ECLI:NL:RBDHA:2026:662
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing machtiging voorlopig verblijf voor mantelzorg bij familielid zonder bijkomende afhankelijkheid
Eiseres, een Turkse nationaliteit houdende vrouw, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland om als mantelzorger bij haar oom te verblijven. De minister wees de aanvraag af omdat de familierechtelijke relatie niet was aangetoond en er geen sprake was van beschermwaardig familie- of gezinsleven volgens artikel 8 EVRM Pro, mede vanwege het ontbreken van bijkomende elementen van afhankelijkheid.
De rechtbank toetste de beoordeling van de minister en concludeerde dat eiseres onvoldoende feiten en omstandigheden had aangevoerd om de vereiste afhankelijkheidsrelatie aan te tonen. De brief van een zorginstelling, waarin werd gesteld dat mantelzorg door eiseres de gezondheid van referent zou kunnen verbeteren, was onvoldoende onderbouwd en kon de afwijzing niet doorbreken.
Verder oordeelde de rechtbank dat de minister terecht geen hoorzitting hield in bezwaar, omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was en eiseres geen nieuwe relevante feiten had ingebracht. Ook het niet vertalen van stukken en het niet overleggen van aanvullende bewijsstukken speelde hierbij een rol.
Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand bleef. Eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt ongegrond verklaard.