ECLI:NL:RBDHA:2026:634
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag verblijfsdocument EU/EER wegens ontbreken uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een Surinaamse nationaliteit, verzocht om een verblijfsdocument EU/EER voor verblijf bij een referente. Verweerder wees de aanvraag af wegens het ontbreken van objectieve en verifieerbare stukken die een familierechtelijke relatie of een uitzonderlijke afhankelijkheidsrelatie zoals bedoeld in het arrest K.A. aantonen.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd was, en dat verweerder niet alle relevante feiten had betrokken. Ook stelde hij dat verweerder ten onrechte had afgezien van het horen van eiser en dat er geen medisch deskundigenadvies was ingewonnen. De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende onderbouwing had geleverd en dat verweerder terecht het bezwaar kennelijk ongegrond had verklaard en had afgezien van horen.
De rechtbank overwoog dat het beroep op diverse verdragsbepalingen, waaronder artikel 7 van Pro het Handvest, artikel 8 van Pro het EVRM, en het arrest Jeunesse, niet tot een ander oordeel leiden omdat eiser geen gezinsleven of bijzondere afhankelijkheid aannemelijk had gemaakt. Ook de SIS-signalering werd als rechtmatig beoordeeld.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en dat de afwijzing van de aanvraag in stand blijft. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag voor een verblijfsdocument EU/EER wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.