ECLI:NL:RBDHA:2026:5690
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing faciliterend visum op grond van artikel 20 VWEU wegens ontbreken afhankelijkheidsrelatie
Eiser, een meerderjarige Marokkaanse nationaliteit, verzocht om een faciliterend visum op grond van artikel 20 van Pro het VWEU om bij zijn moeder in Nederland te verblijven. Verweerder wees dit verzoek af omdat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor afgeleid verblijfsrecht, mede gelet op het arrest K.A. dat stelt dat een afhankelijkheidsrelatie tussen twee volwassenen uitzonderlijk moet zijn en aantoonbaar dat zij niet gescheiden kunnen worden.
Eiser stelde dat hij vanwege zijn juveniele myoclonus epilepsie afhankelijk is van zijn moeder voor medicatie en zorg, en dat zonder verblijfsrecht zijn moeder Nederland zou moeten verlaten. Ter onderbouwing overlegde hij medische verklaringen, familieverklaringen, en andere bewijsstukken. De rechtbank oordeelde echter dat deze stukken onvoldoende objectief en actueel waren om de noodzakelijke afhankelijkheid aannemelijk te maken. De neuroloogverklaring dateerde uit 2019 en er was geen bewijs dat eiser zijn medicatie niet zelfstandig kan innemen.
Verder stelde eiser dat het ambtelijk gehoor onzorgvuldig was en dat hij geen eerlijk proces had, omdat niet duidelijk was welke stukken nodig waren. De rechtbank verwierp dit en stelde dat het aan eiser was om relevante stukken te overleggen. Ook wees de rechtbank erop dat toetsing aan artikel 8 EVRM Pro niet aan de orde was in deze faciliterend visumprocedure.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het faciliterend visum wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een aantoonbare afhankelijkheidsrelatie.