Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op een nareisaanvraag, nadat de rechtbank in een eerdere uitspraak van 1 april 2025 een beslistermijn van acht weken had gesteld. De minister heeft deze termijn niet nageleefd en geen verweerschrift ingediend.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling, vanwege de uitdrukkelijke termijn in de eerdere uitspraak. De rechtbank verklaart het beroep gegrond en draagt de minister op binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit te nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 250,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 37.500,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiser, die een professionele gemachtigde inschakelde.