ECLI:NL:RBDHA:2026:6260

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
SGR 25/3740
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:74 AwbArt. 3:9 AwbArt. 3:2 AwbArt. 9 Wet op het specifiek cultuurbeleidArt. 9a Wet op het specifiek cultuurbeleid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing projectsubsidie klassieke muziek wegens ondeugdelijke motivering

Eiseres, een stichting die een professioneel strijkorkest exploiteert, vroeg een projectsubsidie van €70.000 aan voor een concerttournee 'De Hangende Tuinen van Babylon'. Het Fonds Podiumkunsten wees de aanvraag af op basis van een adviescommissie die de aanvraag laag beoordeelde op artistieke kwaliteit, bijdrage aan pluriformiteit en geografische spreiding.

Eiseres voerde beroep aan tegen deze afwijzing en stelde dat de motivering van het Fonds ondeugdelijk was, met name ten aanzien van de beoordeling van de artistieke kwaliteit en de gehanteerde normering voor geografische spreiding. De rechtbank oordeelde dat het Fonds onvoldoende inzicht gaf in de redenering achter de lage scores, met name bij de subcriteria oorspronkelijkheid en zeggingskracht, en dat het beoordelingskader voor geografische spreiding niet transparant was.

De rechtbank stelde vast dat het Fonds zich onvoldoende had vergewist van de zorgvuldigheid en begrijpelijkheid van het deskundigenadvies en dat het besluit daarom in strijd was met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het Fonds opgedragen binnen 13 weken een nieuwe beslissing te nemen, waarbij het griffierecht aan eiseres wordt vergoed.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de projectsubsidie wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3740

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 maart 2026 in de zaak tussen

Stichting [eiseres] , statutaire zetel te [plaats] ;

eiseres, hierna ook: de Stichting,
(gemachtigden: E.M. Vergunst en mr. D.G. van Gasteren).
en

de raad van bestuur van Stichting Nederlands Fonds voor Podiumkunsten,

statutaire zetel te Den Haag;
verweerder, hierna ook: het Fonds;
(gemachtigden: mr. D.S.A. Boekema en N. Repkal) .

Samenvatting

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een projectsubsidie door het Fonds. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank oordeelt over deze zaak aan de hand van deze beroepsgronden.
1.1
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het besluit van verweerder op meerdere punten ondeugdelijk is gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid. Het beroep is gegrond en verweerder zal opnieuw een beslissing moeten nemen op de aanvraag van eiseres en daarbij rekening houden met deze uitspraak. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 3. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
1.3
Het toetsingskader van deze zaak is beschreven onder 4 en de wet- en regelgeving die van belang is voor de beoordeling van deze zaak staat in de bijlage bij deze uitspraak.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een subsidie van in totaal € 70.000,- op grond van de Deelregeling Projectsubsidies, paragraaf 2 (hierna: de Deelregeling).
2.1
Na het inwinnen van deskundigenadvies bij de adviescommissie Productiesubsidie (hierna: de adviescommissie) heeft verweerder deze subsidieaanvraag met het besluit van 19 december 2024 (primaire besluit) afgewezen.
2.2
Met het bestreden besluit van 18 april 2025 is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard en is het Fonds bij de afwijzing van de subsidieaanvraag gebleven.
2.3
Eiseres heeft bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.5
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiseres en de gemachtigden van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres is een krachtens privaatrecht opgerichte stichting met de volgende statutaire doelstelling:
‘Het uitvoeren van klassieke muziek in de breedste zin van het woord, veelal gepresenteerd in speciaal op doelgroepen gerichte thema- of activiteiten-concerten door een projectmatig professioneel strijkorkest, waarmee een breed en ook nieuw concertpubliek zal worden aangesproken.’Het orkest dat onder eiseres valt doet jaarlijks meerdere uitvoeringen in binnen- en buitenland.
3.1
Verweerder is op grond van artikel 9 en Pro 9a van de Wet op het specifiek cultuurbeleid een zelfstandig bestuursorgaan dat subsidies verstrekt voor het faciliteren van (uitvoerende) podiumkunsten, zoals theater, musical en concerten. Verweerder verstrekt zowel structurele, meerjarige subsidies aan culturele instellingen als subsidies voor producties of nieuwe makers. Het Fonds organiseert voor mogelijke projectsubsidies jaarlijks meerdere rondes waarbij organisaties aanvragen kunnen doen die middels een tenderprocedure worden beoordeeld.
3.2
Deze zaak gaat om de afwijzing van een aanvraag voor een projectsubsidie ten behoeve van het produceren van een concerttournee onder de naam ‘De Hangende Tuinen van Babylon’ in de periode van 7 februari 2025 tot en met 30 november 2025. Ter onderbouwing van deze aanvraag heeft eiseres een uitgebreid projectplan ingediend, inclusief een begroting met toelichting.
Welke regelgeving is op deze zaak van toepassing?
4. De toepasselijke wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage, die integraal onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
4.1
In deze zaak is de aanvraag getoetst aan paragraaf 2A van de Deelregeling projectsubsidies van verweerder. Meer specifiek gaat het hier om een aanvraag voor een projectsubsidie die getoetst is aan de volgende vier inhoudelijke (sub)criteria:
1. artistieke kwaliteit van het plan, meer specifiek:
1A) vakmanschap;
1B) oorspronkelijkheid en
1C) zeggingskracht;
2. ondernemerschap;
3. bijdrage aan de pluriformiteit van het podiumkunstenaanbod in Nederland;
4. geografische spreiding.
4.2
Voor de beoordeling van deze aanvragen wint verweerder een deskundigenadvies in bij de adviescommissie Productiesubsidie. Deze adviescommissie bestaat uit een per aanvraagronde wisselende samenstelling van adviseurs met specifieke expertise. De eindconclusie van het deskundigenadvies is, zoals is toegelicht ter zitting, geclassificeerd in drie categorieën:
A) aanvraag honoreren;
B) aanvraag honoreren, indien budget toereikend is;
C) aanvraag niet honoreren.
Welke besluitvorming heeft door verweerder plaatsgevonden?
5. Verweerder heeft bij het primaire besluit de subsidieaanvraag van eiseres afgewezen, omdat de adviescommissie heeft geadviseerd om deze aanvraag in categorie C ‘niet honoreren’ in te delen. Redengevend voor het toekennen van categorie C is volgens de adviescommissie dat de aanvraag in vergelijking met de andere ingediende aanvragen in deze ronde relatief laag scoort. De adviescommissie heeft de aanvraag aan de hand van de geldende criteria van de Deelregeling als volgt gescoord:
- Artistieke kwaliteit van het plan wordt
‘voldoende’geacht;
- Het ondernemerschap van eiseres wordt ‘
ruim voldoende’geacht;
- De bijdrage aan pluriformiteit wordt
‘neutraal’geacht;
- De geografische spreiding wordt
‘neutraal’geacht.
5.1
Verweerder heeft dit deskundigenadvies integraal overgenomen en aan de motivering van het primaire besluit ten grondslag gelegd. In het bestreden besluit heeft verweerder de afwijzing gehandhaafd.
Wat zijn de standpunten van eiseres en verweerder in deze beroepszaak?
6. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe in beroep de volgende beroepsgronden aan.
6.1
Eiseres heeft belang bij de aangevraagde subsidie, omdat de meerjarige subsidie van het Fonds aan eiseres in januari 2025 onverhoeds is weggevallen. Om die reden is deze eenmalige projectsubsidie voor de productie van de concertreeks ‘De Hangende Tuinen van Babylon’ aangevraagd, zodat alsnog aan de reeds gemaakte afspraken met concertlocaties en de aan de individuele orkestleden toegezegde aanspraken op vergoeding en werk te kunnen voldoen.
6.2
Inhoudelijk stelt eiseres zich - kort samengevat - op het standpunt dat verweerder de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen, nu de adviescommissie volgens eiseres ten onrechte een te lage beoordeling of waardering heeft gegeven aan de beoordelingscriteria van 1) artistieke kwaliteit van het plan, 2) bijdrage aan pluriformiteit van de podiumkunsten en 3) geografische spreiding.
6.3
Eiseres vindt dat verweerder de artistieke kwaliteit van het plan ten onrechte als ‘voldoende’ en daarmee relatief laag heeft gescoord. Eiseres vind dat deze conclusie niet logisch volgt uit de redenering van het advies en dat met name de beoordeling van de subcriteria ‘oorspronkelijkheid’ en ‘zeggingskracht’ ondeugdelijk zijn onderbouwd. De motivering van de ‘oorspronkelijkheid’ is inconsistent, nu verweerder delen van het plan op dit punt expliciet als ‘goed’ bestempeld, maar uiteindelijk op algemene punten die niet zien op de uitwerking van het plan, onvoldoende vindt, wat resulteert in een lagere score voor criterium 1. Ten aanzien van het subcriterium ‘zeggingskracht’ vindt eiseres dat verweerder ten onrechte geen betekenis heeft toegekend aan de publieksreviews, dat verweerder ten onrechte geconcludeerd heeft dat de toelichting op de informatieve intermezzo’s te summier is en dat het podiumbeeld niet verrassend of spannend overkomt.
6.4
Eiseres vindt dat het deskundigenadvies over het criterium ‘bijdrage aan pluriformiteit’ onvoldoende te volgen is. Eiseres betwist de tegenwerping dat klassieke muziek ruimschoots vertegenwoordigd is op de Nederlandse podia en stelt dat deze tegenwerping door verweerder ook in strijd is met de regels van de tenderprocedure. Verweerder heeft op basis van het advies niet kunnen concluderen dat het project geen of onvoldoende bijdrage levert aan de pluriformiteit van de podiumkunsten.
6.5
Tot slot is eiseres het niet eens met de conclusie over en waardering van het criterium ‘geografische spreiding’. Verweerder hanteert bij de beoordeling van een aanvraag van deze eenmalige productiesubsidie een andere methode dan bij de meerjarige productiesubsidies. Voor eenmalige subsidies wordt namelijk gekeken naar het absolute aantal voorstellingen verspreid over Nederland, terwijl bij meerjarige subsidies dit wordt beoordeeld aan de hand van een relatieve spreiding uitgedrukt in percentages. Deze wijze van waardering is niet kenbaar en/of inzichtelijk. Eiseres vindt het verder onzorgvuldig en onterecht dat voor hetzelfde criterium ‘geografische spreiding’ verschillende maatstaven worden gebruikt. Het advies van verweerder is dit punt dan ook onzorgvuldig en onnavolgbaar. Er is ten onrechte de score ‘neutraal’ toegekend.
6.6
Alles bij elkaar vindt eiseres dat verweerder zich onvoldoende heeft vergewist van de juistheid, zorgvuldigheid en concludentie van het deskundigenadvies. Verweerder heeft dit advies niet aan de afwijzing van de subsidieaanvraag ten grondslag kunnen leggen en het bestreden besluit is daarom in strijd met het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel.
7. Verweerder heeft in het verweerschrift en op de zitting gemotiveerd gereageerd op de beroepsgronden en geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
8. De rechtbank is van oordeel dat de bestreden besluitvorming een motiverings- en een zorgvuldigheidsgebrek kent en overweegt daartoe als volgt.
Criterium ‘artistieke kwaliteit van het plan’
9. Naar het oordeel van de rechtbank is de motivering van het criterium ‘artistieke kwaliteit van het plan’ in het bestreden besluit ondeugdelijk tot stand gekomen.
9.1
Uit vaste jurisprudentie [1] van de hoogste bestuursrechter volgt dat bij cultuursubsidies, waarbij het gaat om objectivering van naar hun aard subjectieve oordelen, aan een advies slechts beperkte motiveringseisen kunnen worden gesteld. De aard van artistieke kwaliteitsoordelen brengt met zich dat de bestuursrechter de adviezen van de adviescommissie slechts terughoudend kan toetsen. Het gaat daarbij om de vraag dat de aanvrager in enigermate inzicht wordt verschaft in de gedachtegang die aan het advies ten grondslag ligt. Gelet op de vergewisplicht [2] dient verweerder zich in zijn besluitvorming ervan te vergewissen dat het advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.
9.2
De rechtbank is van oordeel dat verweerder de bestreden besluitvorming ten aanzien van het subcriterium ‘oorspronkelijkheid’, meer specifiek de herkenbare signatuur en het subcriterium ‘zeggingskracht’ ondeugdelijk en onnavolgbaar heeft gemotiveerd, ten aanzien van de intermezzo’s tijdens de concertreek.
9.3
De adviescommissie acht de toelichting op de intermezzo’s ‘behoorlijk summier’ in het kader van het criterium ‘zeggingskracht’. Het Fonds heeft in het bestreden besluit overwogen dat hij het logisch vindt dat de adviescommissie meer toelichting had willen lezen op het aspect van het plan over kennis te bieden over en begrip te creëren voor ‘nieuwe Nederlanders’. Eiseres heeft in reactie hierop gewezen op de uitgebreide toelichting in het projectplan over de culturele, antropologische en historische inhoud van de intermezzo’s die tijdens de concerten wordt voorgedragen. Het standpunt van het Fonds is gelet op de uitgebreide en gedetailleerde beschrijving op pagina 4 en 5 van het projectplan niet zonder meer navolgbaar. Gelet hierop heeft verweerder de inhoud van projectplan op dit punt onvoldoende kenbaar betrokken in de motivering van de bestreden besluitvorming.
Criterium ‘geografische spreiding’
10. De rechtbank is verder van oordeel dat eiseres op basis van wat in de Deelregeling of in de Toelichting Deelregeling stond, onvoldoende rekening heeft kunnen houden met de manier waarop haar aanvraag beoordeeld zou worden ten aanzien van het criterium ‘geografische spreiding’. Uit het procesdossier en de toelichting van verweerder ter zitting begrijpt de rechtbank dat verweerder voor de beoordeling van dit criterium bij projectsubsidies het beoordelingskader hanteert dat gekeken wordt naar het absolute aantal voorstellingen dat de aanvrager buiten de G4 [3] heeft georganiseerd, terwijl bij de beoordeling van aanvragen voor meerjarige subsidies wordt gekeken naar de relatieve spreiding van alle voorstellingen over het land over de verschillende jaren. Dit beoordelingskader voor projectsubsidies, dat bovendien afweek van het beoordelingskader waarmee eiseres bij eerdere aanvragen van meerjarige subsidie te maken heeft gehad, is niet gepubliceerd of op een andere manier voor aanvragers kenbaar gemaakt. Daarmee is het beoordelingskader onvoldoende transparant en is het bestreden besluit ten aanzien van het criterium geografische spreiding niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.
11. Gelet op deze geconstateerde gebreken is het beroep gegrond. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond. De rechtbank ziet in deze zaak geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting en zal het bestreden besluit integraal vernietigen. De rechtbank zal verweerder opdragen om een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder daarvoor een termijn van 13 weken gerekend vanaf de uitspraakdatum en verweerder dient dus uiterlijk 11 juni 2026 een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank geeft verweerder hierbij in overweging mee om zorgvuldigheidshalve ook de puntenmatrix in de beslissing op het bezwaar op te nemen.
13. Omdat het beroep gegrond is, dient verweerder op grond van artikel 8:74 lid 1 van Pro de Awb het griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat niet van vergoedbare kosten als bedoeld in het Besluit proceskosten bestuursrecht 2026 is gebleken.

Beslissing

De rechtbank
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen dertien weken een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • draagt verweerder op het griffierecht van € 385,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 11 januari 2000, ECLI:NL:RVS:2000:AA4609 en 24 december 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AF2509.
2.Op grond van artikel 3:9 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wat betreft een wettelijk verplichte adviseur en op grond van artikel 3:2 van Pro de Awb voor alle andere adviseurs.
3.Afkorting voor het samenwerkingsverband tussen de vier grootste gemeenten van Nederland, allen gelegen in de Randstad: Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht.