ECLI:NL:RBDHA:2026:5731
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen overdracht aan Duitsland op grond van Dublinverordening
Verzoeker, een Algerijnse asielzoeker, diende op 11 oktober 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die op 12 januari 2026 niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling volgens de Dublinverordening. Verzoeker stelde dat Duitsland het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet verdient vanwege het andere landenbeleid jegens Algerijnse vreemdelingen en het risico op indirect refoulement.
De voorzieningenrechter oordeelde dat er wel sprake is van een spoedeisend belang vanwege de geplande overdracht op 10 maart 2026 en het ontbreken van schorsende werking van het beroep. De stelling van verweerder dat de overdracht vrijwillig en gefaciliteerd is, weerhield dit niet.
Inhoudelijk vond de voorzieningenrechter dat verzoeker onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat Duitsland de asielaanvragen niet naar behoren behandelt of dat hij geen toegang tot rechtsbijstand heeft. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel blijft van toepassing, waardoor het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. De voorlopige voorziening werd daarom afgewezen, waardoor de overdracht aan Duitsland kan plaatsvinden voordat op het beroep is beslist.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de overdracht aan Duitsland wordt afgewezen omdat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft.