Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 50, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 50, derde lid, Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b VreemdelingenbesluitArt. 5, onder b), richtlijn 2008/115
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht
Eiser is op 11 februari 2026 aangehouden en tegen hem is op 11 februari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Eiser voerde aan dat hij aan zijn vertrekplicht had voldaan door op 30 oktober 2025 naar Polen te zijn uitgezet en daar enige tijd te hebben verbleven. De rechtbank oordeelt echter dat het enkele fysieke vertrek niet voldoende is om te concluderen dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd, mede gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 22 juni 2021 (FS-arrest).
De rechtbank stelt vast dat eiser op 11 februari 2026 weer in Nederland is aangetroffen en geen bewijs heeft geleverd dat hij elders een bestendig leven heeft opgebouwd. Eiser heeft bovendien aangegeven in Nederland te willen blijven en werk te zoeken. De gronden voor de maatregel van bewaring, waaronder het risico op onttrekking aan toezicht en de zware gronden genoemd in artikel 5.1b van het Vreemdelingenbesluit, zijn niet betwist en worden door de rechtbank als voldoende beoordeeld.
De rechtbank heeft ambtshalve de rechtsmatigheid van de maatregel getoetst en ziet geen reden om de maatregel onrechtmatig te achten. Ook is geen sprake van een belemmering van het familie- en gezinsleven die verwijdering zou tegenhouden. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer 1] , eiser (gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.E. Herlaar).
Procesverloop
Bij besluit van 11 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Het voortraject
Eiser betoogt dat zijn ophouding onrechtmatig is, nu deze zijn grondslag vindt in artikel 50, tweede lid, van de Vw, terwijl zijn identiteit na de strafrechtelijke heenzending reeds bekend was. Hij stelt dat hij een pasje aan de politie heeft getoond, zodat zijn identiteit vanaf het begin vaststond. Volgens eiser berustte de ophouding derhalve op een onjuiste grondslag en had deze moeten plaatsvinden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. In de uitspraak van 7 augustus 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), ECLI:NL:RVS:2025:3668, is overwogen dat bij de ophouding van een vreemdeling de tijdens de niet-vreemdelingrechtelijke aanhouding verkregen identiteitsgegevens als uitgangspunt mogen worden genomen. Dit betekent echter niet dat die identiteit in het verdere verloop van de procedure als onomstotelijk vaststaand moet worden beschouwd.
Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over een geldig identiteitsdocument, zodat verweerder de bevoegdheid had om eiser met toepassing van artikel 50, tweede lid, van de Vw op te houden. De beroepsgrond slaagt niet.
Het verwijderingsbesluit
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij aan de vertrekplicht die hem bij besluit van 18 augustus 2025 is opgelegd heeft voldaan, nu hij op 30 oktober 2025 is uitgezet naar Polen en daar enige tijd heeft verbleven. Omdat hij aan zijn vertrekplicht heeft voldaan, meent eiser dat het besluit van 18 augustus 2025 niet nogmaals aan de maatregel van bewaring ten grondslag kan worden gelegd.
4. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 22 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:506, FS tegen
Nederland,het FS-arrest) volgt dat een Unieburger ten aanzien van wie een verwijderingsbesluit is genomen alleen opnieuw verblijfsrecht op het grondgebied van het gastland verkrijgt wanneer hij zijn verblijf op dat grondgebied daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. Het enkele fysieke vertrek volstaat niet. Hoe langer de afwezigheid van de Unieburger van het grondgebied van het gastland, hoe meer daaruit blijkt dat het verblijf daadwerkelijk en effectief is beëindigd. Daarnaast zijn alle elementen waaruit blijkt dat de Unieburger zijn banden met het gastland heeft verbroken van belang. Ten slotte is van belang of een Unieburger bestendig heeft verbleven op het grondgebied van een andere lidstaat dan de gastlidstaat dat het verwijderingsbesluit heeft genomen.
5. De rechtbank overweegt dat onvoldoende aannemelijk is dat eiser zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd en hiermee gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit van 18 augustus 2025. De rechtbank acht hierbij van belang dat eiser op 30 oktober 2025 gedwongen is uitgezet, maar op 11 februari 2026 weer in aanraking is gekomen met de politie in Nederland. Eiser is aangehouden in verband met gebruik van de weg als slaapplaats en heeft op geen enkele wijze aangetoond dat hij zijn verblijf in Nederland effectief heeft beëindigd en elders een bestendig leven heeft opgebouwd. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat uit het proces-verbaal van verhoor van 11 februari 2026 blijkt dat eiser nog altijd stelt in Nederland werk te willen vinden en hier een leven wil opbouwen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen gevolg heeft gegeven aan het verwijderingsbesluit en dat dit besluit nog steeds geldt. De beroepsgrond slaagt niet.
De bewaringsmaatregel
6. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser: 3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden zware gronden en lichte gronden, en de daarop gegeven toelichtingen, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, kunnen naar het oordeel van de rechtbank het standpunt van verweerder dat er sprake is van een risico op onttrekking aan het toezicht dragen.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtsmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was.
9. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in artikel 5, onder b) van richtlijn 2008/115 zich verzet tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser zich verzet tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Hello, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
27 februari 2026
Documentcode: [nummer 2]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.