Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor een constructieve doorbraak in een woning. Eiser betwist dat de vergunning terecht is verleend en voert aan dat de zogenoemde krijtstreepmethode ten onrechte is toegepast om het bouwplan te splitsen in een vergunningplichtig en een vergunningvrij deel.
De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om de vergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de Wabo van toepassing is. De oorspronkelijke aanvraag omvatte een uitbouw en het verplaatsen van een garage, maar de uitbouw is uit de aanvraag gehaald en als vergunningvrij aangemerkt. De rechtbank beoordeelt of het bouwplan terecht is gesplitst en concludeert dat de constructieve doorbraak en de uitbouw bouwkundig en functioneel van elkaar te onderscheiden zijn.
De rechtbank overweegt dat de vergunningaanvraag moet worden beoordeeld zoals deze uiteindelijk is ingediend, waarbij de uitbouw expliciet is uitgesloten. De doorbraak betreft een binnenmuur en de uitbouw de achtergevel, wat een voldoende onderscheid vormt. De enkele keuze om beide gelijktijdig uit te voeren leidt niet tot een onlosmakelijk verband. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verklaart het beroep ongegrond.
De vergunning blijft daarmee in stand, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter T.A. Oudenaarden en griffier C.A. van der Meijs op 21 januari 2026.