Eisers, allen van Iraakse nationaliteit en behorend tot de Jezidi-gemeenschap, hebben asielaanvragen ingediend die door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De beroepen tegen het niet tijdig beslissen op de aanvragen van eiser 1 en eiseres 1 zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat de ingebrekestellingen prematuur waren ingediend.
De rechtbank beoordeelt vervolgens de inhoudelijke beroepen tegen de afwijzing van de asielaanvragen. Eisers stellen dat zij vanwege discriminatie en vervolging in Irak, met name in de ontheemdenkampen in de Koerdische Autonome Regio (KAR), bescherming behoeven. De minister erkent de geloofwaardigheid van de asielmotieven maar acht de KAR als normale woon- en verblijfplaats, waardoor geen gegronde vrees voor vervolging bestaat.
De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de situatie in de ontheemdenkampen sinds 2019 is verbeterd, mede gelet op recente ambtsberichten die een verslechtering van de situatie beschrijven. De minister heeft de feitelijke situatie onvoldoende onderzocht en toegelicht. Daarom worden de bestreden besluiten vernietigd en moet de minister nieuwe besluiten nemen.
De rechtbank veroordeelt de minister tevens in de proceskosten van €5.604,-. De uitspraak is gedaan door rechter N.M. van Waterschoot en griffier Y. van Wijk en is openbaar gemaakt op 17 maart 2026.