ECLI:NL:RBDHA:2026:658

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
14 januari 2026
Publicatiedatum
16 januari 2026
Zaaknummer
NL25.63758
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 28 DublinverordeningArt. 5.1a VbArt. 5.1b VbArt. 5.3 Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging bewaring vreemdeling op grond van Dublinverordening wegens risico op onttrekking

De minister van Asiel en Migratie legde op 29 december 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser, een Tunesische vreemdeling, op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, vanwege een concreet aanknopingspunt voor een overdracht op basis van de Dublinverordening en een significant risico op onttrekking aan het toezicht.

Eiser voerde aan dat hij geen asielaanvraag in Oostenrijk had gedaan, geen claim-akkoord bestond en mogelijk een verblijfsvergunning in Italië had. De rechtbank oordeelde dat er voldoende concrete aanknopingspunten zijn voor overdracht aan Oostenrijk en Italië, waarbij het ontbreken van bewijs voor een verblijfsvergunning in Italië leidde tot het niet volgen van deze stelling.

De rechtbank stelde vast dat de minister de zware gronden 3a en 3b en de lichte grond 4c voldoende had gemotiveerd en dat er geen minder dwingende, effectieve maatregelen beschikbaar waren. De minister handelde voortvarend door snel een vertrekgesprek te voeren en informatie op te vragen bij Oostenrijk. De informatieplicht werd als voldoende nageleefd beoordeeld.

Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter B. van Dokkum op 14 januari 2026.

Uitkomst: De rechtbank bevestigt de bewaring van eiser wegens concreet aanknopingspunt voor Dublinoverdracht en significant risico op onttrekking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.63758

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 29 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen S. Magid. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2002.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening. In de maatregel van bewaring heeft de minister onder meer toegelicht dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het significante risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan één of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Op grond van artikel 59a van de Vw kan de minister een vreemdeling op wie de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening) van toepassing is, met het oog op de overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring stellen met inachtneming van artikel 28 van Pro die verordening.
3.1.
Op grond van artikel 28, tweede lid, van de Dublinverordening mogen de lidstaten wanneer er een significant risico op onderduiken van een persoon bestaat, deze persoon in bewaring houden om een overdrachtsprocedure volgens deze verordening veilig te stellen, op basis van een individuele beoordeling en alleen voor zover bewaring evenredig is en wanneer andere, minder dwingende alternatieve maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast.
3.2.
Op grond van artikel 5.1a, vijfde lid, van het Vb kan een vreemdeling in bewaring worden gesteld of een vrijheidsontnemende maatregel worden opgelegd indien (a) een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en (b) een significant risico bestaat dat de vreemdeling zich aan het toezicht zal onttrekken.
3.3.
Op grond van artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb wordt aan de voorwaarden voor inbewaringstelling als bedoeld in dat artikellid slechts voldaan indien ten minste twee van de gronden, bedoeld in het derde en vierde lid zich voordoen, waarvan ten minste één van de gronden, bedoeld in het derde lid.
Concreet aanknopingspunt voor een Dublinoverdracht
4. Eiser voert – kort samengevat – aan dat er geen concreet aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat hij op grond van de Dublinverordening kan worden overgedragen: hij heeft in Oostenrijk geen asiel aangevraagd, er is geen claim-akkoord met Oostenrijk én eiser heeft mogelijk een verblijfsvergunning in Italië.
5. De minister stelt zich op het standpunt dat uit de Eurodac-gegevens blijkt dat de Oostenrijkse autoriteiten op 16 oktober 2023 tegen eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod hebben uitgevaardigd. Daarnaast volgt uit deze gegevens ook dat eiser op 22 februari 2023 een asielaanvraag heeft ingediend in Italië.
6. De rechtbank is van oordeel dat er een concreet aanknopingspunt bestaat om aan te nemen dat eiser op grond van de Dublinverordening kan worden overgedragen aan een andere lidstaat. In het geval van eiser bestaan er concrete aanknopingspunten voor twee lidstaten: Oostenrijk en Italië. Eiser heeft verklaard dat hij geen asiel heeft aangevraagd in Oostenrijk. Uit de Eurodac-gegevens blijkt echter niet of eiser een asielaanvraag in Oostenrijk heeft ingediend. De minister heeft daarom de Oostenrijkse autoriteiten op 2 januari 2026 verzocht om informatie. De minister is ten tijde van de zitting nog in afwachting van een reactie van de Oostenrijkse autoriteiten. Ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring en op dit moment bestaat er vooralsnog voldoende reden om aan te nemen dat eiser op grond van de Dublinverordening aan Oostenrijk kan worden overgedragen. Voor een inbewaringstelling op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw is niet vereist dat er een claimverzoek of claimakkoord aan de bewaring ten grondslag ligt. [1] Dat eiser een verblijfsvergunning heeft voor Italië blijkt niet uit de Eurodac-treffer. Eiser heeft dit pas tijdens een vertrekgesprek op 2 januari 2026 voor het eerst genoemd. Hij heeft geen stukken waarmee hij zijn legale status in Italië kan aantonen. Gelet op deze omstandigheden hoeft de minister vooralsnog eiser niet te volgen in zijn stelling dat hij een verblijfsvergunning heeft voor Italië.
Significant risico op onttrekking en lichter middel
7. Eiser betwist de gronden waarop de maatregel is berust en voert aan dat de minister een lichter middel had moeten toepassen.
8. Tijdens de zitting heeft de minister gronden 3m., 4a. en 4d. laten vallen. Nu de maatregel niet langer op deze gronden berust, zal de rechtbank de door eiser aangevoerde beroepsgronden tegen deze gronden niet bespreken.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat de zware gronden 3a. en 3b. feitelijk juist zijn. Grond 3a. is feitelijk juist, omdat eiser zonder geldig reisdocument naar Nederland is gereisd terwijl hij wist of had kunnen weten dat hij illegaal in de Europese Unie verbleef (omdat hij van Oostenrijk een terugkeerbesluit had ontvangen). Ook de grond 3b. is feitelijk juist, omdat eiser geen melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatige verblijf bij de Nederlandse autoriteiten. [2]
9.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de lichte grond 4c feitelijk juist is en dat de minister deze grond voldoende heeft gemotiveerd. Anders dan eiser aanvoert, blijkt uit het proces-verbaal van het ophoudingsgehoor en het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling dat hij gedurende zijn verblijf in Nederland grotendeels in een hotel heeft gewoond en soms bij zijn tante heeft verbleven. Uit deze verklaringen blijkt genoegzaam dat eiser geen vaste woon- of verblijfsplaats heeft in Nederland.
9.2.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat voldoende gronden aanwezig zijn om ten aanzien van eiser van een significant risico op onttrekking aan het vreemdelingentoezicht aan te nemen. Dat eiser bereid stelt te zijn vrijwillig te vertrekken naar Tunesië neemt dit risico niet weg. [3] Bovendien heeft eiser zijn vertrekwens niet geconcretiseerd met bijvoorbeeld een vliegticket en is niet gebleken dat eiser stappen heeft gezet om over zijn Tunesische paspoort te beschikken. De stelling dat eiser bij zijn tante mocht verblijven in afwachting van zijn paspoort staat haaks op eisers verklaring voorafgaand aan de inbewaringstelling dat zijn familielid niet wil dat eiser in haar woning verblijft. Het maakt in dit geval ook geen verschil of eiser wel of niet bij zijn tante kan verblijven in voorbereiding op een vrijwillig vertrek. Eiser heeft namelijk ook een vertrekwens naar Italië geuit [4] , hetgeen afbreuk doet aan zijn wens om vrijwillig naar Tunesië te vertrekken en daarmee juist bijdraagt aan de conclusie dat er een risico op onttrekking van het vreemdelingentoezicht bestaat. Tot slot heeft eiser niet (met stukken) onderbouwd dat hij kwetsbaar is en dat de minister daarom had moeten volstaan met een lichter middel. Dat eiser de Nederlandse taal niet spreekt en hij voor het eerst in bewaring is gesteld, zijn omstandigheden die op zichzelf staand onvoldoende zijn om detentieongeschiktheid van eiser aan te nemen. Uit de opgelegde maatregel blijkt dat de minister eisers verklaringen over zijn gezondheidstoestand in zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank heeft geen concrete aanknopingspunten in het dossier gezien die leiden tot het oordeel dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel.
9.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich, gelet op wat hierboven in overwegingen 9. tot en met 9.2 is geoordeeld, terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast.
Zicht op een overdracht en voortvarend handelen
10. Volgens eiser ontbrak voor het opleggen van de maatregel een concreet aanknopingspunt voor een Dublinoverdracht aan Oostenrijk. Ook heeft eiser herhaaldelijk aangegeven naar Tunesië te willen terugkeren, en dus had de minister moeten onderzoeken of een terugkeer daarnaartoe – ondanks het ontbreken van zijn paspoort – sneller zou plaatsvinden dan een overdracht op grond van de Dublinverordening.
11. De rechtbank heeft in overweging 6. al geoordeeld dat er ten aanzien van eiser een concreet aanknopingspunt bestaat voor een Dublinoverdracht aan de Oostenrijk én dat er onvoldoende houvast bestaat dat eiser een verblijfstatus heeft voor Italië. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er dan ook zicht op een overdracht.
11.1.
Eiser heeft gelijk dat de minister zich moet inspannen om zijn inbewaringstelling zo kort mogelijk te laten duren. Gelet op het feit dat het paspoort van eiser in Tunesië ligt, is er geen reden om te veronderstellen dat eiser sneller naar Tunesië kan worden uitgezet dan dat hij aan Oostenrijk kan worden overgedragen. Tijdens de zitting is namens eiser gesteld dat hij snel over zijn paspoort zou kunnen beschikken. Maar ondanks dat hierover meerdere vragen aan eiser zijn gesteld, is deze stelling niet concreet geworden. De rechtbank overweegt verder dat eiser op 29 december 2025 in bewaring is gesteld, en dat de minister op 2 januari 2026 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd en op dezelfde datum een informatieverzoek aan de Oostenrijkse autoriteiten heeft gestuurd. De minister is nu in afwachting van de reactie van de Oostenrijkse autoriteiten. Gelet hierop handelt de minister voldoende voortvarend.
De informatieplicht
12. Volgens eiser heeft de minister niet voldaan aan de informatieplicht [5] , omdat de informatiefolder louter algemene informatie bevat, de minister hem tijdens het bewaringsgehoor [6] niet specifiek heeft bevraagd over de gronden voor bewaring en de minister ook bij het uitreiken van de maatregel niet aan eiser met behulp van een tolk de redenen voor de bewaring heeft uitgelegd.
13. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal van gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat eiser met behulp van een tolk is geïnformeerd over de redenen van de maatregel. [7] Daarnaast heeft de minister een informatiefolder aan eiser heeft uitgereikt in een taal – Arabisch (Tunesisch) – die hij verstaat. In de informatiefolder zijn alle toepasselijk gevonden zware en lichte gronden aangekruist. In de folder staat ook dat eiser beroep kan instellen tegen de maatregel en dat hij gratis rechtsbijstand kan krijgen. Uit het proces-verbaal van ophouding en het proces-verbaal van inbewaringstelling blijkt verder dat eiser is bevraagd over de zware en lichte gronden die vervolgens aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Gelet hierop mag redelijkerwijs worden verwacht dat het voor eiser duidelijk is of had kunnen zijn op welke gronden de maatregel van bewaring is gebaseerd. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister wel aan zijn informatieplicht heeft voldaan.
Contact met de Tunesische autoriteiten
14. Eiser heeft verder nog aangevoerd dat de M110 een verschrijving staat, omdat hij wel contact wil met de Tunesische autoriteiten.
15. Hoewel het opmerkelijk is dat eiser in eerste instantie aangeeft dat hij contact wil opnemen met de Tunesische autoriteiten en een paar uur later zou hebben aangegeven dit niet meer te willen, bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat eiser dit niet heeft verklaard. Uit vaste jurisprudentie volgt dat van de juistheid van een op ambtseed opgemaakte proces-verbaal mag worden uitgegaan. Het is de rechtbank niet gebleken dat eiser heeft geklaagd of op andere wijze heeft aangegeven dat hij nog niet in staat is gesteld om contact met de Tunesische autoriteiten op te nemen. Er bestaat daarom geen aanleiding om niet van de juistheid van het proces-verbaal uit te gaan.
15. Nu ook anderszins niet is gebleken dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is, is het beroep ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
17. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 11 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1040.
2.Zie p. 4 van de M110.
3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5262.
4.Zie bijvoorbeeld p. 2 van de M110.
5.Artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000.
6.Het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel van bewaring.
7.Zie p. 4 van de M110 van 29 december 2025, ondertekend op 30 december 2025.