Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5784

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
C/09/679205 / FA RK 25-559
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BWArt. 1:377e BWArt. 1:401 BWArt. 1:402 BWArt. 1:402a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en wijziging kinderalimentatie na geboorte derde kind

Partijen zijn gescheiden en gezamenlijk belast met het gezag over twee minderjarige kinderen. De man is tevens vader van een derde kind uit een nieuwe relatie. De rechtbank behandelt een verzoek tot wijziging van de zorg- en contactregeling en kinderalimentatie.

De rechtbank stelt een videobelregeling vast voor de schoolvakanties, waarbij de kinderen op woensdag om 18.00 uur met de vrouw zullen videobellen indien zij bij de man verblijven. De man dient dit te faciliteren. Een videobelregeling voor reguliere weekenden wordt afgewezen.

De rechtbank oordeelt dat sprake is van een wijziging van omstandigheden door de geboorte van het derde kind en het gewijzigde inkomen van de man. De draagkracht van de man wordt verdeeld over de drie kinderen. De kinderalimentatie wordt met terugwerkende kracht vastgesteld op €538 per maand vanaf 4 maart 2025 en verhoogd tot €563 per maand vanaf 1 januari 2026. Het verzoek tot vergoeding van deurwaarderskosten wordt afgewezen.

Uitkomst: De rechtbank wijzigt de kinderalimentatie met terugwerkende kracht en stelt een videobelregeling vast voor de schoolvakanties.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-559
Zaaknummer: C/09/679205
Datum beschikking: 16 februari 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en kinderalimentatie

Beschikking op het op 23 januari 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Wigman te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. S. Salhi te Rijswijk.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 13 februari 2025 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 9 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 9 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 13 januari 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 16 januari 2026 van de advocaat van de man, met bijlage.
De minderjarige [minderjarige 1] is in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over het verzoek, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt.
Op 19 januari 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- de vrouw, bijgestaan door mr. H. Polat, waarnemend advocaat.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd geweest van [dag 1] 2014 tot [dag 2] 2023.
- Zij zijn de ouders van de volgende minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 1] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 2] .
- De man is ook de vader van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 3] 2025 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige 3] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
- Bij beschikking van 15 december 2022 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- de echtscheiding tussen partijen uitgesproken;
- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] de hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
- bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig bij de man zullen zijn:
- een weekend per veertien dagen van vrijdag 14.00 uur/uit school tot maandagochtend naar school/opvang;
- iedere woensdag 14.00 uur/na school tot donderdagochtend na school/opvang, waarbij de man de kinderen ophaalt en weer terugbrengt;
- bepaald dat de man met ingang van 4 november 2022 aan de vrouw een kinderalimentatie voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 375,- per maand per kind moet voldoen, maandelijks telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de definitieve zorgregeling tot 1 mei 2023 aangehouden.
- Bij beschikking van 5 januari 2024 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- als reguliere zorgregeling bepaald dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bij de man zullen zijn de ene week van donderdag uit school tot maandag naar school en de andere week van woensdag uit school tot vrijdag naar school;
- ten aanzien van de vakanties bepaald dat deze als volgt worden verdeeld:
- zomervakantie: de kinderen zijn in de oneven jaren de eerste helft en in de even jaren de tweede helft bij de man, met het wisselmoment op zaterdag 14.00 uur in het middelste weekend;
- de overige schoolvakanties worden bij helfte verdeeld, waarbij geldt dat:
o indien de kinderen in het weekend bij aanvang van de vakantie volgens de reguliere zorgregeling bij de man zijn, zij de eerste helft van de vakantie bij de man zullen verblijven en indien de kinderen volgens de reguliere zorgregeling het laatste weekend van de vakantie bij de man zijn, zij de tweede helft van de vakantie bij hem zijn;
o voor de tweeweekse vakanties het wisselmoment op zaterdag 14.00 uur in het middelste weekend is en voor de vakanties van één week het wisselmoment op woensdag 14.00 uur is,
waarbij de vakanties aanvangen op vrijdag uit school op de laatste schooldag voor de vakantie en eindigen op de eerste maandag na de vakantie naar school;
- ten aanzien van de feestdagen bepaald dat deze als volgt worden verdeeld:
- Moederdag: de kinderen zijn van 09.00 uur tot 19.00 uur bij de vrouw, voor zover de kinderen dan niet al bij haar zijn volgens de reguliere zorgregeling;
- Vaderdag: de kinderen zijn van 09.00 uur tot 19.00 uur bij de man, voor zover de kinderen dan niet al bij hem zijn volgens de reguliere zorgregeling;
- Islamitische feestdagen: worden bij helfte verdeeld, in die zin dat de kinderen tot 14.00 uur bij de ouder zijn bij wie ze volgens de reguliere zorgregeling zijn en van 14.00 uur tot 19.00 uur bij de andere ouder zijn;
- verjaardagen van de kinderen: worden gedeeld, waarbij de kinderen op een doordeweekse dag voor tweeënhalf uur en in het weekend voor vier uur bij de andere ouder zijn dan de ouder bij wie ze volgens de reguliere regeling verblijven;
- verjaardagen van de ouders: de kinderen zijn bij de jarige ouder op een doordeweekse dag uit school tot 19.00 uur en in het weekend van 10.00 uur tot 19.00 uur, voor zover zij volgens de reguliere zorgregeling niet al bij de betreffende ouder zijn,
waarbij de ouder waar de kinderen op die dag niet verblijven volgens de reguliere zorgregeling de kinderen haalt en brengt.
- Als gevolg van de wijziging van rechtswege op grond van artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) bedraagt de door de man te betalen kinderalimentatie sinds 1 januari 2026 € 458,73.

Verzoek en verweer

De man heeft verzocht:
- te bepalen dat, met wijziging van de beschikking van 15 december 2022, de
kinderalimentatie wordt gewijzigd, in die zin dat de man een bedrag aan de vrouw zal voldoen van € 150,- per kind per maand, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, waarbij als ingangsdatum heeft te gelden september 2024, althans de datum van indiening van het verzoekschrift, met bepaling dat de vrouw eventueel als onverschuldigd te veel ontvangen kinderalimentatie binnen één maand na de datum van de beschikking aan de man dient terug te betalen;
een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
De vrouw heeft verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de vrouw zelfstandig verzocht:
- een contactregeling vast te stellen, waarbij de kinderen middels videobellen contact
hebben met de vrouw:
- tijdens alle schoolvakanties tweemaal per week, op dinsdag en vrijdag tussen 17.00 uur en 19.00 uur;
- op de zaterdagen tussen 17.00 uur en 19.00 uur;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Uit het vierde lid van artikel 1:253a BW volgt dat artikel 1:377e BW van overeenkomstige toepassing is, zodat de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de omgang alsmede een door de ouders onderling getroffen omgangsregeling kan wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van artikel 1:253a BW, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van de kinderen wenselijk voorkomt.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft verzocht om, in aanvulling op de zorg- en vakantieregeling zoals bepaald in de beschikking van 5 januari 2024, een videobelregeling vast te stellen. Zij staat een regeling voor, waarbij de kinderen tijdens alle schoolvakanties op dinsdag en vrijdag tussen 17.00 uur en 19.00 uur en in de reguliere weekenden waarin de kinderen bij de man verblijven op zaterdag tussen 17.00 en 19.00 uur met de vrouw zullen videobellen. Hiertoe heeft de vrouw gesteld dat de man contact tussen de vrouw en de kinderen weigert als de kinderen bij hem verblijven. De vrouw acht het in het belang van de kinderen dat er een contactmoment tussen haar en de kinderen plaatsvindt als zij bij de man zijn.
Standpunt man
De man heeft zich verzet tegen de videobelregeling die de vrouw voorstaat. Hij heeft aangevoerd dat van hem niet kan worden verwacht dat hij de invulling van een vakantie met de kinderen afstemt op een videobelregeling. De man heeft er geen bezwaar tegen als de ouders onderling afspreken dat er tijdens een vakantie eenmaal per week contact is met de andere ouder door middel van videobellen. Verder heeft de man aangegeven dat er geen noodzaak is voor een videobelregeling op de zaterdag in de reguliere weekenden.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de man aangegeven dat hij contact tussen de vrouw en de kinderen niet in de weg staat en dat de vrouw altijd mag langskomen als zij contact wil met de kinderen. Daarbij heeft de man toegelicht dat hij niet beschikt over een werkende telefoon waarmee de kinderen met de vrouw zouden kunnen bellen. De rechtbank zal hieraan voorbijgaan. Het is een feit van algemene bekendheid dat het tegenwoordig eenvoudig is om een (mobiele) telefoon aan te schaffen met een betaalbaar abonnement of beltegoed. Ook van de man als vader wordt verwacht dit aan te schaffen. Omdat de kinderen er behoefte aan hebben, wat gelet op hun leeftijd voorstelbaar is, zal de rechtbank een videobelregeling voor de schoolvakanties vaststellen. Dit is in het belang van de kinderen. De rechtbank zal bepalen dat de kinderen in alle schoolvakanties op woensdag om 18.00 uur met de vrouw zullen videobellen als zij op dat moment bij de man verblijven. De rechtbank gaat ervan uit dat de man dit zal faciliteren. De rechtbank ziet geen aanleiding om een videobelregeling voor de zaterdagen gedurende de reguliere zorgregeling vast te stellen, omdat de kinderen maar kort van de vrouw weg zijn.
De rechtbank zal, in zoverre in aanvulling op de zorg- en vakantieregeling zoals bepaald in de beschikking van 5 januari 2024, de videobelregeling vaststellen als na te melden en het meer of anders verzochte te dien aanzien afwijzen.
Kinderalimentatie
Ontvankelijkheid
Een rechterlijke uitspraak of overeenkomst betreffende levensonderhoud kan op grond van artikel 1:401, eerste lid, BW bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen.
De man heeft als wijziging van omstandigheden naar voren gebracht dat hij in maart 2025 vader is geworden van [minderjarige 3] en in juni 2026 opnieuw een kindje verwacht met zijn partner. Daarbij is het inkomen van de man sinds september 2024 aanzienlijk gedaald en is het inkomen van de vrouw sinds de vaststelling van de kinderalimentatie in de beschikking van 15 december 2022 gestegen. Verder is de zorgregeling tussen de man en de kinderen na de beschikking van 15 december 2022 uitgebreid, waardoor een andere zorgkorting moet worden toegepast.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.
Inhoudelijke beoordeling
Bij de wijziging van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Samenloop van onderhoudsverplichtingen
Er is sprake van een samenloop van onderhoudsverplichtingen. De man is voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onderhoudsplichtig, maar ook voor [minderjarige 3] , zijn kind met zijn partner. Bij een dergelijke samenloop van onderhoudsverplichtingen moet de rechtbank beoordelen of de man in staat is om aan al zijn onderhoudsverplichtingen te voldoen. De onderhoudsplicht voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is van gelijke rang als die voor [minderjarige 3] . Nu de man de behoefte van [minderjarige 3] niet heeft onderbouwd en de inkomensgegevens van zijn nieuwe partner niet heeft overgelegd, zal de rechtbank daar geen rekening mee houden en ervan uitgaan dat de man zijn draagkracht over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] dient te verdelen. De rechtbank zal geen rekening houden met de toekomstige omstandigheid dat de man in juni 2026 een vierde kind verwacht. De rechtbank gaat ervan uit dat partijen te zijner tijd met elkaar in overleg zullen gaan over de kinderalimentatie en de draagkracht van de man dan over de vier kinderen zullen verdelen.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Hierbij geldt in het algemeen dat de rechter van zijn bevoegdheid tot wijziging van de bijdrage met ingang van een datum gelegen vóór zijn uitspraak behoedzaam gebruik moet maken. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de wijziging van de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
De rechtbank zal de kinderalimentatie vaststellen met ingang van 4 maart 2025 omdat met de geboorte van [minderjarige 3] de wijziging van omstandigheden is ontstaan. Het verzoek om wijziging van de kinderalimentatie is daarvoor al ingediend en de vrouw had er dus rekening mee kunnen houden dat de kinderalimentatie zou verminderen. Ook is het de rechtbank gebleken dat de vrouw medio 2023 vermogen uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning heeft ontvangen waaruit de vrouw de terugbetalingsverplichting kan voldoen.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in 2022 € 1.400,- per maand bedraagt. Geïndexeerd naar 2025 bedraagt deze behoefte € 1.637,- per maand.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Woonbudget
Tussen partijen is in geschil of voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw moet worden uitgegaan van haar werkelijke woonlasten of het gebruikelijke woonbudget van 30% van het NBI.
De vrouw heeft gesteld dat rekening moet worden gehouden met haar werkelijke woonlasten en niet met het woonbudget. Zij huurt momenteel een woning in de vrije sector, waardoor haar werkelijke woonlasten aanzienlijk hoger zijn dan het woonbudget.
De man heeft de stelling van de vrouw betwist en gesteld dat rekening moet worden gehouden met het woonbudget.
De rechtbank ziet in dit geval geen aanleiding om af te wijken van het woonbudget. Het hanteren van een woonbudget dient de voorspelbaarheid en rechtszekerheid en voorkomt dat elke verandering van woonsituatie tot een wijziging van de bijdrage leidt. Daarbij overweegt de rechtbank dat gebleken is dat de vrouw beschikt over vermogen uit de verkoop van de voormalige echtelijke woning, waarmee zij in staat kan worden geacht om haar woonlasten te voldoen.
Draagkracht man
Voor de berekening van de draagkracht van de man zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 3.649,05 (€ 5.212,93 - € 1.563,88) bruto per maand, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over september tot en met december 2025. Daarbij houdt de rechtbank rekening met een IKB van € 727,26 per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met de pensioenpremies van (afgerond) € 262,- per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget van de man voor [minderjarige 3] aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 4.504,- per jaar. De man stelt dat hij dit niet ontvangt maar heeft geen gegevens overgelegd zodat de rechtbank dit niet kan vaststellen. Gelet op het betoog van de man dat hij zeer in inkomen is gedaald, gaat de rechtbank er vanuit dat hij recht heeft op een kindgebondenbudget.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, arbeidskorting en inkomensafhankelijke combinatiekorting, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.864,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 938,- per maand
(70% x [3.864 - (0,3 x 3.864 + 1.365)]). Van de draagkracht van de man is 2/3 deel beschikbaar voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zodat voor hen een draagkracht van de man resteert van € 625,-.
Draagkracht vrouw
De man heeft gesteld dat aan de zijde van de vrouw moet worden uitgegaan van het door haar te verwerven inkomen. Op de zitting heeft de man toegelicht dat moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 30.000,- per jaar. De rechtbank ziet geen aanleiding om uit te gaan van enige verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. Hiertoe overweegt de rechtbank dat zij het in het belang van de kinderen acht om de kinderalimentatie te berekenen op basis van de inkomens die partijen daadwerkelijk genereren. Voor de berekening van de draagkracht van de vrouw zal de rechtbank daarom uitgaan van een uitkering op grond van de WIA en Toeslagenwet van € 1.604,93 bruto per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde uitkeringsspecificaties van oktober tot en met december 2025.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget van de vrouw voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 8.576,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw op € 2.006,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Bij een NBI tussen € 2.000,- en € 2.050,- per maand geldt volgens de draagkrachttabel (2026) een draagkracht van € 77,- per maand. De rechtbank zal daarom deze draagkracht voor de vrouw in aanmerking nemen.
Gezamenlijke draagkracht en zorgkorting
De draagkracht van partijen voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt gezamenlijk € 702,- per maand (€ 625,- + € 77,-). Dit is onvoldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te voorzien. De rechtbank komt daarom niet toe aan een draagkrachtvergelijking. Er is sprake van een tekort van € 935,- per maand.
Gelet op de zorgregeling tussen de man en de kinderen, zal de rechtbank uitgaan van een zorgkorting van 35%. De zorgkorting bedraagt dan € 573,- per maand (35% van € 1.637,-).
Omdat sprake is van een tekort van € 935,- per maand, wordt het tekort aan beide ouders voor de helft toegerekend. De helft van het tekort komt in mindering op de zorgkorting van de man. Dit betekent dat hij nog recht heeft op een zorgkorting van € 87,- per maand (€ 573,- - € 486,-).
Het aandeel van de man in de kosten van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bedraagt dan € 538,- per maand (€ 625,- - € 87,-).
Conclusie
De rechtbank zal de kinderalimentatie met terugwerkende kracht wijzigen en bepalen dat de man met ingang van 23 januari 2025 € 538,- voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aan de vrouw zal betalen. Gelet op de uitspraak van de Hoge Raad van 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1165, zal de rechtbank de kinderalimentatie verhogen met de jaarlijkse indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW met ingang van 1 januari 2026 tot een bedrag van € 563,-. Met ingang van 1 januari 2027 wordt het laatstgenoemde bedrag van rechtswege verhoogd met de jaarlijkse indexering.
Deurwaarderskosten
De man heeft gesteld dat hij € 1.428,27 aan deurwaarderskosten heeft moeten maken. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de totale deurwaarderskosten, althans een bedrag dat de rechtbank redelijk acht, voor haar rekening dient te nemen. De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek.
Het verzoek van de man is geen geschil dat aan de familierechter kan worden voorgelegd. De rechtbank wijst dit verzoek daarom af.

Beslissing

De rechtbank:
bepaalt dat – in zoverre in aanvulling op de zorg- en vakantieregeling zoals bepaald in de beschikking van 5 januari 2024 van deze rechtbank – de minderjarigen:
- [minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2017 te [geboorteplaats] ;
- [minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 te [geboorteplaats] ;
tijdens alle schoolvakanties op woensdag om 18.00 uur zullen videobellen met de vrouw, als de kinderen op dat moment bij de man verblijven;
bepaalt dat – in zoverre met wijziging van de beschikking van 15 december 2022 van deze rechtbank – de man aan de vrouw, met ingang van 4 maart 2025 een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van € 538,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, en met ingang van 1 januari 2026 € 563,- per maand voor de twee kinderen samen zal betalen, vanaf heden telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. H.M. Boone, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 16 februari 2026.