AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor schennispleging en opzetaanranding met deels toegewezen schadevergoedingen
De rechtbank Den Haag heeft op 23 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van schennispleging en opzetaanranding van vier vrouwen. De verdachte werd veroordeeld voor het in het openbaar masturberen en het onvrijwillig aanraken van de borsten van vier vrouwen, waarbij de rechtbank het gebruik van dwang niet wettig en overtuigend bewezen achtte.
De rechtbank oordeelde dat het onverhoeds handelen van de verdachte wel opzet oplevert, maar niet de kwalificatie van dwang zoals bedoeld in artikel 241 lid 2 SrPro. Hierdoor werd de verdachte vrijgesproken van de gekwalificeerde opzetaanranding, maar veroordeeld voor de opzetaanranding zoals bedoeld in artikel 241 lid 1 SrPro. De straf bestaat uit een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en contactverbod.
Verschillende benadeelde partijen hadden schadevergoedingen gevorderd. De rechtbank wees de vorderingen van drie benadeelden deels toe, elk voor een bedrag van €500 aan immateriële schade, en verklaarde één vordering niet-ontvankelijk wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank legde de verdachte tevens de verplichting op om deze bedragen aan de Staat te betalen, met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.
De rechtbank nam bij de strafoplegging ook de psychische stoornissen van de verdachte in aanmerking, waaronder een exhibitionisme stoornis en ADHD, en achtte de feiten verminderd aan hem toe te rekenen. De verdachte had de feiten bekend en toonde spijt, wat strafverminderend werd meegewogen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 90 dagen gevangenisstraf waarvan 88 voorwaardelijk met bijzondere voorwaarden en deels toegewezen schadevergoedingen aan drie benadeelden.
Uitspraak
Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/192650-25
Datum uitspraak: 23 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte],
geboren op [geboortedatum 1] 1965 te [geboorteplaats] ,
adres: [adres] .
1.Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 9 maart 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. I. Raterman en van wat door de verdachte en zijn raadsman mr. R.J. Bouwmeester naar voren is gebracht.
2.De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1. hij op of omstreeks 24 juni 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen, althans in Nederland, opzettelijk in het openbaar, te weten in de auto op de Loosterweg, althans op de openbare weg, een of meer handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het zichzelf aftrekken en/of daarbij een voorbijganger aankijken en zeggen "Ik vind je zo'n lekker wijf, ik zit me op je af te trekken" althans woorden van gelijke aard en/of strekking;
2. hij in of omstreeks 1 mei tot en met 23 juni 2025 te Noordwijk en/of Oegstgeest, althans in Nederland, met een of meer personen, te weten - [aangeefster 1] , - [aangeefster 2] , - [aangeefster 3] en/of - [aangeefster 4] , een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten - in de borsten van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] en/of [aangeefster 4] knijpen terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] en/of [aangeefster 4] daartoe de wil ontbraken, en welke opzetaanranding werd voorafgegaan door, vergezeld van en/of gevolgd door dwang, geweld en/of bedreiging, door onverhoeds te handelen.
3.De bewijsbeslissing
3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1 en 2 (impliciet primair) ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 2 heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de verdachte onverhoeds heeft gehandeld bij het verrichten van de ten laste gelegde seksuele handelingen en dat hij daarmee dwang heeft gebruikt.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
Met betrekking tot de bewezenverklaring van feit 1 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 2. De raadsman heeft betoogd dat het enkel onverhoeds handelen – en dat wordt niet betwist – geen dwang in de zin van artikel 241 lid 2 vanPro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) oplevert. Indien de rechtbank de verdediging daarin volgt, heeft de raadsman betoogd dat opzetaanranding niet ten laste is gelegd, waardoor niet kan worden teruggevallen op opzetaanranding.
3.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank acht feiten 1 en 2 (impliciet subsidiair) wettig en overtuigend bewezen. De ook in feit 2 ten laste gelegde dwang acht de rechtbank niet wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank zal voor feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359 lid 3 vanPro het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025166992 van de politie eenheid Den Haag, doorgenummerd pagina 1 t/m 123.
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 1de volgende bewijsmiddelen:
De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting;
Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 5] (blz. 12 t/m 14).
De rechtbank gebruikt voor de bewezenverklaring van feit 2 impliciet subsidiairde volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 9 maart 2026, voor zover inhoudende:
U bespreekt met mij de aangiftes van [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] en [aangeefster 4] . Alles wat die dames hebben verklaard klopt. Ik heb dat allemaal gedaan.
2. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 1] (blz. 20 t/m 23), voor zover inhoudende:
Ik wil aangifte doen van aanranding. Ik heb niemand de toestemming gegeven
om ongevraagd aan mijn lichaam te zitten. Op 1 mei 2025 bevond ik mij te Noordwijk . Ik zag dat er een man mij tegemoet kwam fietsen. Ik zag dat de man aan de overzijde van de straat fietste. Ik zag de man opeens vanaf de rechterzijde van de straat naar de linkerzijde fietste. Ik zag dat de man in mijn richting kwam op fietsen. Ik wilde toen de man op de fiets dichtbij mij was, voor hem opzij gaan. Ik zag toen de man dichtbij mij was, dat de man met zijn linkerarm in mijn richting kwam, zijn hand opende en vervolgens deze weer met kracht op mijn linker borst plaatste. Ik voelde dat de man met zijn linkerhand mijn linkerborst beetpakte en kneep. Het gebeurde allemaal heel snel.
3. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 2] (blz. 41 t/m 44) , voor zover inhoudende:
Ik wil aangifte doen van aanranding. Vandaag, 17 mei 2025, liep ik met mijn hond in Noordwijk . Ik werd ineens door een man bij mijn rechter borst gepakt. Hij pakte mij echt wel stevig bij mijn borst vast. De man zat op een fiets en hij pakte mij vast, terwijl hij nog op de fiets zat. Ik heb hem nooit horen aankomen. De man fietste vrij snel door en ik was echt verbouwereerd door wat er net gebeurde.
4. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 3] (blz. 73 t/m 77) , voor zover inhoudende:
Ik wil graag aangifte doen van aanranding. Op zondag 22 juni 2025 liep ik alleen in Noordwijk . Ik zag tegemoet komend een man op een fiets rijden. Omdat het pad smal was en de man in het midden bleef fietsen, ben ik gaan uitwijken voor de man op de fiets. Ik zag dat de man mij wilde passeren. Het ging toen allemaal heel snel. Op dat moment greep de man mij net onder mijn linker borst. Direct daarna greep de man mij hard en met kracht in mijn linkerborst. Ik zag dat de man opeens al een stuk verder was op zijn fiets.
5. Het proces-verbaal van aangifte door [aangeefster 4] (blz. 82 t/m 85) , voor zover inhoudende:
Ik doe aangifte van aanranding. Op 23 juni 2025 was ik aan het wandelen in Oegstgeest. In mijn ooghoeken zag ik iemand aankomen, op de fiets. De man kwam van achteren aangefietst. Met mijn non-verbale gedrag gaf ik aan dat de man voorbij kon fietsen. Ik zag dat de man, volgens mij zijn rechter hand met kracht naar voren deed. Ik zag dat de man mij met een volle hand, met een grijpbeweging, midden in mijn borsten vast pakte. Ik voelde dat de hand op beiden borsten terecht kwamen en ik voelde dat de man een knijpbeweging maakte. Ik schrok hier enorm van en was me hierop niet bedacht. Dit ging niet per ongeluk. Hij fietste op het gemak door. Ik was verbouwereerd.
De rechtbank stelt voorop dat de wetsgeschiedenis niet eenduidig is over de vraag of onder het bestanddeel ‘dwingen’ ook (slechts) onverhoeds handelen dient te worden gerekend.
Enerzijds volgt uit de Memorie van Toelichting dat onverhoeds handelen nog niet betekent dat de dader ook met dwang handelt, nu in daarin staat beschreven: “Minst genomen van voorwaardelijk opzet zal sprake zijn (..) bij onverhoeds gedrag ofbij het gebruik van dwang, geweld of bedreiging” (cursivering van de rechtbank). [1] Verder wordt uitgelegd dat de gekwalificeerde opzetaanranding van artikel 241 lid 2 SrPro vanwege de extra strafwaardige begeleidende omstandigheden als ernstiger dan de opzetaanranding wordt aangemerkt. [2] De nevenschikking van onverhoeds enerzijds en (in elk geval) dwang anderzijds duidt erop dat de wetgever heeft beoogd dat onverhoeds handelen niet dwang oplevert; er lijkt een verschil tussen te zitten en de dwang is extra strafwaardig. Dat wordt versterkt door de passage waarin de regering nader ingaat op de vraag wanneer de dader weet dat bij de ander de toestemming voor het verrichten van seksuele handelingen ontbreekt, waarbij een aantal voorbeelden wordt genoemd: “Het eerste betreft situaties waarin de initiator de wilsonvrijheid bij de ander zelf heeft veroorzaakt met gebruikmaking van dwang, geweld of bedreiging. Dan is sprake van een gekwalificeerde delictsvorm. Het tweede gevalstype betreft gevallen waarin sprake is van onverhoeds handelen.” [3]
Anderzijds kan uit andere passages uit de Memorie van Toelichting worden afgeleid dat de regering wél van oordeel is dat onverhoeds handelen op zichzelf dwang oplevert. Zo schrijft de regering dat de gekwalificeerde opzetaanranding van artikel 241 lid 2 SrPro de rechtsopvolger is van artikel 246 SrPro-oud. [4] Voor strafbaarheid van aanranding onder de oude wet was vereist dat de dader de ander door geweld of door een andere feitelijkheid dwong tot het ondergaan van seksuele handelingen. Blijkens de uitleg van artikel 246 SrPro-oud door de Hoge Raad werd onder dit dwingen wél onverhoeds handelen gerekend. [5] Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat de regering geen beperking in de reikwijdte van de strafbepaling van artikel 241 lid 2 SrPro voor ogen had, ten opzichte van de oude wet. Die uitleg sluit bovendien aan bij de passage uit de Memorie van Toelichting dat van dwang (reeds) sprake is als zodanige pressie op een ander is uitgeoefend dat de ander daardoor niet of in verminderde mate de mogelijkheid heeft gehad een vrije keuze te maken. Die pressie kan een veelheid aan gedaanten aannemen en kan worden uitgeoefend met gebruik van
verschillende middelen. Bij het een ander onmogelijk maken anders te handelen kan worden gedacht aan het veroorzaken van een fysiek beletsel, zoals het veroorzaken van een fysiek
beletsel, zoals vastbinden, opsluiten, in het nauw drijven, overrompelenof
iemand meevoeren naar een verlaten plek (cursivering van de rechtbank). De huidige gekwalificeerde opzetaanranding is volgens de wetgever bewijstechnisch eenvoudiger van aard dan de oude bepalingen over de aanranding. [6]
Nu de wetsgeschiedenis niet eenduidig is en richtinggevende jurisprudentie over dit vraagstuk nog ontbreekt, zal de rechtbank zich bij haar oordeel over de uitleg van het bestanddeel ‘dwingen’ mede baseren op wetssystematische overwegingen.
Bij twijfel over de reikwijdte van de strafbepaling, dient deze beperkt te worden uitgelegd. Om die reden zal de rechtbank het bestanddeel ‘dwingen’ in artikel 241 lid 2 SrPro dan ook beperkt uitleggen en daartoe niet rekenen het onverhoeds handelen. Anders gezegd, naar het oordeel van de rechtbank is er voor de gekwalificeerde opzetaanranding (het toepassen van dwang) meer nodig dan dat de verdachte onverhoeds heeft gehandeld. Het zou een te grote stap zijn als onverhoeds handelen niet alleen opzet overlevert, maar ook dwang. Daarbij past de kanttekening dat het onverhoeds seksueel handelen niet straffeloos is. Het is nog steeds strafbaar als opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, Sr.
Nu niet ten laste is gelegd dat de verdachte de aangeefsters op een andere wijze heeft gedwongen dan door onverhoeds te handelen, zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van de gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, tweede lid, Sr.
De raadsman heeft betoogd dat de verdachte integraal moet worden vrijgesproken van feit 2, indien de rechtbank de verdachte vrijspreekt van de kwalificerende bestanddelen, waaronder de dwang. De raadsman heeft betoogd dat in dat geval immers enkel de niet-gekwalificeerde opzetaanranding als bedoeld in artikel 241 lid 1 SrPro resteert, terwijl dat feit niet afzonderlijk (subsidiair) ten laste is gelegd.
De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman. De rechtbank overweegt dat de kern van het verwijt in de huidige tenlastelegging de opzetaanranding van vier vrouwen is, met als strafverzwarende omstandigheid dat die opzetaanranding gepaard ging met dwang. De strafverzwarende omstandigheid staat opgenomen in de laatste zin van de tenlastelegging. Bij het uitstrepen van deze zin resteert een tenlastelegging die alle elementen uit de delictsomschrijving van artikel 241 lid 1 SrPro omvat en die duidelijk en begrijpelijk is voor de verdachte. Uit de wet en wetsgeschiedenis volgt ook niet dat niet kan worden teruggevallen op artikel 241 lid 1 SrPro, indien het strafverzwarende element uit artikel 241 lid 2 SrPro niet kan worden bewezen, zoals de raadsman heeft betoogd. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie van oordeel dat de tenlastelegging onder feit 2 zo kan worden gelezen, dat impliciet primair gekwalificeerde opzetaanranding ten laste is gelegd en impliciet subsidiair opzetaanranding.
Nu de rechtbank de verdachte zal vrijspreken van de gekwalificeerde opzetaanranding en uit de opgenomen bewijsmiddelen volgt dat de verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan opzetaanranding, acht de rechtbank het impliciet subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de onder 1 en 2 impliciet subsidiair ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1. hij op 24 juni 2025 te Voorhout, gemeente Teylingen, opzettelijk in het openbaar, te weten in de auto op de Loosterweg, handelingen die aanstotelijk waren voor de eerbaarheid heeft verricht, te weten het zichzelf aftrekken en daarbij een voorbijganger aankijken en zeggen "Ik vind je zo'n lekker wijf, ik zit me op je af te trekken", althans woorden van gelijke aard en strekking;
2. hij in de periodevan 1 mei 2025 tot en met 23 juni 2025 te Noordwijk en Oegstgeest, met personen, te weten - [aangeefster 1] , - [aangeefster 2] , - [aangeefster 3] en - [aangeefster 4] , een seksuele handeling heeft verricht, te weten - in de borsten van die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] en [aangeefster 4] knijpen
terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster 1] , [aangeefster 2] , [aangeefster 3] en [aangeefster 4] daartoe de wil ontbrak.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
5.De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6.De strafoplegging
6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden, alsmede tot een taakstraf van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis. De officier van justitie heeft gevorderd dat de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar worden verklaard.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft de rechtbank verzocht de verdachte een geheel voorwaardelijke straf op te leggen, met oplegging van de reeds geldende schorsingsvoorwaarden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan schennispleging, door in het openbaar te masturberen, daarbij een voorbijganger aan te kijken en te zeggen: "Ik vind je zo'n lekker wijf, ik zit me op je af te trekken”. De verdachte heeft hiermee de eerbaarheid geschonden en gevoelens van onveiligheid gecreëerd. Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van vier vrouwen, door hen ongewild in hun borst(en) te knijpen. De verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op hun lichamelijke en seksuele integriteit. Alle vijf de vrouwen hebben aangegeven dat zij angstig en geschrokken waren door het gedrag van de verdachte en dat ze er nadien – in meer of mindere mate – last van hebben gehad.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank er rekening mee dat de verdachte de feiten van meet af aan heeft bekend, verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen en openheid van zaken heeft gegeven. Ook heeft hij spijt betuigd voor zijn handelen.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank acht geslagen op zijn strafblad van 29 januari 2026. Hieruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.
Ook heeft de rechtbank kennis genomen van het Pro Justitia psychologisch onderzoek van 26 februari 2026 door dr. [naam] . De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een parafilie in de vorm van een exhibitionisme stoornis en van ADHD van het gemengde type. De psycholoog heeft beschreven dat dit ten tijde van het plegen van de ten laste gelegde feiten ook het geval was en dat dit de gedragskeuzes en gedragingen van de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde in die zin beïnvloedde, dat hij de controle over zijn seksuele verlangens en gedrag kwijt raakte en er onvoldoende in slaagde zijn seksuele gevoelens te beheersen. De psycholoog adviseert de rechtbank daarom de feiten in verminderde mate aan de verdachte toe te rekenen.
De psycholoog schat de kans op recidive in als laag tot verhoogd en beschrijft dat het leven van de verdachte redelijk veel beschermende factoren kent. Zo heeft de verdachte werk, vrijetijdsbesteding, een relatie en een gemiddelde intelligentie en heeft hij zijn financiën op orde. Ook ontvangt de verdachte al forensische psychiatrische behandeling via De Waag en is hij gemotiveerd voor die behandeling. De psycholoog acht het van belang dat deze behandeling wordt voortgezet. Wat hem betreft zou dit het best kunnen plaatsvinden in het kader van een voorwaardelijk strafdeel.
Verder heeft de rechtbank kennis genomen van het reclasseringsrapport dat op 5 maart 2026 over de verdachte is opgesteld. Net als de psycholoog is de reclassering van mening dat de verdachte zijn leven in algemene zin op orde heeft en dat er sterke beschermende factoren aanwezig zijn. Uit het rapport volgt dat de verdachte zich sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis aan alle afspraken en voorwaarden heeft gehouden en dat zijn behandeling naar tevredenheid verloopt.
De reclassering adviseert de rechtbank aan de verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een ambulante behandelverplichting en een contactverbod met de slachtoffers. Ook adviseert de reclassering de dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden.
De rechtbank is van oordeel dat het Pro Justitia-rapport en het reclasseringsrapport op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen en dat de conclusies worden gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank volgt deze conclusies en maakt deze tot de hare. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde leed aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens en dat de feiten verminderd aan de verdachte worden toegerekend.
Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde deels voorwaardelijke gevangenisstraf met aftrek van het voorarrest passend is, ook nu zij tot een iets andere bewezenverklaring komt. Zij zal deze dan ook aan de verdachte opleggen. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze straf voldoende recht en is het daarnaast ook nog opleggen van een taakstraf niet geboden. Zij zal hier dan ook niet toe overgaan.
Aan het voorwaardelijke deel van de gevangenisstraf zal de rechtbank een proeftijd van twee jaren en de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden, om te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en hem ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat is gericht tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon. Gelet op de psychische problematiek van de verdachte en de verklaring van de verdachte dat er stappen zijn gezet, maar dat er ook nog veel moet gebeuren om herhaling te voorkomen, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.
7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
[aangeefster 2]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 1.250,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangeefster 4]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 750,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
[aangeefster 3]
heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 3.386,71 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 386,71 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.
[aangeefster 5]
Op 17 juli 2025 heeft [aangeefster 5] zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd en een schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 1.290,00, bestaande uit € 940,00 aan materiële schade en € 350,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Op 2 maart 2026 heeft [aangeefster 5] een tweede (vervangende) vordering tot schadevergoeding ingediend ter hoogte van € 1.309,00, bestaande uit € 1.009,00 aan materiële schade en
€ 300,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
[aangeefster 2]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[aangeefster 4]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[aangeefster 3]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
[aangeefster 5]
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de (tweede) vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 945,00, bestaande uit € 300,00 aan immateriële schade en € 645,00 aan materiële schade. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.
7.2
Het standpunt van de verdediging
[aangeefster 2]
De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard in verband met de door hem bepleite vrijspraak voor feit 2. In geval van bewezenverklaring heeft de raadsman primair betoogd dat de vordering moet worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. Subsidiair heeft hij betoogd dat het toe te wijzen bedrag moet worden gematigd.
[aangeefster 4]
De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard in verband met de door hem bepleite vrijspraak voor feit 2. In geval van bewezenverklaring heeft de raadsman primair betoogd dat de vordering moet worden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing. Subsidiair heeft hij betoogd dat het toe te wijzen bedrag moet worden gematigd.
[aangeefster 3]
De raadsman heeft betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering moet worden verklaard in verband met de door hem bepleite vrijspraak voor feit 2. In geval van bewezenverklaring heeft de raadsman primair betoogd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard vanwege de niet-eenvoudige aard van de vordering. Subsidiair heeft hij betoogd dat het toe te wijzen bedrag moet worden gematigd.
[aangeefster 5]
De raadsman heeft naar voren gebracht dat hij de tweede vordering van de benadeelde partij kort voor de terechtzitting heeft ontvangen, terwijl deze vordering omvangrijk is en hij niet in de gelegenheid is geweest de vordering te beoordelen en met de verdachte te bespreken. De raadsman heeft gesteld dat de vordering daarmee te laat is ingediend en dat moet worden uitgegaan van de eerste vordering.
De raadsman heeft betoogd dat de vordering tot materiële schade moet worden afgewezen vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing en dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering tot immateriële schade vanwege het ontbreken van voldoende onderbouwing.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
[aangeefster 2]
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [aangeefster 2] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
Ingevolge artikel 6:106 lid 1 aanhefPro en onder b van het Burgerlijk Wetboek heeft de benadeelde onder meer recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding bij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting in de persoon op andere wijze.
Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, kunnen de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in de persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen.
Bij gebrek aan (medische) stukken kan de rechtbank in het geval van [aangeefster 2] niet vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel.
Wel is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarbij neemt de rechtbank de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, alsmede de onderbouwing van de gevolgen daarvan in aanmerking. De benadeelde partij liep over straat en werd uit het niets door de verdachte stevig bij haar borst gepakt. In de toelichting op het schadeformulier heeft de benadeelde partij gesteld dat zij na het incident bang en boos was en dat zij slechter functioneerde op haar werk. Tot op heden voelt de benadeelde partij zich onveilig en angstig en is haar vertrouwen in mannen verdwenen.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Bij het begroten van de immateriële schade gaat de rechtbank uit van categorie (c) ‘Tamelijk ernstig’ onder 15.3 ‘Aanranding’, zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval en de toelichting door de benadeelde partij. Alles afwegende zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 500,00.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 17 mei 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld. Hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan de benadeelde partij is toegebracht. De rechtbank zal de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] .
[aangeefster 4]
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [aangeefster 4] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit.
De rechtbank overweegt dat zij bij gebrek aan (medische) stukken niet kan vaststellen dat bij [aangeefster 4] sprake is van geestelijk letsel.
Wel is naar het oordeel van de rechtbank komen vast te staan dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast. Daarbij neemt de rechtbank de aard en ernst van het bewezen verklaarde feit, alsmede de onderbouwing van de gevolgen daarvan in aanmerking. De benadeelde partij liep over straat, toen de verdachte naar haar toe fietste, zei “even aan je tieten zitten hoor” en met een volle hand in haar borsten kneep. In de toelichting op het schadeformulier heeft de benadeelde partij gesteld dat zij zich gekwetst voelde door het gedrag van de verdachte, dat zij moe was en dat zij enkele weken in zichzelf is gekeerd. Ook was zij boos en verdrietig.
Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Bij het begroten van de immateriële schade gaat de rechtbank uit van categorie (c) ‘Tamelijk ernstig’ onder 15.3 ‘Aanranding’, zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval en de toelichting door de benadeelde partij. Alles afwegende zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 500,00.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 23 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld. Hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan de benadeelde partij is toegebracht. De rechtbank zal de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 4] .
[aangeefster 3]
Materiële schade
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot materiële schadevergoeding. Dit deel is door de verdediging gemotiveerd betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. Immers, nu de benadeelde partij reeds andere (psychische) klachten had, is onvoldoende gesteld of gebleken welk deel van deze kosten in zodanig verband staan tot het bewezenverklaarde feit dat deze als gevolg daarvan aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Het voert te ver om dat in deze procedure uit te zoeken, want dat levert een onevenredige belasting van het strafgeding op. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
De rechtbank is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat [aangeefster 4] immateriële schade heeft geleden en dat deze schade het rechtstreekse gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde feit.
De rechtbank overweegt dat uit de door de benadeelde partij overgelegde stukken blijkt dat sprake is van geestelijk letsel. De verdachte liep over straat, toen de verdachte haar passeerde met zijn fiets en haar met kracht in haar linkerborst kneep. Uit de toelichting op het schadeformulier volgt dat de benadeelde partij na het incident haar gevoel van veiligheid en zorgeloosheid kwijt was, dat ze slecht sliep en daardoor vermoeid was, hoofdpijn had en moeite had met concentratie op haar werk. De huisarts van de benadeelde partij heeft haar verwezen naar een psycholoog, die vaststelde dat ze PTSS-klachten had ontwikkeld naar aanleiding van de gebeurtenis. Hiervoor heeft de benadeelde partij EMDR-therapie gevolgd, die inmiddels succesvol is afgerond.
Met het vaststellen van geestelijk letsel is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. Bij het begroten van de immateriële schade gaat de rechtbank uit van categorie (c) ‘Tamelijk ernstig’ onder 15.3 ‘Aanranding’, zoals opgenomen in de Rotterdamse schaal. De rechtbank houdt daarbij rekening met de omstandigheden van het geval en de toelichting door de benadeelde partij. Alles afwegende zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op € 500,00.
De rechtbank zal bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 22 juni 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenvergoeding verdachte
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld. Hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor de schade die door dit feit aan de benadeelde partij is toegebracht. De rechtbank zal de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] .
[aangeefster 5]
De rechtbank overweegt dat een vordering door de benadeelde partij volgens artikel 51g van het Wetboek van Strafvordering tot aan het requisitoir van de officier van justitie op de terechtzitting kan worden ingediend. Nu de tweede vordering kort voor de zitting is binnengekomen is de vordering wettelijk gezien tijdig ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank is de tweede vordering niet dusdanig omvangrijk of complex, dat de raadsman deze niet in de korte tijd die er was had kunnen beoordelen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de tweede vordering van de benadeelde partij buiten beschouwing te laten. De rechtbank zal van de bedragen en toelichting in de tweede vordering uit gaan.
Materiële schade
De rechtbank is van oordeel dat de kosten die de benadeelde partij [aangeefster 5] als materiële schade heeft opgevoerd geen rechtstreekse schade betreffen. Deze schade komt daarom niet voor vergoeding in aanmerking. De rechtbank zal de benadeelde partij in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Immateriële schade
De benadeelde partij fietste over straat, toen de verdachte naast haar kwam rijden in zijn auto en tegen haar zei "Ik vind je zo'n lekker wijf, ik zit me op je af te trekken", terwijl hij zich ook daadwerkelijk aan het aftrekken was. In de toelichting op het schadeformulier heeft de benadeelde partij gesteld dat zij na het incident geschokt was en dat zij zich geïntimideerd, angstig, onveilig en kwetsbaar voelde. Ook sliep ze slecht, waardoor ze overdag minder goed functioneerde. De benadeelde partij heeft naar voren gebracht dat zij tot op heden last heeft van het gebeurde.
De rechtbank neemt zonder meer aan dat bij de benadeelde partij sprake was (en is) van psychisch onbehagen en gevoelens van onveiligheid en kwetsbaarheid. Daarmee is echter nog geen sprake van aantasting in de persoon op andere wijze. De rechtbank overweegt daartoe dat zij bij gebrek aan (medische) stukken niet kan vaststellen dat sprake is van geestelijk letsel en dat de aard en de ernst van de normschending – geconfronteerd worden met een onbekende man die zich aftrekt zonder enige fysiek aanraking– in dit geval niet zodanig zijn, dat de nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat aantasting in de persoon kan worden aangenomen.
Dit betekent dat er geen wettelijke grondslag is voor toewijzing van de vordering tot immateriële schadevergoeding. De rechtbank zal [aangeefster 5] daarom ook in dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Proceskostenveroordeling benadeelde partij
De niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten op nihil.
8.De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 241 en 254b van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9.De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 impliciet primairten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 impliciet subsidiairten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
opzettelijk in het openbaar handelingen die aanstotelijk zijn voor de eerbaarheid verrichten;
ten aanzien van feit 2 impliciet subsidiair:
opzetaanranding, meermalen gepleegd;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstrafvoor de duur van 90 (NEGENTIG) DAGEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 88 (achtentachtig) dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jarenvastgestelde proeftijdniet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- zich binnen drie werkdagen na het ingaan van de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland op het adres Bezuidenhoutseweg 179 te Den Haag. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt om het reclasseringstoezicht uit te voeren;
- zich laat behandelen door forensische polikliniek De Waag of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling;
- zich onthoudt van iedere vorm van - direct of indirect - contact met:
o [aangeefster 5] , geboren op [geboortedatum 2] 1978;
o [aangeefster 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2002;
o [aangeefster 2] , geboren op [geboortedatum 4] 1993;
o [aangeefster 3] , geboren op [geboortedatum 5] 1994;
o [aangeefster 4] , geboren op [geboortedatum 6] 1984;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;
beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het - op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht - uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
heft op het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;
benadeelde partij [aangeefster 2] (feit 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 2] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [aangeefster 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
benadeelde partij [aangeefster 4] (feit 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 4] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 23 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [aangeefster 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
benadeelde partij [aangeefster 3] (feit 2)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij deels toe tot een bedrag van € 500,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 22 juni 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster 3] ;
bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van
€ 500,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 17 mei 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, ten behoeve van [aangeefster 3] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen, waarbij het toepassen van gijzeling de verdachte niet ontslaat van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen;
benadeelde partij [aangeefster 5] (feit 1)
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen die vordering gemaakt, begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door
mr. dr. C. Hofman, voorzitter,
mr. S.M. Krans, rechter,
mr. E.R.F. van Engelen, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. M. Walenkamp, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 23 maart 2026.
Voetnoten
1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3, p. 77.
2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3, p. 84.
3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 7, p. 25.
4.Tweede Kamer, vergaderjaar 2022–2023, 36 222, nr. 3, p. 81.