ECLI:NL:RBDHA:2026:5753

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
18 maart 2026
Zaaknummer
NL26.12511
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a VwArt. 50 VwArt. 62c VwArt. 8 VwArt. 5.1b Vb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring op grond van Dublinverordening

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Syrische asielzoeker tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. De maatregel is gebaseerd op een concreet aanknopingspunt voor overdracht aan Bulgarije volgens de Dublinverordening en het risico dat eiser zich aan toezicht onttrekt.

Eiser voerde aan dat hij niet onrechtmatig was staande gehouden en dat de machtiging tot binnentreden niet geldig was. Deze gronden werden verworpen omdat het verlengen van de overdrachtstermijn en het vertrek met onbekende bestemming in rechte vaststaan, en de machtiging geldig was. De rechtbank oordeelde dat de zware en lichte gronden die de minister aanvoerde voldoende zijn om de maatregel te dragen.

Eiser stelde dat een lichter middel volstaat omdat hij vrijwillig naar Syrië wil terugkeren en een relatie heeft met een vrouw die een verblijfsvergunning heeft. De rechtbank vond dit onvoldoende om de bewaring te matigen, mede omdat de Dublinverordening van toepassing is en overdracht aan Bulgarije plaatsvindt.

De rechtbank concludeerde dat de minister voortvarend werkt aan de overdracht, dat de maatregel niet onrechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.12511

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

geboren op [geboortedatum]
van Syrische nationaliteit
V-nummer: [nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Inleiding

1. Bij besluit van 5 maart 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw [1] opgelegd.
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 maart 2026 door middel van telehoren op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen. Daar is ook een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vb [2] , als zware gronden vermeld dat eiser:
(
zware gronden)
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
(
lichte gronden)
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb [3] heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
2.1.
De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom een minder dwingende maatregel (lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
Voortraject
3. Eiser stelt dat hij op een onjuiste grondslag is staande gehouden. Artikel 50, eerste lid van de Vw is niet op hem van toepassing nu hij op grond van het overdrachtsbesluit van 27 november 2025 rechtmatig verblijf heeft. Dat hij geen rechtmatig verblijf meer heeft na met onbekende bestemming te zijn vertrokken, blijkt volgens eiser onvoldoende uit de stukken. Het besluit de uiterste overdrachtstermijn te verlengen zit weliswaar in het dossier, maar daar kan onvoldoende uit worden opgemaakt dat eiser met onbekende bestemming was vertrokken. Eiser is niet meegegaan op de geplande vlucht van 10 februari 2026, maar dat betekent niet dat sprake was van onderduiken. Volgens eiser verbleef hij op dat moment in Ter Apel en was er daarom geen aanleiding voor het vermoeden dat hij zich aan het toezicht had onttrekken.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft op 12 augustus 2025 een besluit ontvangen waarin bekend is gemaakt dat de overdrachtstermijn tot 18 maanden is verlengd omdat hij met onbekende bestemming is vertrokken. Wanneer een Dublinclaimant met onbekende bestemming vertrekt, verliest hij op grond van artikel 62c, vierde lid van de Vw het rechtmatig verblijf zoals bedoeld in artikel 8, onder m van de Vw. Dit herleeft niet wanneer hij zich later weer meldt. [4] De rechtbank stelt vast dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen het verlengen van de uiterste overdrachtstermijn. Dit besluit staat dus in rechte vast. De rechtbank ziet in de enkele ontkenning van eiser dat hij met onbekende bestemming was vertrokken, geen aanleiding hieraan te twijfelen. De minister heeft de vreemdeling dan ook terecht krachtens artikel 50, eerste lid, van de Vw staande gehouden.
4. Eiser voert daarnaast aan dat de machtiging tot binnentreden elektronisch is ondertekend, maar dat die handtekening in tegenstelling tot bij de andere stukken, niet kan worden geverifieerd.
4.1.
Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op de zitting aangegeven dat is gecontroleerd of de machtiging aan de juiste persoon is afgegeven. De machtiging was daarnaast geldig op het moment van binnentreden. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de geldigheid van de machtiging.
Grondslag
5. De rechtbank is van oordeel dat eiser valt onder de in artikel 59a van de Vw genoemde categorie vreemdelingen. Er bestaat een concreet aanknopingspunt voor een overdracht zoals bedoeld in de Dublinverordening. Op 27 november 2025 heeft eiser een overdrachtsbesluit ontvangen, omdat Bulgarije verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielaanvraag. Bij besluit van 27 november 2025 heeft de minister de overdrachtstermijn verlengd naar 18 maanden omdat eiser met onbekende bestemming was vertrokken.
Gronden
6. Eiser heeft zware gronden 3a, 3b en 3e bestreden. Ten aanzien van zware grond 3a wordt in de maatregel verwezen naar het aanmeldgehoor van 22 maart 2025, maar een verslag van dit gehoor is niet aan het dossier gevoegd. Deze grond is daarom volgens eiser niet goed gemotiveerd. Daarnaast is eiser met een Bulgaarse vergunning Nederland ingereisd en had hij geen verdere documenten nodig om Nederland in te reizen. Ook zware grond 3b is volgens eiser onterecht aan hem tegengeworpen. Uit het dossier blijkt immers onvoldoende dat hij zich daadwerkelijk heeft onttrokken aan het toezicht. Ten aanzien van grond 3e voert eiser aan dat zijn achternaam in Bulgarije anders is gespeld, maar dat van een alias geen sprake is.
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat alle in de maatregel genoemde de zware en lichte gronden aan de maatregel ten grondslag kunnen worden gelegd en dat deze, in samenhang gezien, voldoende zijn om de maatregel van bewaring te kunnen dragen en om aan te nemen dat een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken, dan wel dat hij de voorbereiding van vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
6.2.
Het is feitelijk juist dat eiser Nederland niet op voorgeschreven wijze is ingereisd (3a). Dat hij Nederland als asielzoeker is ingereisd, maakt dit niet anders. Eiser heeft daarnaast op de zitting verklaard dat het niet juist is dat hij met een Bulgaars document Nederland is ingereisd. Ook feitelijk juist is dat eiser op 10 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken (3b). Zoals gezegd blijkt dit voldoende uit het in rechte vaststaande besluit tot het verlengen van de uiterste overdrachtstermijn. Daarnaast heeft eiser zich in Bulgarije laten registreren onder een andere naam en zijn identiteit nooit aangetoond met documenten, waarmee ook grond 3e feitelijk juist is. Ook is feitelijk juist dat eiser op 27 november 2025 een overdrachtsbesluit heeft gekregen en daaraan niet wil meewerken (3k). Eiser heeft namelijk tijdens zijn gehoor van 5 maart 2026 voorafgaand de inbewaringstelling aangegeven niet naar Bulgarije te willen. De rechtbank stelt tot slot vast dat eiser de lichte gronden niet heeft betwist, deze feitelijk juist zijn en voldoende gemotiveerd.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat een lichter middel volstaat. Eiser heeft na de uitspraak van 4 februari 2026 bij de IND [5] aangegeven dat het zijn wens is om terug te keren naar Syrië. Ook heeft hij zich op 23 februari 2026 gemeld bij het infoloket van de IND om aan te geven dat hij terug wil naar Syrië. Vervolgens heeft hij zich ook gemeld bij de Internationale Organisatie voor Migratie voor een vrijwillige terugkeer naar Syrië. Eiser verlangt dat ze hem terugsturen naar Syrië en niet op grond van de Dublinprocedure overdragen aan Bulgarije. Daarnaast geeft eiser aan dat hij samen met zijn vrouw wil zijn. Zij zijn volgens de Islamitische wet getrouwd, maar in Nederland is dit niet officieel geregistreerd. Hij geeft aan dat zij een onlangs een verblijfsvergunning heeft gekregen.
7.1
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht geen aanleiding heeft gezien om aan eiser een lichter middel dan de maatregel van bewaring op te leggen. In dit kader acht de rechtbank van belang dat, zoals hiervoor is overwogen, de gronden de maatregel van bewaring kunnen dragen en dat hiermee het risico op onttrekking is gegeven.
7.2
Verder is de rechtbank niet gebleken van persoonlijke belangen dan wel medische omstandigheden van eiser die de bewaring voor hem onevenredig bezwarend maken, en waarin de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. Eiser wil terug naar Syrië, maar de rechtbank stelt vast dat hij onder de Dublinverordening valt en een terugkeer naar Syrië vanuit Nederland niet aan de orde is. Dit betekent dat eiser aan Bulgarije wordt overgedragen. Dat eiser stelt een relatie te hebben en dat zijn partner een verblijfsvergunning heeft gekregen, maakt dit niet anders. Tijdens de zitting vertelde eiser bovendien dat hij heeft gezegd terug te willen naar Syrië, omdat hij absoluut niet terug wil naar Bulgarije gelet op de omstandigheden daar en dat hij het liefst bij zijn vrouw wil blijven. De minister heeft in deze omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om een lichter middel op te leggen.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de overdracht van eiser en dat zicht op overdracht niet ontbreekt. Op 6 maart 2026 is een vlucht voor eiser aangevraagd, deze is op 9 maart 2026 akkoord bevonden. Op 18 maart 2026 staat de overdracht aan Bulgarije gepland.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat het opleggen van de maatregel van bewaring onrechtmatig moet worden geacht. [6]
10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van S.H. Passial, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Vreemdelingenbesluit 2000.
3.Vreemdelingenbesluit 2000.
5.Immigratie- en Naturalisatiedienst.
6.Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2022 in de zaak C, B en X tegen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, C-704/20 en C-39/21, ECLI:EU:C:2022:858.