AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening toegewezen tegen weigering uitstel van vertrek wegens medische en identiteitskwesties
Verzoeker heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen het besluit van 15 januari 2026 waarin zijn aanvraag om uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vreemdelingenwet 2000 werd afgewezen. De voorzieningenrechter oordeelt dat er sprake is van onverwijlde spoed omdat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA) de verstrekkingen aan verzoeker wil beëindigen, waardoor hij de opvang moet verlaten.
De minister baseert het besluit op een medisch rapport waarin staat dat verzoeker psychiatrisch stabiel is, maar dat bij het staken van medicatie een medische noodsituatie zal ontstaan. De minister stelt dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt, waardoor geen refoulementbeoordeling is gemaakt. Verzoeker betwist dit en wijst op eerdere uitspraken waarin is vastgesteld dat hij niet uitzetbaar is naar Canada of Somalië en dat de minister hem niet meer kan tegenwerpen dat hij zijn identiteit niet heeft aangetoond.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker en stelt dat de minister zich moet houden aan de eerdere rechtelijke uitspraken en een refoulementbeoordeling moet maken. Ook wijst de voorzieningenrechter op het belang van verzoeker bij continuering van de opvang vanwege zijn ernstige psychische situatie. De voorlopige voorziening wordt toegewezen, het besluit van 15 januari 2026 wordt geschorst en de minister wordt veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en het besluit van 15 januari 2026 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.4073
[V-Nummer]
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker
(gemachtigde: mr. N.C. Blomjous),
en
de minister van Asiel en Migratie,
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker, hangende het bezwaar tegen het besluit van 15 januari 2026. In dat besluit is de aanvraag van verzoeker om toepassing van artikel 64 vanPro de Vw [1] afgewezen. Als gevolg hiervan is het COa [2] voornemens de voorzieningen op grond van de Rva [3] van verzoeker stop te zetten.
1.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft alleen de gemachtigde van verzoeker deelgenomen. De gemachtigde van de minister heeft zich wegens beperkte capaciteit afgemeld voor de zitting.
1.2.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Is er sprake van een spoedeisend belang?
3. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb [4] , voor zover hier van belang, kan, als tegen een besluit bezwaar is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van onverwijlde spoed. Uit de brief van het COa van 30 januari 2026 blijkt namelijk dat de einddatum van de Rva-verstrekkingen van eiser op 12 februari 2026 is en dat het COa voornemens is die verstrekkingen op korte termijn te beëindigen, waardoor verzoeker de opvang dient te verlaten. Met zijn verzoek om voorlopige voorziening beoogt verzoeker om tijdens de bezwaarprocedure te worden behandeld als ware hem uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 vanPro de Vw 2000. Toewijzing van zijn verzoek betekent dat verzoeker het recht op verstrekkingen behoudt zoals hij die genoot voor het besluit van 15 januari 2026.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
4. De minister heeft met het besluit van 15 januari 2026 eisers verzoek om uitstel van vertrek op basis van artikel 64 vanPro de Vw afgewezen en aan eiser een terugkeerbesluit naar Somalië uitgevaardigd. De minister baseert het besluit op het BMA [5] -rapport van 21 augustus 2025. Daarin staat voor zover van belang het volgende:
Betrokkene heeft psychotische klachten passend bij schizofrenie. Bij psychotische ontregeling bestaan de klachten uit auditieve hallucinaties (het horen van stemmen), agitatie, paranoïde wanen en impulsdoorbraken met een verhoogd risico op ernstige verwaarlozing, agressie en psychotische decompensatie. De stemmen die betrokkene bij ontregeling hoort zijn van dien aard dat zij hem opdracht geven om te stoppen met de medicatie. Betrokkene is bij ontregeling een gevaar voor zichzelf en omgeving. Er is sprake geweest van herhaaldelijke psychotische ontregeling waarvoor crisisinterventies noodzakelijk waren, voor het laatst in augustus 2024. Betrokkene werd vanaf augustus 2024 t/m maart 2025 gedwongen opgenomen in CTP Veldzicht. Hierna is recent in het nazorgtraject ambulante begeleiding en behandeling opgestart met betrokkenheid van een gespecialiseerd multidisciplinair team (FACT). Met de huidige antipsychotische medicatie is betrokkene psychiatrisch stabiel en is er alleen nog sprake van blijvende auditieve hallucinaties die volgens betrokkene rustig van aard zijn.
Verder komt uit de documentatie naar voren dat er sprake is van een lichte stoornis in alcohol- en cannabisgebruik.
Therapie:
Betrokkene staat onder behandeling van een psychiater en controle bij de huisarts.
Er is nu sprake van een nazorgtraject bestaande uit psychiatrische begeleiding door een FACT-team met wekelijkse contacten in zijn woonplek en medicamenteuze behandeling middels eenmaal per 4 weken toediening van depot injecties. Monitoring van de psychische klachten lijkt blijvend geïndiceerd.
Medicatie:
A. Olanzapine depot injectie (ten behoeve van aandoening: schizofrenie)
B. Lorazepam zo nodig (ten behoeve van aandoening: schizofrenie)
Bij uitblijven van de genoemde behandeling verwacht ik wel een medische noodsituatie binnen deze termijn, omdat de psychotische klachten als gevolg van het uitblijven van de medicamenteuze behandeling snel zullen optreden. Bij eerder stoppen met de medicatie heeft dit direct geleid tot psychotische ontregeling waarvoor een behandeling met dwang noodzakelijk is geweest. Dit is een grote risicofactor voor het opnieuw optreden
van ontregeling bij het uitblijven van de behandeling. Betrokkene heeft deels in detentie, deels daarbuiten in het kader van een zorgmachtiging behandeling (onvrijwillige zorg) ontvangen die nodig was om zijn psychiatrisch beeld te stabiliseren.
Betrokkene kan niet reizen, tenzij er voorafgaande aan de reis geregeld wordt dat een directe fysieke overdracht plaatsvindt. Reisvoorwaarden zijn:
Begeleiding door een psychiatrisch verpleegkundige tijdens de reis voor het helpen met de medicatie en monitoren van het psychisch toestandsbeeld.
Fysieke overdracht aan een psychiatrische instelling ter overname van de behandeling en begeleiding. Aanbevolen wordt dat betrokkene een schriftelijke overdracht van de medische gegevens meeneemt (zoals bijvoorbeeld een ingevuld Europees Medisch Paspoort). Ook wordt aanbevolen om de medicatie te continueren tijdens de reis en voldoende medicatie mee te nemen om de periode van de reis te overbruggen.
Omdat er twijfel bestaat over de nationaliteit van betrokkene en de landgebonden vragen achterwege zijn gelaten kan de beschikbaarheid van de behandeling in het land van terugkeer thans niet worden onderzocht.
4.1.
Het standpunt van de minister in het bestreden besluit komt er kort gezegd op neer dat verzoeker bij terugkeer geen reëel risico loopt op een situatie in strijd met artikel 3 vanPro het EVRM [6] om medische redenen omdat verzoeker zijn nationaliteit en herkomst niet heeft aangetoond. De minister mag in zo een geval op grond van het beleid [7] ervan uit gaan dat verzoekers behandeling in zijn land aanwezig is.
5. Verzoeker voert in bezwaar hiertegen aan dat hij al meer dan tien jaar niet uitzetbaar is wegens een refoulement risico bij een verwijdering naar Somalië en Canada. Dit is al in de eerdere procedure vastgesteld en dit oordeel staat in rechte vast. [8] Er zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden om nu tot een ander oordeel te komen. Daar komt bij dat verzoeker in Nederland onder medische behandeling staat en dat het staken van de behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie. De afwijzing van de aanvraag is alleen gebaseerd op het standpunt van de minister dat verzoeker zijn identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt. Aan verzoeker is echter eerder uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vw verleend. Eventuele vraagtekens met betrekking tot eisers identiteit en nationaliteit zijn – met uitzondering van nieuwe feiten en omstandigheden die er niet zijn – een gepasseerd station. In zoverre is het bestreden besluit in strijd met het rechtzekerheidsbeginsel. Verzoeker wenst tot slot te worden gehoord om een toelichting te geven over zijn situatie.
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen.
6.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoeker erin dat de minister hem niet meer kan tegenwerpen dat hij zijn identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. In dat kader verwijst de voorzieningenrechter naar de hieronder geciteerde overwegingen uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 9 maart 2023 [9] . Het betreft een eerdere zaak van verzoeker, waar de minister zich in berust heeft.
“Wat is tussen partijen in geschil?
De rechtbank stelt allereerst vast dat gemachtigde van eiser terecht heeft opgemerkt dat in de beslissing op bezwaar de omstandigheid dat eisers identiteit en nationaliteit niet aannemelijk heeft gemaakt niet (meer) wordt tegengeworpen. Dat verweerder dit standpunt in het verweerschrift wel weer lijkt in te nemen is uiterst onzorgvuldig. Bovendien heeft de Afdeling in de uitspraak van 25 februari 2022 uitdrukkelijk overwogen dat uit het op 23 april 2013 tegen verzoeker uitgevaardigde terugkeerbesluit ondubbelzinnig blijkt dat verweerder Canada als land van terugkeer heeft beschouwd. Tussen partijen is dit ook niet in geschil. Naar het oordeel van de rechtbank kan verweerder zich gelet op deze uitspraak niet op het standpunt stellen dat hij het BMA geen landgebonden vragen hoeft te stellen, omdat niet zou vaststaan uit welk land verzoeker daadwerkelijk afkomstig is en waarheen
hij vanuit Nederland zal vertrekken.”
6.2.
Zonder gewijzigde feiten en omstandigheden, die de rechtbank niet zijn gebleken, dient de minister uit te gaan van het voornoemde rechtsoordeel. Dit betekent dat de minister dient uit te gaan van de door verzoeker gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst.
6.3.
Ook volgt de rechtbank verzoeker erin dat de minister niet aan hem een terugkeerbesluit naar Somalië kon uitvaardigen. De voorzieningenrechter verwijst in dat kader naar de hieronder geciteerde overwegingen uit de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 mei 2024 [10] . Dit betreft ook een eerdere zaak van verzoeker, waar de minister zich eveneens in berust heeft.
“Eiser heeft geen belang bij uitstel van vertrek op grond van artikel 64 vanPro de Vw. Er is immers een toezegging gedaan dat eiser niet zal worden uitgezet naar Canada of Somalië. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting toegelicht dat het belang van eiser is gelegen in de toegang tot voorzieningen. Als eiser niet procedeert, heeft hij geen rechtmatig verblijf en geen toegang meer tot bijvoorbeeld de opvang. Eiser zit wat dat betreft in een onmogelijke positie en wordt gedwongen door te procederen. De rechtbank acht dit een onwenselijke situatie en geeft verweerder mee om samen met eiser en zijn gemachtigde na te denken over een oplossing voor zijn situatie.”
6.4.
Zonder gewijzigde feiten en omstandigheden, die de voorzieningenrechter niet zijn gebleken, blijft de toezegging gelden dat verzoeker niet zal worden uitgezet naar Canada of Somalië.
Uit het bestreden besluit blijkt niet dat de minister gevolg heeft gegeven aan de suggestie van de rechtbank om samen met verzoeker en zijn gemachtigde na te denken over een oplossing voor zijn situatie. De voorzieningenrechter geeft de minister mee om dat alsnog te doen. Een hoorzitting is daarvoor bij uitstek geschikt.
6.5.
De voorzieningenrechter wijst tot slot op de uitspraak van de Afdeling [11] van 18 december 2025 [12] waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat de verplichting om een refoulementbeoordeling te maken niet beperkt is tot de gevallen waarin een vreemdeling eerder een asielprocedure heeft doorlopen. Uit het arrest Ararat [13] , punten 35 en 38, volgt namelijk dat de minister op grond van artikel 5 vanPro de Terugkeerrichtlijn in alle fasen van de terugkeerprocedure met het beginsel van non-refoulement rekening moet houden. Van een vreemdeling mag bovendien niet verlangd worden dat hij of zij een aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd indient om de volledige eerbiediging van het beginsel van non-refoulement tot gelding te laten komen. De overweging in het bestreden besluit dat eiser een nieuwe asielprocedure kan starten om zijn identiteit nationaliteit en herkomst aannemelijk te maken, kan ook hierom geen stand houden. De minister moet in deze procedure al een refoulementbeoordeling maken.
Belangenafweging7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt de belangenafweging uit in het voordeel van verzoeker. Daarbij neemt de voorzieningenrechter de ernstige psychische situatie van eiser zoals uit het BMA-rapport volgt in aanmerking, als ook het feit dat in het verleden sprake is geweest van herhaaldelijke psychotische ontregeling en dat staking van de behandeling tot medische noodsituatie op korte termijn zal leiden. Eiser heeft een groot belang bij continuering van opvang en bijbehorende voorzieningen. Van kenbaar zwaarwegende belangen aan de zijde van de minister, die nopen tot een afwijzing van de gevraagde voorziening, is niet gebleken.
Conclusie en gevolgen
8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 15 januari 2026 is geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
8.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de minister het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
9. Partijen zijn erop gewezen dat tegen deze mondelinge uitspraak geen hoger beroep of verzet openstaat.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- schorst het besluit van 15 januari 2026 tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 200,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026 door mr. R.H.G. Odink, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S. Pirs, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Voetnoten
1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Centraal Orgaan opvang asielzoeker.
3.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Bureau Medische Advisering.
6.Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.
7.Paragraaf A3/7.1.5 van de Vc.
8.Zaaknummer NL23.23147.
9.Zaaknummer NL22.10918.
10.Zaaknummer NL23.23147.
11.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.