ECLI:NL:RBDHA:2026:6415
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing verzoek om proceskostenvergoeding na intrekking terugkeerverplichting
Verzoeker werd bij besluit van 19 mei 2025 verplicht Nederland en het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland te verlaten en terug te keren naar Servië. Verzoeker stelde beroep in en vroeg om een voorlopige voorziening. De minister trok het bestreden besluit op 30 september 2025 in en bood proceskostenvergoeding aan. Verzoeker trok daarop het verzoek om voorlopige voorziening in en verzocht om vergoeding van proceskosten.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de intrekking en het aanbod tot vergoeding een tegemoetkoming vormen, waardoor het verzoek om proceskostenvergoeding kennelijk gegrond is. De proceskosten werden vastgesteld op € 934 voor beroepsmatige rechtsbijstand. Daarnaast wees de rechter erop dat het griffierecht van € 194 door de minister vergoed moet worden.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting op 20 maart 2026 en is niet vatbaar voor hoger beroep of verzet. De minister werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten aan verzoeker.
Uitkomst: De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 934 aan proceskosten na intrekking van het terugkeerverplichtingbesluit.