ECLI:NL:RBDHA:2026:6273
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op een aanvraag tot machtiging voor voorlopig verblijf van zijn echtgenote, ingediend op 12 augustus 2024. De rechtbank had eerder op 11 juli 2025 het eerste beroep gegrond verklaard en de minister opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
Ondanks deze uitspraak heeft de minister geen besluit genomen, waarop eiser op 9 februari 2026 opnieuw beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is, omdat de minister wederom niet binnen de gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank draagt de minister op binnen twee weken na deze uitspraak alsnog een besluit te nemen en legt een dwangsom van € 200 per dag op, met een maximum van € 15.000. Tevens worden de proceskosten van eiser vastgesteld op € 467 en wordt het verzoek om griffierechtvrijstelling definitief toegewezen.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom.