ECLI:NL:RBDHA:2026:662
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor verblijf als familie- of gezinslid
Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar oom, die in Nederland woont. Eiseres, van Turkse nationaliteit, is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft de zaak op 24 oktober 2025 behandeld, waarbij de gemachtigden van zowel eiseres als de minister aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven, omdat eiseres niet voldoende heeft aangetoond dat er sprake is van een familierechtelijke relatie en bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen haar en referent. De minister heeft de aanvraag afgewezen op basis van het feit dat er geen bewijs is van een dergelijke relatie en dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank concludeert dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen bijkomende elementen van afhankelijkheid zijn, en dat eiseres niet in haar verzoek kan worden ontvangen. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, wat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en geen griffierecht of proceskostenvergoeding ontvangt.