ECLI:NL:RBDHA:2026:621

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
SGR 25/3161 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen uitspraak over niet tijdig beslissen op Woo-verzoek inzake inkoop persoonlijke beschermingsmiddelen

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 15 januari 2026, wordt het verzet van de opposant tegen de uitspraak van 11 juli 2025 behandeld. De opposant had een verzoek ingediend op grond van de Wet open overheid (Woo) bij de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, met betrekking tot de inkoop van persoonlijke beschermingsmiddelen tijdens de coronapandemie. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de minister niet tijdig had beslist op dit verzoek, en had de minister opgedragen om uiterlijk 31 december 2025 een volledig besluit te nemen, met een dwangsom van €100,- per dag bij overschrijding van deze termijn.

De opposant is het niet eens met de beslissing van de rechtbank en heeft verzet aangetekend. Hij klaagt over de lange beslistermijn die aan de minister is gegeven en vindt het onredelijk dat de minister meer tijd krijgt dan hij zelf had verzocht. De rechtbank oordeelt dat de gegrondheid van het beroep niet tijdig beslissen vaststaat, omdat de beslistermijn al was overschreden ten tijde van de bestreden uitspraak. De rechtbank concludeert dat er geen nieuwe argumenten zijn aangevoerd in het verzet die de eerdere uitspraak kunnen ondermijnen.

Uiteindelijk verklaart de rechtbank het verzet ongegrond, waardoor de eerdere uitspraak van 11 juli 2025 in stand blijft. Er wordt geen proceskostenveroordeling of terugbetaling van griffierechten opgelegd. De uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, in aanwezigheid van griffier mr. M.J.J. Roks, en is openbaar uitgesproken op 15 januari 2026.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/3161 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 januari 2026 op het verzet van

[opposant], opposant [1] ,
tegen de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2025 in het geding tussen
opposant
en

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, hierna: de minister

(gemachtigden: L. Brink en K.K.K. Marhe).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het verzet van opposant tegen de uitspraak van de rechtbank op zijn tweede beroep niet tijdig beslissen.
1.1
Opposant heeft op 9 januari 2023 een verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) ingediend bij de minister. Opposant wenst met dit Woo-verzoek openbaarmaking van alle bij de minister bekende informatie over Mediq Nederland B.V. en alle daaraan gelieerde bedrijven, personen, rechtspersonen en platformen binnen het tijdvak februari 2020 tot en met december 2022. Dit Woo-verzoek ziet op het bredere thema inkoop van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM) door de overheid in de coronapandemie.
1.2
Omdat het een omvangrijk Woo-verzoek betreft, heeft de minister om precisering van het verzoek gevraagd bij opposant en heeft vervolgens door middel van deelbesluiten op dit verzoek beslist. Inmiddels zijn in dat kader ongeveer 70 deelbesluiten genomen. De besluitvorming op dit verzoek is nog niet volledig afgerond.
1.3
Bij uitspraak [2] van 21 februari 2024 is het eerste beroep vanwege niet tijdig beslissen op dit Woo-verzoek gegrond verklaard. In deze uitspraak is de minister opgedragen uiterlijk 21 oktober 2024 een volledig besluit op het Woo-verzoek van opposant te nemen, op straffe van een rechterlijke dwangsom van €100,- per dag verbonden, met een maximum van €15.000,-.
1.4
Bij uitspraak van 11 juli 2025 (bestreden uitspraak) is het tweede beroep niet tijdig beslissen ook gegrond verklaard. Bij de bestreden uitspraak is de minister opgedragen uiterlijk 31 december 2025 een volledig besluit op het Woo-verzoek van opposant te nemen, op straffe van (wederom) een rechterlijke dwangsom van €100,- per dag verbonden, met een maximum van €15.000,-.
1.5
Tegen de bestreden uitspraak heeft opposant verzet gedaan.
1.6
In reactie op het verzetschrift heeft de minister een schriftelijk standpunt uitgebracht dat voor de inhoud verwijst naar het verweerschrift, ingediend voor het tweede beroep niet tijdig beslissen, gedateerd op 23 mei 2025.
1.7
De rechtbank heeft het verzet op 4 december 2025 op zitting behandeld. Aan deze zitting hebben deelgenomen: opposant, samen met zijn vader, en de gemachtigden van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Deze zaak gaat over het niet tijdig beslissen door de minister op het Woo-verzoek van opposant. Dit verzet is gedaan omdat opposant het niet eens is met de uitspraak van de rechtbank van 11 juli 2025 over zijn tweede beroep niet tijdig beslissen.
Wat zijn de standpunten van opposant in dit verzet?
3. Opposant klaagt over de handelswijze van de minister bij de afdoening van zijn Woo-verzoek en de beslissing van de rechtbank op het tweede beroep niet tijdig beslissen.
3.1
Opposant vindt het onbegrijpelijk dat de rechtbank zonder eiser te horen op zitting heeft besloten om verweerder tot en met 31 december 2025 te geven om de besluitvorming af te ronden. Opposant vindt dat de rechtbank de minister daarmee faciliteert in te laat beslissen en ten onrechte legitimeert dat de minister in totaal 155 weken en drie dagen beslistermijn krijgt, hetgeen neerkomt op ruim 25 keer de toegestane wettelijke termijn, om de besluitvorming af te ronden. De minister heeft bij de behandeling van het eerste beroep niet tijdig beslissen immers toegezegd dat er eind 2024 volledig op zijn Woo-verzoek zou zijn beslist, terwijl de besluitvorming op dit moment - bijna een jaar later - nog steeds niet is afgerond. Mede op basis van deze toezegging heeft de rechtbank in die procedure de minister tot en met 21 oktober 2024 de tijd gegeven om te beslissen.
3.3
Opposant voert verder aan dat hij de bestreden uitspraak innerlijk tegenstrijdig vindt, omdat hij expliciet verzocht had om twee weken beslistermijn op te leggen, terwijl de minister tot en met 31 december 2025 krijgt, hetgeen neerkomt op bijna zes maanden beslistermijn. Dit laatste vindt opposant niet redelijk, omdat de minister veel meer tijd krijgt van de rechtbank, terwijl een individuele burger als rechtzoekende bijna geen respijt van termijn kan krijgen. Ook heeft opposant verzocht om een hogere dwangsom van €250,- per dag, nu de minister al meerdere beslistermijnen heeft overschreden. Opposant vindt het oordeel over de beslistermijn en de dwangsom een verrassingsbeslissing en voert aan dat hij hierover graag op een zitting zijn visie kenbaar had gemaakt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. In deze verzetsprocedure oordeelt de rechtbank over de vraag of het tweede beroep niet tijdig beslissen op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mocht worden afgedaan. De vraag die daarbij beantwoord dient te worden is of het oordeel over de gegrondheid van het beroep, gelet op alle ten tijde van de bestreden uitspraak bij de rechtbank bekende informatie, boven redelijke twijfel was verheven. Als dat niet het geval is, kan de rechtbank het verzet gegrond verklaren en pas dan komt de rechtbank opnieuw toe aan een inhoudelijke behandeling van het beroep niet tijdig beslissen.
5. Tussen partijen is niet in geschil dat de door de rechtbank opgelegde beslistermijn voor het Woo-verzoek van eiser ten tijde van de bestreden uitspraak was overschreden. Op grond van vaste rechtspraak [3] van de hoogste bestuursrechter is een tweede schriftelijke ingebrekestelling van eiser in dat geval niet vereist. Gelet op het voorgaande staat de gegrondheid van het beroep niet tijdig beslissen al om die reden vast. Reeds daarom kan het verzet niet slagen en dient het ongegrond verklaard te worden.
6. Bovendien, in essentie bestrijdt opposant niet de gegrondheid van het beroep, maar enkel de opgelegde beslistermijn en de dwangsom. Hoewel de frustratie van opposant gelet op de eerdere toezegging van de minister en zijn wens hierover te worden gehoord begrijpelijk is, stelt de rechtbank vast dat opposant in deze verzetsprocedure geen standpunten naar voren heeft gebracht die niet kunnen worden teruggelezen in de beroepsgronden van opposant van 7 mei 2025. Het was de rechtbank ten tijde van de bestreden uitspraak namelijk ook bekend wat opposant wenste te bereiken met het beroep niet tijdig beslissen, namelijk een beslistermijn van twee weken en een rechterlijke dwangsom van 250 euro per dag. De verzetsgronden van opposant beschrijven hierin geen gewijzigd standpunt en ook het standpunt van de minister is in deze verzetsprocedure niet anders dan ten tijde van de bestreden uitspraak.
7. Met inachtneming van deze door partijen ingebrachte standpunten heeft de rechtbank in de bestreden uitspraak een zelfstandig oordeel geveld over de beslistermijn en de dwangsom. De rechtbank heeft de einddatum voor het besluitvormingstraject vastgesteld op 31 december 2025 en heeft daarvoor een motivering gegeven, namelijk de grote omvang van het verzoek. De rechtbank heeft op grond van de wet [4] hiertoe beslisruimte en de motivering van het oordeel over de beslistermijn in de bestreden uitspraak komt de verzetsrechter niet evident onrechtmatig of gebrekkig voor. Ook het oordeel van de rechtbank over de opgelegde dwangsom is gemotiveerd en ook hier is de rechtbank op grond van de wet [5] bevoegd een zelfstandige afweging te maken.
8. Nu de kennelijke gegrondheid van het tweede beroep niet tijdig beslissen gegeven is, er in verzet geen wezenlijke nieuwe argumenten zijn aangevoerd die nog niet ten tijde van de bestreden uitspraak kenbaar waren bij de rechtbank en nu het oordeel in de bestreden uitspraak de verzetsrechter niet evident onrechtmatig of gebrekkig voorkomt, bestaat er geen aanleiding om het verzet gegrond te verklaren.

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden uitspraak van 11 juli 2025 in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling of terugbetaling dan wel vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, rechter, in aanwezigheid van mr. M.J.J. Roks, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen mogelijk.

Voetnoten

1.Met opposant wordt bedoeld de indiener van het verzetschrift.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 8 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:673.
4.Op grond van artikel 8.4, eerste lid van de Woo.
5.Op grond van artikel 8:55d van de Awb.