2025) heeft betrokken, waaruit blijkt dat zij een eerdere op schrift gestelde verklaring van 13 maart 2025, door eiser overgelegd, intrekt. Uit de brief van 9 april 2025 volgt volgens de minister dat de eerdere verklaring, waaruit volgt dat eisers verblijf in Nederland van belang is voor [persoon1] , achterhaald is en daarom niet langer bruikbaar is als bewijsstuk ten gunste van de voortzetting van eisers verblijf in Nederland.
11. Het had volgens eiser op de weg gelegen van de minister om de reactie van eiser te vragen op de nieuwe verklaring van de moeder van [persoon1] , van 9 april 2025. Eiser en zijn gemachtigde waren niet op de hoogte van deze tweede brief. Het is volgens eiser verder irrelevant dat er in de bezwaarfase geen beroep is gedaan op de hoorplicht. Als hij hangende het bezwaar op de hoogte was gesteld van de nieuwe verklaring van de moeder van [persoon1] had hij hier zeker een beroep op gedaan.
12. De rechtbank overweegt als volgt. De wettelijke plicht om een vreemdeling in de bezwaarfase te horen volgt uit artikel 7:2 van Pro de Awb. Van horen kan worden afgezien om een aantal redenen, die uitputtend zijn beschreven in artikel 7:3 van Pro de Awb. Het gaat in dit geval om de reden die in deze bepaling is opgenomen onder b. Op grond daarvan kan van horen worden afgezien als een bezwaar kennelijk ongegrond is. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) volgt dat dit het geval is indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van het bezwaar niet tot een ander standpunt leiden dan in het primaire besluit is opgenomen. Horen vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarprocedure en de in artikel 7:3 van Pro de Awb opgenomen uitzonderingsgronden moeten terughoudend worden toegepast. De rechtbank verwijst in dit kader naar de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1918).
13. Uit de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022 volgt ook dat het uitgangspunt dat een vreemdeling in bezwaar moet worden gehoord te meer geldt in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Dit zijn bijvoorbeeld vreemdelingrechtelijke zaken waarin artikel 8 EVRM Pro-aspecten aan de orde zijn of zaken waarin het verblijf van een vreemdeling wordt beëindigd, zoals bij het intrekken van een vergunning en bij het afwijzen van een aanvraag om een vergunning te verlenen.
14. De rechtbank is van oordeel dat de minister eiser had moeten horen. Daartoe is, gelet op het bovengenoemde toetsingskader, allereerst van belang dat het in deze zaak om de beëindiging van een verblijfsrecht gaat én dat de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval; het gaat om de vraag welke zorg- en opvoedtaken eiser uitvoerde. Daarnaast had de minister de tweede verklaring van de moeder van [persoon1] , van 9 april 2025, met eiser moeten delen. Het niet delen van deze verklaring heeft ertoe geleid dat eiser niet in staat was om te reageren met eventuele ontbrekende informatie of om de verklaring van context te voorzien. Verweerder heeft weliswaar verklaard dat deze verklaring niet van doorslaggevend belang was voor de besluitvorming, maar in het bestreden besluit is wel expliciet naar deze tweede verklaring verwezen en dat maakt dus onderdeel uit van de motivering van het bestreden besluit. Uit het bestreden besluit kan dan ook worden afgeleid dat de verklaring heeft meegewogen in de beslissing om het verblijfsrecht te beëindigen.
15. Gelet op al het voorgaande, heeft de minister ten onrechte afgezien van het horen in bezwaar en is de hoorplicht geschonden. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. In het kader van de finale geschilbeslechting zal de rechtbank bezien of er aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. Daartoe overweegt en oordeelt de rechtbank als volgt.

Is er sprake van een afhankelijkheidsrelatie?

16. Uit het arrest Chavez-Vilchez, (overweging 63) volgt dat er zeer bijzondere situaties bestaan waarin aan een onderdaan van een derde land die familielid is van een burger van de Unie een verblijfsrecht moet worden toegekend. Dit, omdat anders aan het Unieburgerschap de nuttige werking zou worden ontnomen indien, als gevolg van de weigering om een dergelijk recht te verlenen, deze burger feitelijk verplicht is het grondgebied van de gehele Unie te verlaten en hem zo het effectieve genot van de essentie van de aan die status ontleende rechten wordt ontzegd. Eén zo'n zeer bijzondere situatie is de situatie dat tussen een familielid die derdelander is en het desbetreffende kind die Unieburger is een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding bestaat.
17. Bij de beoordeling of sprake is van een daadwerkelijke afhankelijkheidsverhouding moet de minister rekening houden met alle omstandigheden van het geval. Welke ouder de daadwerkelijke zorg over het kind heeft, de leeftijd van het kind, de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van het kind, de affectieve relatie met de ouder die Unieburger is, de affectieve relatie met de ouder die onderdaan van een derde land is, evenals het risico dat voor de innerlijke balans van het kind zou ontstaan indien het van deze laatste ouder zou worden gescheiden, zijn relevante omstandigheden die de minister bij die beoordeling moet betrekken. De rechtbank verwijst hierbij opnieuw naar het arrest Chavez Vilchez (overweging 71).
18. Het beleid van de minister over de uitvoering van het arrest Chavez-Vilchez is neergelegd in paragraaf B10/2.5.1.4 van Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) (zoals dat gold ten tijde van het bestreden besluit). In dit beleid staat onder meer het volgende: “
Bij de beoordeling of sprake is van een zodanig afhankelijkheidsverhouding dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Unie te verlaten als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd, betrekt de IND, in het hogere belang van het kind, alle relevante omstandigheden, meer in het bijzonder:

de leeftijd van het kind;

het lichamelijke en emotionele ontwikkelingsniveau, de gezondheid en de economische situatie van het kind; en

het risico dat voor het evenwicht van het kind zou ontstaan als hij van zijn ouder wordt gescheiden.
Het gaat hier niet over cumulatieve voorwaarden, maar omstandigheden die in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld.”
19. De minister heeft in het bestreden besluit over de afhankelijkheidsrelatie overwogen dat de omstandigheid dat [persoon1] een verstandelijke beperking en een autismespectrumstoornis heeft en daarom veel zorg nodig heeft, niet in geschil is. Wel betwist de minister dat hieruit noodzakelijkerwijs volgt dat er sprake is van een meer dan normale afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [persoon1] . Verder stelt de minister dat de omgang(sregeling) van eiser met [persoon1] een beperkt karakter heeft en dat niet valt in te zien waarom de aanwezigheid van eiser in Nederland van essentieel belang zou zijn voor het welzijn van [persoon1] . Alles bij elkaar genomen is de minister van mening dat eiser slechts beperkte zorgtaken uitvoert voor [persoon1] .
20. Eiser heeft hiertegen aangevoerd dat bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en [persoon1] , de minister de medische en emotionele factoren onvoldoende heeft betrokken. Ook een in tijd gelimiteerd contact tussen eiser en [persoon1] , zoals volgt uit de omgangsregeling, kan emotioneel zeer belangrijk zijn. De minister laat dit ten onrechte buiten beschouwing.
21. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van [persoon1] uit de stukken blijkt dat hij een ontwikkelingsachterstand heeft en een autisme spectrum stoornis (ASS). Dit wordt door de minister ook niet betwist. Op de zitting heeft zijn moeder toegelicht dat [persoon1] nu zes jaar oud is, maar zijn ontwikkeling op de leeftijd van een kind van zeventien maanden oud zit. [persoon1] is non-verbaal en kan zich qua emotie niet goed tonen. Hij gaat naar een dagbesteding. In de omgangsregeling is vastgesteld dat eiser [persoon1] op zondagen tussen 11:00 en 19:00 uur ziet. Doordeweeks komt eiser ook regelmatig langs. Dit is meestal na het werk van eiser en als [persoon1] thuis is van de dagbesteding.
22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de door hem overgelegde stukken en op de zitting voldoende inzicht gegeven in de lichamelijke- en emotionele ontwikkeling van [persoon1] . Volgens de rechtbank heeft de minister deze aspecten onvoldoende kenbaar in zijn beoordeling betrokken en daarmee onvoldoende gemotiveerd waarom de aanwezigheid van eiser in Nederland niet van essentieel belang zou zijn voor het welzijn van [persoon1] , gelet op zijn bijzondere gezondheidssituatie. Er is weliswaar beoordeeld welke feitelijke afhankelijkheidsverhouding er bestaat, maar de minister heeft het nagelaten om dit in het kader van de bijzondere situatie van [persoon1] te plaatsen en toe te passen. De omgang, opvoed- en zorgtaken die eiser met [persoon1] heeft zouden normaal gesproken wellicht niet tot de conclusie leiden dat er sprake is van een afhankelijkheidsrelatie, maar het is zeer wel mogelijk dat dat gelet op de specifieke problematiek van [persoon1] anders ligt. Met name het (emotionele) ontwikkelingsniveau en de ASS maken dat de innerlijke balans van [persoon1] sneller en ernstiger verstoord kan worden dan bij een kind zonder deze problematiek. Dit betekent dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd of sprake is van een dergelijke afhankelijkheidsverhouding, mede gelet op het contact dat meer geïntensiveerd lijkt te worden dan uit de omgangsregeling blijkt. Hiermee heeft de minister niet gehandeld in overeenstemming met zijn eigen beleid als neergelegd in paragraaf B10/2.5.1 van de Vc. De beroepsgrond slaagt.
23. De rechtbank merkt op dat het, in het kader van de nieuwe te nemen beslissing op bezwaar, aan de minister is om alle relevante feiten en omstandigheden die van invloed kunnen zijn op de beslissing zorgvuldig te heroverwegen. Dit houdt in dat de minister ook rekening moet houden met de bredere context van de situatie van [persoon1] . De minister dient de nodige informatie te verzamelen, met bijzondere aandacht voor de impact van de gezondheidstoestand van [persoon1] , zoals die voortvloeit uit zijn ontwikkelingsstoornis en ASS. Gelet op de uitspraak van de rechtbank ligt het op de weg van de minister om alsnog een hoorzitting te houden.
24. In dit verband ligt het op de weg van eiser om nader onderbouwd toe te lichten wat de specifieke belangen en behoeften van [persoon1] zijn, gelet op zijn ontwikkelingsniveau en ASS. Het is daarbij aan eiser om inzicht te geven in (mogelijke) concrete gevolgen die het besluit kan hebben op de situatie van [persoon1] . Het kan daarbij noodzakelijk zijn om recentere medische of aanvullende pedagogische rapporten over te leggen om zo een vollediger beeld van de situatie van [persoon1] te geven.
25. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand te laten. De minister dient een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van het voorgaande.

Conclusie en gevolgen

26. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met de hoorplicht en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
27. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van twaalf weken.
28. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 16 mei 2025;
  • draagt de minister op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van €194,- aan eiser moet vergoeden; en
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 januari 2026

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.