ECLI:NL:RBDHA:2026:606

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 januari 2026
Publicatiedatum
15 januari 2026
Zaaknummer
24/6888
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.10 WaboArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling omgevingsvergunning constructieve doorbraak in woning

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiser tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van Den Haag voor een constructieve doorbraak in een woning. Eiser betwist dat de vergunning terecht is verleend en voert aan dat de zogenoemde krijtstreepmethode ten onrechte is toegepast om het bouwplan te splitsen in een vergunningplichtig en een vergunningvrij deel.

De rechtbank stelt vast dat de aanvraag om de vergunning is ingediend vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet, zodat de Wabo van toepassing is. De oorspronkelijke aanvraag omvatte een uitbouw en het verplaatsen van een garage, maar de uitbouw is uit de aanvraag gehaald en als vergunningvrij aangemerkt. De rechtbank beoordeelt of het bouwplan terecht is gesplitst en concludeert dat de constructieve doorbraak en de uitbouw bouwkundig en functioneel van elkaar te onderscheiden zijn.

De rechtbank overweegt dat de vergunningaanvraag moet worden beoordeeld zoals deze uiteindelijk is ingediend, waarbij de uitbouw expliciet is uitgesloten. De doorbraak betreft een binnenmuur en de uitbouw de achtergevel, wat een voldoende onderscheid vormt. De enkele keuze om beide gelijktijdig uit te voeren leidt niet tot een onlosmakelijk verband. De rechtbank volgt de vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en verklaart het beroep ongegrond.

De vergunning blijft daarmee in stand, en eiser krijgt geen griffierecht of proceskosten vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter T.A. Oudenaarden en griffier C.A. van der Meijs op 21 januari 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning voor de constructieve doorbraak wordt ongegrond verklaard en de vergunning blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6888

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Rensing),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: V. Wiebenga).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats] (vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor een constructieve doorbraak in een woning in de buurt van die van eiser. Eiser is het met deze omgevingsvergunning niet eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de omgevingsvergunning terecht is verleend. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 februari 2024 heeft het college de omgevingsvergunning die vergunninghouder had aangevraagd verleend. Met het bestreden besluit van 11 juli 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift en aanvullende stukken ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde, de gemachtigde van het college en vergunninghouder.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing, tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 11 oktober 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo) van toepassing blijft.
Totstandkoming van het bestreden besluit
4. Vergunninghouder heeft op 11 oktober 2023 een vergunning aangevraagd voor het vergroten van de woning aan de Wildhoeflaan 10 in Den Haag (de woning) door het plaatsen van een uitbouw aan de achterzijde en het verplaatsen van de garage. Op 15 december 2023 heeft de Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag negatief geadviseerd over het bouwplan. Vergunninghouder is daarbij in de gelegenheid gesteld om het bouwplan aan te passen. Op 18 december 2023 is er contact geweest tussen vergunninghouder en het college over de omvang van het bouwplan. Het project is uiteindelijk teruggebracht tot een vergunningvrije uitbouw aan de achterkant van de woning en een constructieve doorbraak tussen de keuken en de woonkamer. In overeenstemming daarmee is de vergunningaanvraag gewijzigd tot een aanvraag voor het veranderen van de woning door het maken van de constructieve doorbraak.
4.1.
Het college heeft de vergunning verleend voor de activiteit ‘bouwen’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo. Volgens het college is er sprake van een gebonden beschikking, nu aan alle vereisten uit artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo is voldaan.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt de verlening van de omgevingsvergunning. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
6. Eiser kan zich niet verenigen met de verleende vergunning. De oorspronkelijke vergunningaanvraag betrof een uitbouw van de woning met drie meter en het verplaatsen van de garage tot naast de woning. Uit de stukken blijkt dat deze aanvraag in strijd was met het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. Doordat de uitbouw vervolgens uit de tekeningen is gehaald, is volgens eiser de ‘krijtstreepmethode’ ten onrechte toegepast. Op basis van deze methode kan een aanvraag voor een omgevingsvergunning worden gesplitst, omdat door middel van een fictieve krijtstreep een bouwplan wordt opgedeeld in een vergunningplichtig en een vergunningvrij deel. Een dergelijke splitsing van de aanvraag voor een omgevingsvergunning is alleen mogelijk als een bouwplan kan worden onderverdeeld in delen die in bouwkundig en functioneel opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Dit blijkt volgens eiser uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Omdat het bouwplan in dit geval bouwkundig en functioneel niet uit te onderscheiden delen bestaat, had het niet door middel van de krijtstreepmethode kunnen worden gesplitst.
7. De rechtbank overweegt dat het college moet beslissen op de vergunningaanvraag zoals deze (uiteindelijk) is ingediend. Hoewel de oorspronkelijke aanvraag mede betrekking had op het plaatsen van een uitbouw aan de achterzijde, blijkt uit de tekeningen die horen bij de uiteindelijke, gewijzigde aanvraag dat deze enkel nog betrekking had op de constructieve doorbraak tussen de keuken en de woonkamer, dus geheel inpandig, waarbij de daar al aanwezige doorgang zou worden verbreed. Op de tekeningen is door middel van arceringen en de tekst “maakt geen deel uit van deze aanvraag” immers expliciet aangegeven dat de uitbouw geen deel uitmaakt van de aanvraag. De rechtbank gaat er verder van uit dat tussen de vergunningplichtige constructieve doorbraak en de vergunningvrije uitbouw aan de achterkant noch in bouwkundig, noch in functioneel opzicht een onlosmakelijk verband bestaat. In dat verband is relevant dat zowel het college als vergunninghouder hebben toegelicht dat de doorbraak en de uitbouw onafhankelijk van elkaar hadden kunnen worden uitgevoerd, wat de rechtbank op grond van de tekeningen – en met name het feit dat de doorbraak ziet op een binnenmuur en de uitbouw op de achtergevel – aannemelijk voorkomt. De enkele omstandigheid dat vergunninghouder ervoor heeft gekozen de doorbraak en de uitbouw gelijktijdig uit te voeren, maakt niet dat zij daarom bouwkundig en functioneel onlosmakelijk met elkaar verbonden zouden zijn. Ook de omstandigheid dat de doorbraak en de uitbouw oorspronkelijk wel in dezelfde aanvraag waren opgenomen, is onvoldoende om onlosmakelijk verband aan te nemen. Op basis van vaste rechtspraak van de Afdeling, bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:743), geldt inderdaad dat een bouwplan alleen kan worden gesplitst als het bestaat uit delen die in bouwkundig en functioneel opzicht van elkaar kunnen worden onderscheiden. Nu daar in deze situatie sprake van is, volgt uit deze rechtspraak niet dat het bouwplan in deze zaak ten onrechte is gesplitst.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de verleende vergunning in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van
mr.C.A. van der Meijs, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.