ECLI:NL:RBDHA:2026:6372

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 maart 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
09/259161-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens onvoldoende bewijs van uitlokking brandstichting en ontploffing

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd verdacht van het uitlokken van brandstichting en/of het veroorzaken van een ontploffing bij de voordeur van de overburen in Delfgauw. De tenlastelegging betrof het opzettelijk aanzetten van een medeverdachte tot het plegen van deze strafbare feiten in de periode van 12 februari tot en met 20 maart 2025.

Tijdens de terechtzitting op 9 maart 2026 heeft de rechtbank het dossier en de standpunten van de officier van justitie en de verdediging onderzocht. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 18 maanden, terwijl de verdediging vrijspraak bepleitte. Uit het dossier bleek dat er op de plaats delict een kapotte bloempot en een kapotte ruit waren, en dat er een vuurwerkgeur werd waargenomen. Echter, er werden geen restanten van vuurwerk of explosieven aangetroffen, en het veiliggestelde dopje was vernietigd wegens gebrek aan bewijs.

De rechtbank oordeelde dat niet met zekerheid kon worden vastgesteld dat er daadwerkelijk een ontploffing of brandstichting had plaatsgevonden. Het ontbreken van forensische aanwijzingen en het ontbreken van roet- of brandschade op de voordeur maakten het bewijs onvoldoende. Daarom werd het ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend bewezen verklaard en werd verdachte vrijgesproken.

De benadeelde partijen hadden schadevergoedingen gevorderd, maar werden niet-ontvankelijk verklaard omdat de verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank hief tevens het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis op en sprak het vonnis uit op 23 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs van uitlokking van brandstichting of ontploffing.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/259161-25
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. A.L.M. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L.C. Siebrand naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
[medeverdachte] op of omstreeks 28 februari 2025 te Delfgauw, gemeente Pijnacker-Nootdorp opzettelijk brand heeft gesticht en/of een ontploffing teweeg heeft gebracht in/aan/bij een pand gelegen aan de [adres 2] , door
- open vuur in aanraking te brengen met een zogenaamde vuurwerk brandstof combinatie, althans met vuurwerk (Cobra 6), althans een explosief voorwerp, en/of een of meer brandbare en/of brandversnellende stoffen en/of
- die vuurwerk brandstof combinatie, althans dat vuurwerk/explosief voorwerp en/of die brandbare en/of brandversnellende stoffen, bij/voor de (voor)deur, in ieder geval het pand, te gooien en/of te leggen en/of te plaatsen, ten gevolge waarvan (het ruit van) de voordeur en/of een bloempot (gedeeltelijk) is/zijn beschadigd, terwijl daarvan
- gemeen gevaar voor goederen, te weten dat pand en/of voor de in dat pand aanwezige inboedel en/of voor (de inboedel van) de aangrenzende panden, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
- levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander, te weten voor de bewoners en/of aanwezige in dat pand en/of omstanders en/of passanten, in elk geval levensgevaar en/of voor zwaar lichamelijk letsel voor voor een ander of anderen te duchten was
welk hiervoor omschreven feit verdachte, op één of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 12 februari 2025 tot en met 20 maart 2025 te Delfgauw,
gemeente Pijnacker-Nootdorp, althans in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt door giften en/of beloften en/of door het verschaffen van gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te weten door
- die [medeverdachte] (op snapchat en/of Whatsapp) meermalen te benaderen en/of
- aan die [medeverdachte] een geldelijke beloning toe te zeggen/kennen voor het uitvoeren van voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of
- met die [medeverdachte] afspraken te maken over de locatie en/of tijdstippen voor voornoemde brandstichting en/of ontploffing en/of
- met die [medeverdachte] afspraken te maken over de wijze waarop voornoemde brandstichting en/of ontploffing moest plaatsvinden;

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op 28 februari 2025 is door de [aangeefster] (hierna: de aangeefster) aangifte gedaan van vernieling. Volgens de aangeefster hoorde zij in de nacht van 28 februari 2025 omstreeks 03:33 uur voor de deur van haar woning aan de [adres 2] een luide knal, die volgens haar klonk als een explosie. Uit de aangifte blijkt dat de aangeefster schade aan haar voordeur en aan een bloempot had.
De verdachte wordt er – kortgezegd – van verdacht dat hij de medeverdachte [medeverdachte] heeft uitgelokt om in de nacht van 28 februari 2025 voor het huis van zijn overburen aan de [adres 2] in Delfgauw een brand te stichten of een ontploffing teweeg te brengen.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het ten laste gestelde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. Zij heeft gevorderd dat aan de verdachte een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van het voorarrest wordt opgelegd.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich – op gronden zoals verwoord in zijn pleitnota – namens de verdachte op het standpunt gesteld dat de verdachte moet worden vrijgesproken.
3.4.
Vrijspraak
De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of bewezen kan worden verklaard dat in de nacht van 28 februari 2025 voor de voordeur van de [adres 2] een ontploffing of een brandstichting heeft plaatsgevonden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Uit het dossier blijkt dat op 28 februari 2025 omstreeks 03:36 uur, enkele minuten nadat de aangeefster melding had gemaakt van een mogelijke ontploffing, twee politieagenten ter plaatse kwamen aan de [adres 2] . Ze troffen bij de voordeur een kapotte bloempot aan en roken een vuurwerkgeur. Ook hebben ze foto’s gemaakt van de schade aan de voordeur en een dopje veiliggesteld voor nader onderzoek. Er werden geen snippers of andere restanten gevonden die afkomstig zouden kunnen zijn van vuurwerk. Later bleek dat het veiliggestelde dopje was vernietigd, omdat er geen vuurwerkresten op de plaats delict waren aangetroffen. Ook blijkt uit het dossier dat voor zowel de forensische opsporing als voor het NFI te weinig informatie beschikbaar was om een proces-verbaal van gevaarzetting op te maken.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat in de nacht van 28 februari 2025 aan de [adres 2] daadwerkelijk een ontploffing of een brandstichting heeft plaatsgevonden. Het dossier biedt hiervoor onvoldoende (forensische) aanknopingspunten. Tevens betrekt de rechtbank in haar oordeel dat op foto’s van de voordeur wel een kapotte ruit is te zien, maar geen roet of brandschade die zouden kunnen duiden op een brand of ontploffing. Dit brengt met zich dat het aan de verdachte ten laste gelegde feit niet wettig en overtuigend kan worden bewezen en dat de verdachte daarvan moet worden vrijgesproken. Aan een beoordeling van de overige bestanddelen van de tenlastelegging komt de rechtbank niet meer toe.

4.De vordering van de benadeelde partij

[aangeefster] , [benadeelde 1] , [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces en vorderen allen een schadevergoeding van € 1.250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
Daarnaast heeft [benadeelde 1] een materiële schadevergoeding gevorderd vanwege inkomensderving en imagoschade aan zijn onderneming. Hij heeft ten aanzien van de hoogte van de schadepost geen schadebedrag vermeld.
4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de benadeelde partijen niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de verdediging verzocht om afwijzing van de vorderingen en meer subsidiair om de vorderingen toe te wijzen tot een bedrag van € 200,00 per vordering.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in de vorderingen, aangezien de verdachte van het feit waarop de vorderingen betrekking hebben, zal worden vrijgesproken.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
bepaalt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk zijn in de vorderingen tot schadevergoeding;
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.M.J. Keltjens, voorzitter,
mr. V.J. de Haan, rechter,
mr. M.M. Koers, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Groeneveld, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2026.