ECLI:NL:RBDHA:2026:6404

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
24/8772
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 AwbAlgemene plaatselijke verordening (APV)Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling exploitatievergunning met beperkte duur en voorwaarden na overtredingen

Eiseres exploiteerde jarenlang een horecabedrijf en zalencentrum waarvoor zij een exploitatievergunning aanvroeg. De burgemeester van Rijswijk verleende de vergunning met een beperkte geldigheidsduur van één jaar en stelde voorwaarden vanwege eerdere incidenten en overtredingen van vergunningvoorschriften.

Eiseres betwistte de beperkte duur en de onderbouwing van de incidenten, waaronder een herdenking, een Twitter-aankondiging en evenementen die volgens haar niet tot de openbare orde leidden. Ook voerde zij aan dat de burgemeester onterecht de procedure over brandveiligheid aan haar tegenwierp en dat de besluitvorming onrechtmatig vertraagd was.

De rechtbank oordeelde dat de burgemeester terecht de vergunning beperkte tot één jaar, gelet op de eerdere overtredingen en het gevaar voor de openbare orde. De aangevoerde incidenten waren voldoende onderbouwd en de wijziging van de APV door de Omgevingswet maakte het terecht dat strengere brandveiligheidseisen werden toegepast. De stelling van opzettelijke vertraging werd verworpen.

Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de vergunning met beperkte duur en voorwaarden gehandhaafd blijft. Eiseres krijgt geen griffierecht of proceskostenvergoeding terug.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de beperkte duur van de exploitatievergunning van één jaar.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8772

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats], eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en

de burgemeester van Rijswijk, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen het besluit van verweerder om de gevraagde exploitatievergunning te verlenen voor de duur van één jaar en ook een aantal voorwaarden aan de vergunning te verbinden.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 15 februari 2024 beslist op eisers aanvraag van een exploitatievergunning. Met het bestreden besluit van 5 september 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en twee aan de vergunning verbonden voorwaarden laten vervallen. Voor het overige heeft verweerder zijn besluit gehandhaafd.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter van deze rechtbank gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 juni 2025 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen. [1]
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 4 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door [naam 1] en [naam 2].

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres exploiteerde vele jaren het horecabedrijf en zalencentrum [bedrijfsnaam] te [plaats]. Dit zalencentrum is in eigendom van de bestuurder van eiseres, de heer [naam 3]. Bij besluit van 15 februari 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor een nieuwe exploitatievergunning ingewilligd en daarbij wegens eerdere incidenten en het overtreden van vergunningvoorschriften de duur beperkt tot één jaar, eindigend op 20 februari 2025. Daarnaast heeft verweerder aan de nieuwe vergunning uitdrukkelijke voorwaarden verbonden die zien op beleid inzake de toetsing / toelating van evenementen en organisatoren (voorwaarden k en l), en voorwaarden over procedures voor het melden en aanvragen van activiteiten (voorwaarden m tot en met o en f). In de beslissing op bezwaar heeft verweerder de voorwaarden k en l laten vallen omdat ze niet voldoende concreet en duidelijk zijn. De overige voorwaarden en de geldigheidsduur heeft verweerder gehandhaafd.
Wat vindt eiseres?
3. Eiseres is van mening dat het verweerder niet toegestaan was om de exploitatievergunning voor de afwijkende [2] duur van een jaar te verlenen. Op grond van de vorige algemene plaatselijke verordening (APV), die van kracht was toen eiseres de onderhavige aanvraag deed, was dat immers niet mogelijk. Dat verweerder lang de tijd nodig had om te beslissen, gedurende welke periode de APV wijzigde, mag niet in het nadeel van eiseres uitvallen.
3.1.
Daarnaast heeft verweerder ten onrechte bepaalde situaties aangemerkt als incidenten. Zo vond een door verweerder genoemde herdenking al jaren geleden plaats waardoor die buiten beschouwing moet worden gelaten. Een aankondiging op Twitter van een bijeenkomst op 27 februari 2021 mag niet aan eiseres worden toegerekend omdat die niet van haar afkomstig was. Een verschil van inzicht tussen eiseres en verweerder over de vraag of een Eritrees festival en een salsafeest in augustus 2022 konden worden gehouden kan ook niet als een incident tellen. De openbare orde is daarbij niet in het geding geweest. Verweerder stelt ten onrechte dat een feest op 28 mei 2023 uit de hand liep en een tegendemonstratie uitlokte. Toepassing van geweld door tegenstanders van de viering kan niet aan eiseres worden verweten. Over de toepassing van spoedbestuursdwang was een beroepsprocedure aanhangig (zaaknummer 24/43). Verder heeft verweerder in 2023 zelf een fout gemaakt door een melding van een Eritrees festival buiten behandeling te stellen (zaaknummer 24/501). De door verweerder genoemde incidenten kunnen daarom niet zonder meer dienen als onderbouwing van het bestreden besluit. Verder kent verweerder te veel gewicht toe aan het niet tijdig doen van een melding voor een evenement of vergadering. Dit kan niet gelden als een overtreding van vergunningvoorschriften, temeer niet als er goede redenen zijn die maken dat de melding niet eerder kon worden gedaan.
3.2.
Het is verweerder ten slotte niet toegestaan om de procedure over de brandveiligheid aan eiseres tegen te werpen in het kader van de exploitatievergunning, nu dit een omgevingsrechtelijke kwestie betreft.
3.3.
Bij aanvullende gronden van 26 juli 2025 heeft eiseres laten weten dat zij er inmiddels voor gekozen heeft niet langer het zalencentrum te exploiteren. Er is een nieuwe exploitant gevonden die nu ook een exploitatievergunning heeft gekregen voor de duur van een jaar. Het belang van eiseres bij dit beroep is dat zij wil vaststellen dat het besluit onrechtmatig was zo dat zij vervolgens in staat is om schadevergoeding te vorderen van verweerder.
3.4.
Ter zitting heeft de nieuwe gemachtigde van eiseres laten weten dat eiseres toch graag zelf het zalencentrum weer wil exploiteren. Dat is daarmee de inzet van de procedure. Eiseres heeft als nieuwe grond kortgezegd aangevoerd dat het bestreden besluit onrechtmatig is omdat verweerder de besluitvorming opzettelijk vertraagd heeft.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor het betoog van eiseres ter zitting dat verweerder opzettelijk de besluitvorming heeft vertraagd. Verweerder heeft het verloop van de beslistermijn daartoe inzichtelijk gemaakt met een tijdslijn. Dat is nog daargelaten dat een eventuele termijnoverschrijding van de beslistermijn niet kan opleveren wat eiseres daarmee wenst te bereiken. Er bestaat geen rechtsregel voor het betoog van eiseres dat bij een overschrijding van de beslistermijn de te beoordelen situatie als het ware bevriest.
De Algemene wet bestuursrecht geeft in artikel 4:13 regels Pro over de beslistermijn na een aanvraag. Het rechtsgevolg van het niet in acht nemen van de wettelijke beslistermijn of de redelijke termijn (bij het ontbreken van een vaste wettelijke termijn) is dat het bestuursorgaan een bestuurlijke dwangsom verbeurt. Bovendien staat rechtstreeks beroep open op de bestuursrechter. In beide gevallen moet het bestuursorgaan eerst in gebreke worden gesteld. Eiseres heeft om haar moverende redenen geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheden, dat komt voor haar eigen rekening en risico. Deze beroepsgrond slaagt niet.
5. Voor wat betreft het betoog van eiseres dat het verweerder op grond van de APV die gold ten tijde van de aanvraag, niet was toegestaan de vergunning in tijd te beperken, verwijst de rechtbank naar het oordeel van de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 7 van de voornoemde uitspraak van 2 juni 2025. Eiseres heeft geen gronden aangedragen waarom het oordeel van de voorzieningenrechter op dit punt niet juist zou zijn. De enkele stelling van eiseres dat verweerder onder de oude APV de duur van de vergunning op vijf jaar zou hebben bepaald, is daartoe onvoldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet.
6. Eiseres voert aan dat verweerder haar het incident met het brandveiligheidsonderzoek van 18 juli 2023 niet had mogen tegenwerpen bij de besluitvorming. De brandveiligheidsnormen in de APV zijn namelijk verzwaard tijdens de periode die verweerder nam om op de aanvraag te beslissen. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de APV op dat punt gewijzigd is door de invoering van de Omgevingswet. Het valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat eiseres niet had hoeven voldoen aan de nieuwe normen uit de Omgevingswet, in het geval haar wel onder de oude APV een vergunning was verleend. De rechtbank spreekt de hoop uit dat met deze toelichting het gevoel van eiseres dat de APV is aangepast om haar te dwarsbomen wordt weggenomen.
7. De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder ook zonder het incident met het brandveiligheidsonderzoek van 18 juli 2023 voldoende andere incidenten aan haar besluit ten grondslag heeft gelegd. Deze incidenten zijn door de voorzieningenrechter in de voornoemde uitspraak van 2 juni 2025 al beoordeeld. Daarbij is ook onderkend dat de rechtbank de bepaalde duur van de vergunning terughoudend moet toetsen, gelet op de aan verweerder op dat punt toekomende beoordelingsruimte. Verweerder heeft in dit verband naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht vastgesteld dat eiseres zich in het verleden meermaals niet aan de vergunningvoorschriften heeft gehouden, hetgeen een gevaar oplevert voor de openbare orde. Eiseres heeft in haar beroepsgronden niet aangevoerd waarom dit oordeel van de voorzieningenrechter onjuist is. De rechtbank sluit zich aan bij dit oordeel van de voorzieningenrechter en is van oordeel dat verweerder de duur van de vergunning heeft mogen beperken tot een jaar.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat verweerder op goede gronden de geldigheidsduur van de verleende exploitatievergunning heeft kunnen bepalen op een jaar. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.De normale duur van een exploitatievergunning op grond van de APV bedraagt vijf jaar.