Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn aanvraag om een machtiging tot voorlopig verblijf voor gezinshereniging nareis asiel. De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin de minister was opgedragen binnen acht weken te beslissen. Omdat de minister deze termijn niet heeft gehaald, is het beroep ontvankelijk en gegrond.
De minister heeft verzocht om een nadere beslistermijn van vier weken na ontvangst van het paspoort van de achterblijvende ouder, vanwege het ontbreken van toestemming van die ouder. De rechtbank acht deze termijn passend en legt deze op. Tevens wordt een dwangsom van €250 per dag met een maximum van €37.500 opgelegd voor het geval de minister niet binnen deze termijn beslist.
De rechtbank wijst ook proceskosten toe aan eiser, bestaande uit een vergoeding van €467 voor juridische hulp en het griffierecht van €194. De bestuurlijke dwangsom wordt niet opnieuw vastgesteld omdat de wetgever niet voorziet in een nieuwe dwangsom bij het niet opvolgen van een eerdere rechterlijke termijn. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.A. Schaaf en griffier M.H.G.P. Tober op 16 maart 2026.