ECLI:NL:RBDHA:2026:6493
Rechtbank Den Haag
- Vereenvoudigde behandeling
- Rechtspraak.nl
Gegrond verzet tegen afwijzing proceskostenvergoeding bij elektronische ingebrekestelling
Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft het verzet van opposante tegen de afwijzing van haar verzoek om proceskostenvergoeding door de rechtbank in een eerdere uitspraak van 17 oktober 2025. Opposante had beroep ingesteld wegens het niet tijdig beslissen op haar verzoek om uitstel van vertrek, waarna de minister alsnog uitstel verleende en opposante het beroep introk met een verzoek tot proceskostenvergoeding.
De rechtbank had het verzoek afgewezen omdat de ingebrekestelling van 13 juni 2025 volgens haar niet op de juiste wijze was ingediend, namelijk niet via post of 'veilig mailen'. Opposante stelde dat de ingebrekestelling wel degelijk via 'veilig mailen' was ingediend, conform het advies van de minister zelf.
De verzetsrechter oordeelt dat de elektronische ingebrekestelling geldig is, mede gelet op een eerdere uitspraak van 13 november 2025 waarin dit werd bevestigd. De minister had de ontvangst bevestigd zonder geldigheid te betwisten, waardoor de algemene afwijzing onvoldoende gemotiveerd was.
De rechtbank verklaart het verzet gegrond en veroordeelt de minister tot vergoeding van de proceskosten van opposante, vastgesteld op €1401,-. Tevens doet de rechtbank op grond van artikel 8:55 Awb Pro uitspraak op het beroep, aangezien nader onderzoek niet nodig is en partijen in de gelegenheid zijn gesteld gehoord te worden.
Uitkomst: Het verzet wordt gegrond verklaard en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1401,-.