Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5926

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
20 maart 2026
Zaaknummer
C/09/691997 / HA RK 25-529
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet vaststellingsprocedure staatloosheidArt. 29 Vreemdelingenwet 2000Art. 11 Turkse nationaliteitswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling van staatloosheid van verzoeker geboren in Gaza

Verzoeker, geboren in Gaza in 1993, heeft een verzoek ingediend tot vaststelling van zijn staatloosheid. Hij bezit een Palestijns paspoortkopie, een tweetalige Arabisch-Hebreeuwse identiteitskaart en een geboortecertificaat van de Palestijnse missie in Nederland. Verzoeker heeft een asielvergunning ontvangen op grond van de Vreemdelingenwet 2000.

De rechtbank baseert haar oordeel op de Wet vaststellingsprocedure staatloosheid (2023). Verzoeker woont in Nederland en heeft een onmiddellijk belang bij het verzoek. De rechtbank onderzoekt of verzoeker als onderdaan wordt beschouwd door de Palestijnse Gebieden of Turkije.

De rechtbank concludeert dat verzoeker Palestijns is van afkomst en in Gaza is geboren, maar Nederland erkent de Palestijnse nationaliteit niet, waardoor verzoeker als staatloos wordt beschouwd. Daarnaast is niet aannemelijk dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft verkregen, omdat hij niet aan de vereiste verblijfsduur voldoet.

Op basis hiervan stelt de rechtbank de staatloosheid van verzoeker vast en wijst het verzoek toe.

Uitkomst: De rechtbank stelt vast dat verzoeker staatloos is en wijst het verzoek tot vaststelling van staatloosheid toe.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: HA RK 25-529
Zaaknummer: C/09/691997
Datum beschikking: 17 februari 2026

Vaststelling van staatloosheid

Beschikking op het op 23 september 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[verzoeker] ,

verzoeker,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J. Bravo Mougán te Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

DE STAAT DER NEDERLANDEN,

(Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst,
verder te noemen “de Staat”),
zetelende te ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: K.A. van Iwaarden.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 24 december 2025 van de Staat;
- de brief van 11 januari 2026 van verzoeker;
- een e-mailbericht van 26 januari 2026 van de Staat;
- een e-mailbericht van 26 januari 2026 van verzoeker.

Verzoek en het advies van de Staat

Het verzoekschrift strekt tot vaststelling van staatloosheid van verzoeker.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met wat is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.

Feiten

De volgende feiten blijken uit het dossier dan wel zijn door de Staat vastgesteld, zodat de rechtbank deze als vaststaand aanneemt.
  • Verzoeker is geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] , Gaza.
  • Verzoeker heeft op 28 oktober 2024 een aanvraag verblijfsvergunning asiel ingediend.
  • Bij beschikking van 1 augustus 2025 is aan verzoeker een asielvergunning op grond van artikel 29. Eerste lid, aanheft en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 verleend.
  • Verzoeker is in het bezit van de volgende documenten, welke door Bureau Documenten van de IND zijn onderzocht en echt bevonden:
o een originele tweetalige Arabisch-Hebreeuwse identiteitskaart afgegeven door de Palestijnse autoriteit;
o een originele Certification of Birth, afgegeven door de Palestijnse Missie in Nederland;
- Verzoeker is in het bezit van een kopie van een Palestijns paspoort.

Beoordeling

Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van Pro de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid).
Op basis van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op basis van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien hem niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoeker in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoeker onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat hij ontvankelijk is in zijn verzoek.
Relevante landen
Verzoeker en de Staat zijn het erover eens dat er geen andere landen/staten zijn dan de Palestijnse Gebieden en Turkije ten aanzien waarvan de mogelijkheid bestaat dat zij verzoeker op basis van wetgeving als onderdaan beschouwen.
Wordt verzoeker als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
De rechtbank is met de Staat van oordeel dat het aannemelijk is dat verzoeker van Palestijnse afkomst is, gelet op zijn verklaringen en de overgelegde documenten.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken blijkt dat een persoon Palestijns is wanneer deze (onder meer) is geboren in Gaza. Verzoeker stelt in Gaza te zijn geboren en de rechtbank ziet geen aanleiding aan deze verklaring te twijfelen. Dit betekent dat verzoeker de Palestijnse nationaliteit heeft.
Uit voornoemd Algemeen Ambtsbericht en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen) volgt dat Nederland de staat Palestina, en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos.
Wordt verzoeker als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoeker heeft verklaard van 2021 tot 2024 in Turkije te hebben verbleven. Uit artikel 11 e.v. van de Turkse nationaliteitswet volgt dat een van de voorwaarden voor naturalisatie is, dat een persoon minimaal vijf jaar inwoner is geweest van Turkije. Uit de verklaring van verzoeker volgt dat hij niet vijf jaar in Turkije heeft verbleven. Het is daarom niet aannemelijk dat verzoeker de Turkse nationaliteit heeft verkregen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoeker vast.

Beslissing

De rechtbank:
stelt vast dat verzoeker staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. P. Hillebrand als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 februari 2026.