Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5687

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
C/09/687565 / HA ZA 25-567
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:178 BWArt. 3:169 BWArt. 3:307 BWArt. 3:321 BWArt. 4:138 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling woning en afwikkeling tweetrapsmaking in nalatenschap met schenking op papier

De rechtbank behandelt een civiele zaak over de nalatenschappen van twee overledenen, waarbij de erfgenamen en executeur geschillen hebben over vorderingen uit hoofde van een schenking op papier, de afwikkeling van een tweetrapsmaking en de verdeling van een woning.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen uit hoofde van de schenking op papier zijn verjaard en dus niet meer kunnen worden gevorderd. Wel is vastgesteld dat de erfgenamen recht hebben op wettelijke rente over de testamentaire rente die te laat is betaald. De woning, onderdeel van het bezwaarde vermogen uit de nalatenschap, moet worden verdeeld. De executeur krijgt de mogelijkheid de woning over te nemen, anders volgt verkoop aan een derde.

De rechtbank wijst verder toe dat de boedelbeschrijving van de nalatenschap van de overledene niet kan worden vastgesteld zoals door de erfgenamen voorgesteld, omdat deze onjuist is. De verdere verdeling van de woning en aflossing van de hypotheek wordt aangehouden tot na taxatie en rapportage. De vorderingen over andere bezittingen zoals inboedel, sieraden en bankrekeningen worden afgewezen omdat deze niet tot het bezwaarde vermogen behoren.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen uit de schenking op papier af wegens verjaring, veroordeelt tot betaling van wettelijke rente over testamentaire rente, en bepaalt dat de woning wordt verdeeld met mogelijkheid tot overname door executeur.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/687565 / HA ZA 25-567
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[partij A]te [woonplaats 1] ,
procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgenaam, bezwaarde en executeur in de nalatenschap van [erflater]
eiseres in conventie, verweerster in reconventie,
hierna te noemen: [partij A] ,
advocaat: mr. N.C. van Steijn,
tegen

1.[partij B] te [woonplaats 2] ,

procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgenaam, schuldeiser en verwachter in de nalatenschap van [erflaatster] en als schuldeiser en verwachter in de nalatenschap van [erflater] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij B] ,
advocaat: mr. M.H.C. Morshuis,

2.2. [partij C] te [woonplaats 3] ,

procederend voor zichzelf en in hoedanigheid van erfgenaam, schuldeiser en verwachter in de nalatenschap van [erflaatster] en als schuldeiser en verwachter in de nalatenschap van [erflater] ,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
hierna te noemen: [partij C] ,
advocaat: mr. A.J.C. Nuijten.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 23 juni 2025, met producties 1 tot en met 5;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [partij B] , met producties 1 tot en met 27;
- de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie van [partij C] , met producties 1 tot en met 59;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 7 [1] tot en met 18; en
- de brief van [partij B] met producties 28 tot en met 42.
1.2.
Op 13 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de zitting hebben de advocaten van partijen aan de hand van spreekaantekeningen een mondelinge toelichting gegeven. Deze spreekaantekeningen zijn in het dossier gevoegd.

2.De feiten

2.1.
[partij B] en [partij C] zijn de kinderen van [erflater] en [erflaatster] .
2.2.
Op 23 mei 1990 is een notariële akte gepasseerd (hierna: de schenking op papier) ondertekend door [erflater] , [erflaatster] , [partij B] en [partij C] . In die akte is onder meer opgenomen:
“[ [erflater] en [erflaatster] ] verklaarden bij deze te schenken aan hun kinderen, [ [partij B] en [partij C] ], ieder een bedrag in contanten groot drie en dertigduizend driehonderd elf gulden (f.33.311,-), welke schenkingen [ [partij B] en [partij C] ] verklaarden aan te nemen,
Vervolgens verklaarden de comparanten, dat gemelde geschonken bedragen door de begiftigden worden uitgeleend aan [ [erflater] en [erflaatster] ], die verklaarden gemelde bedragen wegens geldlening aan hun kinderen schuldig te zijn.
Terzake dezer overeenkomsten van geldlening zijn gemaakt de navolgende voorwaarden en bepalingen:
De debiteuren zullen een rente vergoeden van acht procent (8%) per jaar, voor het eerst een jaar na heden en zo vervolgens ieder jaar.
De leningen zijn vrij aflosbaar en opeisbaar na een opzegtermijn van drie maanden, doch terstond opeisbaar, zonder dat enige inverzuimstelling nodig is:
a. bij gebreke van interestbetaling en/of aflossing prompt op de verschijndag;
(…)”
2.3.
Op [datum 1] 1990 is [erflaatster] overleden.
2.4.
[erflaatster] had in haar testament tot haar erfgenamen benoemd [erflater] , [partij B] en [partij C] met toepassing van de ouderlijke boedelverdeling. Als gevolg daarvan verkreeg [erflater] alle tot de nalatenschap behorende baten en schulden en verkregen [partij B] en [partij C] een (in beginsel) niet-opeisbare vordering op [erflater] . De vordering was onder meer wel opeisbaar bij hertrouwen van [erflater] in gemeenschap van goederen. De rente over de vordering bedroeg zes procent per jaar en was opeisbaar bij overlijden van [erflater] . Daarnaast was onder meer de volgende bepalingen opgenomen:
“V.a Ik bepaal, dat al hetgeen mijn echtgenoot uit mijn nalatenschap verkrijgt, zomede de vruchten, welke daaruit worden verkregen, nimmer zal vallen in enige vermogensrechtelijke gemeenschap, waarin hij te eniger tijd gehuwd mocht zijn, welke bepaling ook geldt voor mijn overige erfgenamen.
b. Ik bepaal dat al hetgeen bij overlijden van mijn echtgenoot nog onvervreemd en onverteerd over is van hetgeen hij verkreeg uit mijn nalatenschap, zal worden uitgekeerd aan mijn afstammelingen met toepassing van de regelen der wettelijke plaatsvervulling en onder de bepalingen:
1. dat hij niet om niet over het door hem verkregene mag beschikken;
2. dat ter bepaling van hetgeen van het door hem verkregene nog onverteerd en onvervreemd over is, een eventuele intering eerst in mindering komt op zijn eigen vermogen.”
2.5.
Op 30 december 1991 is een notariële akte gepasseerd waarin een beschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] is opgenomen en de vorderingen van [partij B] en [partij C] op [erflater] als gevolg van de ouderlijke boedelverdeling zijn vastgesteld. In die akte is opgenomen dat tot de gemeenschap van goederen van [erflaatster] en [erflater] onder meer behoorde het woonhuis aan de [adres] te [plaats] (hierna: de woning). De totale nalatenschap van [erflaatster] werd in dit akte gewaardeerd op een bedrag van NLG 135.994,50. De schuld van [erflater] als gevolg van de ouderlijke boedelverdeling aan ieder van [partij B] en [partij C] werd vastgesteld op NLG 45.331,50 (hierna: de overbedelingsschuld van [erflater] of de overbedelingsvordering van [partij B] of [partij C] ).
2.6.
Op een zeker moment daarna hebben [erflater] en [partij A] een relatie gekregen en is [partij A] met [erflater] in de woning gaan wonen. Op 1 oktober 1999 is [erflater] onder huwelijkse voorwaarden getrouwd met [partij A] . Op 8 december 2006 zijn de huwelijkse voorwaarden omgezet in een gemeenschap van goederen.
2.7.
[partij B] is in 2024 een procedure gestart tegen [erflater] bij de kantonrechter. In die procedure vorderde [partij B] (onder meer) betaling van de overbedelingsvordering van (in euro’s) € 19.865,13. Op 5 juli 2024 heeft [erflater] dit bedrag betaald aan [partij B] .
2.8.
Op [datum 2] 2024 is [erflater] overleden.
2.9.
Op 24 juli 2024 heeft de kantonrechter vonnis gewezen waarin onder meer is beslist dat [erflater] de overbedelingsvordering moest betalen aan [partij B] .
2.10.
In het testament van [erflater] is een tweetrapslegaat opgenomen. Daarin is bepaald dat een legaat wordt toegekend voor een bedrag gelijk aan de waarde van de nalatenschap aan [partij A] onder ontbindende voorwaarde en aan [partij B] en [partij C] onder opschortende voorwaarden. [partij A] is benoemd tot enig erfgenaam en executeur.
2.11.
[partij A] heeft haar benoeming tot executeur aanvaard en de nalatenschap van [erflater] beneficiair aanvaard.
2.12.
Op 25 juli 2024 hebben [partij B] en [partij C] per brief jegens [partij A] aanspraak gemaakt op (i) betaling aan [partij C] van de hoofdsom van de overbedelingsvordering verhoogd met de testamentaire rente van 6% per jaar, (ii) betaling aan [partij B] van de testamentaire rente van 6% per jaar over de overbedelingsvordering, (iii) terugbetaling van de hoofdsom van de lening uit hoofde van de schenking op papier verhoogd met 8% rente per jaar.
2.13.
Op 9 mei 2025 heeft [partij A] een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMRO voor een bedrag van € 195.119,-., waarbij [partij A] aan ABN AMRO een hypotheekrecht op de woning heeft verstrekt.
2.14.
Op 19 mei 2025 heeft [partij A] € 41.109,39 betaald aan [partij B] en € 60.974,62 aan [partij C] .
2.15.
[partij A] heeft een boedelbeschrijving opgesteld van de algehele gemeenschap van goederen tussen [partij A] en [erflater] op [datum 2] 2024 in verband met het overlijden van [erflater] .
2.16.
[partij A] woont nog in de woning.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[partij A] vordert (na wijziging van eis) – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. de vorderingen van [partij B] en [partij C] uit hoofde van de nalatenschappen van [erflaatster] en [erflater] vast te stellen zoals vermeld in de boedelbeschrijving zoals aan de dagvaarding gehecht als productie 5, althans door de rechtbank in goede justitie vast te stellen vorderingen;
II. te verklaren voor recht dat [partij B] en [partij C] uit hoofde van de nalatenschap van [erflaatster] en uit hoofde van de schenking op papier niets meer te vorderen hebben van de nalatenschap van [erflaatster] , van de nalatenschap van [erflater] , van [partij A] en/of van de ontbonden huwelijksgemeenschap, althans te bepalen wat [partij B] en [partij C] uit dien hoofde nog te vorderen hebben; en
III. [partij B] en [partij C] te veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente daarover indien betaling binnen 14 dagen na datum van het te wijzen vonnis uitblijft.
3.2.
[partij B] en [partij C] vinden dat [partij A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar de vorderingen dan wel dat deze moeten worden afgewezen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] in de (werkelijke) kosten van deze procedure.
in reconventie
3.3.
[partij B] en [partij C] hebben in reconventie 21 respectievelijk 22 vorderingen ingesteld die grotendeels gelijkluidend zijn. [partij B] en [partij C] vorderen samengevat bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. levering aan ieder van hen van een vierde onverdeeld aandeel in de woning en verdeling van de woning door middel van verkoop van de woning aan een derde waarna [partij B] en [partij C] ieder een vierde deel van de verkoopopbrengst zullen ontvangen;
II. te bepalen dat verkoop van de woning plaatsvindt op de door [partij B] en [partij C] gevorderde wijze, waarbij onder meer (i) [partij A] wordt veroordeeld om mee te werken aan benoeming van een makelaar om de verkoop aan een derde te begeleiden en de overige handelingen benodigd om de woning te verkopen en leveren aan een derde, versterkt met een dwangsom, (ii) het vonnis bij niet-medewerking in de plaatstreedt van de benodigde instemmende wilsverklaring van [partij A] , en (iii) [partij A] wordt veroordeeld om de helft van de makelaarskosten te betalen;
III. voor recht te verklaren dat [partij A] 100% draagplichtig is voor de op de woning rustende hypothecaire geldleningen en [partij A] te veroordelen uiterlijk op het moment dat deze onroerende zaak bij de notaris wordt geleverd deze hypothecaire geldleningen af te lossen;
IV. [partij A] te veroordelen om (i) aan [partij B] te betalen de wettelijke rente van € 2.291,66 over de testamentaire rente van € 41.109,39 over de periode [datum 2] 2024 tot 19 mei 2025 en (ii) aan [partij C] te betalen de wettelijke rente van
€ 3.399,06 over de overbedelingsvordering verhoogd met testamentaire rente van in totaal € 60.974,62 over de periode [datum 2] 2024 tot 19 mei 2025;
V. te verklaren voor recht dat de banksaldi/effecten/beleggingen met een waarde van € 72.477,70 behoren tot het bezwaard vermogen uit de nalatenschap van [erflaatster] waartoe [partij B] en [partij C] ieder voor de helft gerechtigd zijn, en betaling van dat bedrag aan [partij B] en [partij C] verhoogd met wettelijke rente;
VI. [partij A] te veroordelen tot afgifte van de inboedelgoederen aanwezig in de woning aan [partij B] en [partij C] , versterkt met een dwangsom;
VII. [partij A] te veroordelen tot betaling van € 5.000,- aan [partij B] althans de helft van de waarde van de sieraden en schilderijen en [partij A] te veroordelen tot afgifte aan [partij B] van de sieraden die behoren tot de nalatenschap van [erflaatster] ;
VIII. de boedelbeschrijving in de nalatenschap van [erflater] vast te stellen conform de door [partij B] en [partij C] voorgestelde wijze;
IX. te verklaren voor recht dat aan [partij A] uit hoofde van de nalatenschap van [erflater] toekomt een legaat overeenkomende met een bedrag van € 3.348,73;
X. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] en [partij C] in verband met de schenking op papier van een bedrag van primair € 56.691,55 of subsidiair een lager bedrag, te vermeerderen met rente;
XI. [partij A] te veroordelen tot betaling aan [partij B] en [partij C] van een gebruiksvergoeding van € 416,66 per maand vanaf [datum 2] 2024 tot en met 31 december 2024 en tot betaling van een gebruiksvergoeding van € 441,66 per maand vanaf 1 januari 2025 tot de datum van levering van de woning, te verhogen met wettelijke rente; en
XII. [partij A] te veroordelen in de werkelijke kosten van deze procedure althans in de proceskosten, te verhogen met wettelijke rente.
3.4.
[partij A] vindt dat [partij B] en [partij C] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard dan wel dat de vorderingen in reconventie moeten worden afgewezen en verzoekt subsidiair de verdeling van de gemeenschappelijke goederen, althans de woning, op grond van artikel 3:178 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) voor drie jaren uit te sluiten, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] en [partij C] in de kosten van deze procedure.
in conventie en in reconventie
3.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de rechtbank deze vorderingen hierna gezamenlijk behandelen.
4.2.
Deze zaak gaat over de nalatenschappen van [erflaatster] en [erflater] . [partij B] en [partij C] stellen dat zij uit de nalatenschap van [erflater] nog recht hebben op (i) de wettelijke rente over de overbedelingsvordering met testamentaire rente en (ii) een betaling met rente uit hoofde van de schenking op papier. Daarnaast stellen [partij B] en [partij C] dat zij recht hebben op afgifte van vermogen, waaronder een deel van de woning, dat zij hebben geërfd van [erflaatster] uit hoofde van een in haar testament opgenomen tweetrapsmaking (het bezwaarde vermogen).
4.3.
De rechtbank komt tot de conclusie dat (i) [partij B] en [partij C] recht hebben op de hiervoor bedoelde wettelijke rente en (ii) de woning moet worden verdeeld en [partij B] en [partij C] recht hebben op een deel van de verkoopopbrengst. De overige vorderingen over en weer worden afgewezen. Dat wordt in dit vonnis nader uitgewerkt.
4.4.
Hierna wordt eerst een formeel verweer van [partij C] besproken. Vervolgens komen de inhoudelijke vorderingen van [partij B] en [partij C] aan bod. Daarbij zullen eerst de vorderingen ter zake de nalatenschap van [erflater] besproken worden en vervolgens de vorderingen ter zake de nalatenschap van [erflaatster] . Daarmee worden ook de vorderingen van [partij A] in conventie besproken. Ten slotte wordt de wijze van verdeling van de woning uitgewerkt.
Ontvankelijkheid [partij A]
4.5.
[partij C] heeft ten eerste betoogd dat [partij A] niet-ontvankelijk moet worden verklaard. [partij C] stelt dat [partij A] vereffenaar is in de nalatenschap van [erflater] en als executeur – in welke hoedanigheid [partij A] in deze procedure onder meer optreedt – niet bevoegd is. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dat in dit geval echter niet tot niet-ontvankelijkheid.
4.6.
In het testament van [erflater] is [partij A] aangewezen als executeur. [partij A] heeft de nalatenschap van [erflater] echter beneficiair aanvaard. Als gevolg daarvan moet de nalatenschap worden vereffend (artikel 4:202 lid 1 sub a BW Pro). Daarmee eindigt de taak van de executeur (artikel 4:149 lid 1 sub d BW Pro). In dit geval is [partij A] van rechtswege vereffenaar geworden, omdat zij de enige erfgenaam van [erflater] is (artikel 4:195 lid 1 BW Pro). Dat is ook vermeld in de verklaring van erfrecht en executele van 31 januari 2025. Niet is gebleken dat de vereffening is afgerond. De rechtbank gaat er dus vanuit dat de nalatenschap zich in de fase van de vereffening bevindt. Alleen de vereffenaar vertegenwoordigt de erfgenamen in en buiten rechte (artikel 4:211 lid 2 BW Pro).
4.7.
In dit geval zijn alle belanghebbenden verschenen, en staat alleen de hoedanigheid van [partij A] ter discussie. Het is niet vereist dat in de dagvaarding steeds uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van de hoedanigheid van een procespartij. [2] Voor zover het vorderingen door en tegen [partij A] als vereffenaar of executeur betreft, zijn er in deze zaak geen wezenlijke verschillen tussen de taken als vereffenaar of executeur. Het gaat immers om de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflater] . Het opstellen daarvan is zowel een taak van de executeur (artikel 4:146 lid 2 BW Pro) als van de vereffenaar (artikel 4:211 lid 3 BW Pro). De rechtbank zal er hierna van uitgaan dat [partij A] in deze zaak mede als vereffenaar optreedt. [partij B] en [partij C] worden daarmee niet benadeeld.
Vorderingen ter zake nalatenschap van [erflater]
Wettelijke rente over overbedelingsvordering en testamentaire rente
4.8.
[partij B] en [partij C] stellen dat de overbedelingsvordering en/of de testamentaire rente daarover te laat is betaald en dat zij daarom recht hebben op wettelijke rente over het te laat betaalde bedrag. Naar het oordeel van de rechtbank is dat juist.
4.9.
Tussen partijen staat vast dat [partij B] en [partij C] recht hadden op betaling door [erflater] van de overbedelingsvorderingen ontstaan bij het overlijden van [erflaatster] van (ieder) € 19.865,35. Deze vorderingen zijn opeisbaar geworden op 8 december 2006, de datum waarop het huwelijksvermogensregime van [erflater] en [partij A] omgezet is in een gemeenschap van goederen. Dat is tussen [partij B] en [erflater] ook vastgesteld in het vonnis van de kantonrechter van 24 juli 2024. Partijen zijn het ook met elkaar eens dat deze vordering moest worden verhoogd met een (enkelvoudige) rente van 6% per jaar, zoals is bepaald in het testament van [erflaatster] .
4.10.
De rechtbank overweegt de overbedelingsvordering verhoogd met de testamentaire rente opeisbaar is vanaf het moment dat de schuldenaar is in verzuim. Vanaf dat moment is wettelijke rente verschuldigd over het bedrag van de hoofdsom en de testamentaire rente. Anders dan [partij C] stelt, is geen uiterste dag van betaling afgesproken (in de zin van artikel 6:83 sub a BW Pro). In het testament van [erflaatster] is namelijk alleen opgenomen wanneer de overbedelingsvordering en de rente opeisbaar worden, maar niet wanneer deze moet worden betaald. In beginsel is dus pas wettelijke rente verschuldigd na ingebrekestelling en na afloop van de in de ingebrekestelling bepaalde termijn (artikel 6:82 BW Pro). Wel geldt, zoals [partij A] terecht aanvoert, dat de wettelijke rente en testamentaire rente niet allebei naast elkaar verschuldigd zijn (zoals [partij B] en [partij C] lijken te stellen). De wettelijke rente vervangt vanaf de datum van verzuim de testamentaire rente. Dat leidt voor [partij B] respectievelijk [partij C] concreet tot het volgende.
4.11.
Aan [partij B] is de overbedelingsvordering van € 19.865,35 betaald op 5 juli 2024. Anders dan uit de door [partij B] opgestelde boedelbeschrijving lijkt te volgen, is over dat bedrag dus geen testamentaire rente meer verschuldigd tot 19 mei 2025 omdat de overbedelingsvordering al was betaald op 5 juli 2024. Per brief van 25 juli 2024 heeft [partij B] jegens [partij A] aanspraak gemaakt op betaling van de testamentaire rente van € 40.100,35, en een betalingstermijn gegund tot en met 1 augustus 2024. Dat bedrag betreft – zo begrijpt de rechtbank – de testamentaire rente vanaf [datum 1] 1990 (datum overlijden [erflaatster] ) tot 5 juli 2024 (betaling overbedelingsvordering). Vanaf 2 augustus 2024 verkeerde [partij A] dus in verzuim. [partij B] heeft recht op een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over € 40.100,35 vanaf 2 augustus 2024 tot 19 mei 2025 (de datum van betaling van de testamentaire rente). Dat is een bedrag van € 2.082,02. Op 19 mei 2025 heeft [partij A] een bedrag betaald van € 41.109,39. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat dat bedrag uit de verschuldigde testamentaire rente van € 40.100,35 en een deel van de verschuldigde wettelijke rente van € 1.009,04 (€ 41.109,39 minus € 40.100,35). [partij B] heeft dus nog recht op betaling van een bedrag aan wettelijke rente van
€ 1.072,98(€ 2.082,02 minus € 1.009,04).
4.12.
Voor [partij C] geldt dat zij per brief van 25 juli 2024 jegens [partij A] aanspraak heeft gemaakt op betaling van zowel de overbedelingsvordering van € 19.865,13 als de testamentaire rente van € 40.158,86 (in totaal: € 60.023.99) waarbij een betalingstermijn is gegund tot en met 1 augustus 2024. Vanaf 2 augustus 2024 verkeerde [partij A] in verzuim. In haar boedelbeschrijving berekent [partij C] de wettelijke rente vanaf [datum 2] 2024 (datum overlijden [erflater] ), maar toen was nog geen sprake van verzuim en de wettelijke rente nog niet verschuldigd. [partij C] heeft dus recht op een bedrag gelijk aan de wettelijke rente over € 60.023.99 vanaf 2 augustus 2024 (datum verzuim) tot 19 mei 2025 (datum betaling). Dat is een bedrag van
€ 3.116,47.
4.13.
[partij B] en [partij C] vorderen betaling van deze bedragen door [partij A] . [partij B] en [partij C] stellen ook dat hun vorderingen in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflater] moeten worden opgenomen. Naar het oordeel van de rechtbank gaat het om een schuld van de nalatenschap van [erflater] . Een schuldeiser van de nalatenschap is tijdens de vereffening in beginsel niet bevoegd om zijn vordering te verhalen op de erfgenaam die de nalatenschap beneficiair heeft aanvaard (artikel 4:184 lid 2 BW Pro) of zijn vordering op goederen van de nalatenschap ten uitvoer te leggen (artikel 4:223 lid 1 BW Pro). De rechtbank zal aan de veroordeling van [partij A] in haar hoedanigheid van erfgenaam van [erflater] dus de voorwaarde verbinden dat de veroordeling pas ten uitvoer kan worden gelegd als de vereffening is afgerond.
Schenking op papier
4.14.
[partij B] en [partij C] stellen dat zij een vordering hebben op [erflater] uit hoofde van een schenkingsakte van 23 mei 1990, welke vordering (inclusief rente) volgens hen ten onrechte niet is opgenomen in de (concept) boedelbeschrijving opgesteld door [partij A] . [partij B] en [partij C] maken aanspraak op betaling van die vordering (inclusief rente). Naar het oordeel van de rechtbank is deze vordering (inclusief rente) echter verjaard, en dus terecht niet opgenomen in de boedelbeschrijving. Dat wordt hierna toegelicht.
4.15.
In de in randnummer 2.2 genoemde notariële akte van 23 mei 1990 is bepaald dat [erflaatster] en [erflater] aan ieder van [partij B] en [partij C] een bedrag schenken van NLG 33.311,-. In diezelfde akte hebben [partij B] en [partij C] dat bedrag weer in geldleen verstrekt aan [erflaatster] en [erflater] . De voorwaarden voor deze geldlening zijn in de akte opgenomen.
4.16.
De vorderingen van [partij B] en [partij C] betreffen dus een vordering tot terugbetaling van een geldlening (inclusief rente). Deze rechtsvordering verjaart vijf jaar na de aanvang van de dag volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden (artikel 3:307 lid 1 BW Pro). In de akte is geen termijn voor terugbetaling opgenomen. In het geval van een verbintenis tot nakoming van onbepaalde tijd verjaart de rechtsvordering in ieder geval door verloop van twintig jaren na de aanvang van de dag volgende op die waartegen opeising, zo nodig na opzegging, op zijn vroegst mogelijk was (artikel 3:307 lid 2 BW Pro).
4.17.
In de notariële akte was overeengekomen dat de vorderingen direct opeisbaar waren bij niet-betaling van de overeengekomen rente ‘zonder dat enige inverzuimstelling nodig is’. De verschuldigde rente moest voor het eerst een jaar na de datum van de notariële akte worden betaald. Vast staat dat nooit rente is betaald. De vordering werd dus opeisbaar een jaar na de datum van de akte toen de eerste rentebetaling plaats had moeten vinden en de vordering is verjaard vijf jaar daarna (24 mei 1996). Bovendien was geen looptijd voor de geldlening afgesproken, maar was overeengekomen dat de overeenkomst kon worden opgezegd met een opzegtermijn van drie maanden. Ook de verjaringstermijn van twintig jaar nadat de vordering na opzegging had kunnen worden opgeëist is inmiddels verstreken (artikel 3:307 lid 2 BW Pro). Ook op die grond zou de vordering dus zijn verjaard. Wat [partij B] en [partij C] daartegen hebben aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel zoals hierna wordt toegelicht.
4.18.
[partij B] en [partij C] wijzen ten eerste op de verlengingsgrond die geldt tussen echtgenoten (artikel 3:321 lid 1 sub a BW Pro) en stellen dat deze verlengingsgrond (naar analogie) moet worden toegepast tussen ouder en kind. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om deze verlengingsgrond in dit geval (naar analogie) toe te passen. Die verlengingsgrond staat namelijk niet in de wet en volgt ook niet uit relevante jurisprudentie. Die rechtspraak ziet uitsluitend op het bijzondere karakter van de rechtsverhouding tussen echtelieden en is niet van toepassing is op de rechtsverhouding die in deze zaak aan de orde is.
4.19.
Ten tweede stellen [partij B] en [partij C] dat [erflater] of [partij A] de vorderingen uit hoofde van de akte heeft erkend. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt echter niet van erkenning uit de stukken waarnaar [partij B] en [partij C] verwijzen. Wel blijkt dat de schenking op papier tussen 2022 en 2025 is besproken met de notaris, maar dat [erflater] of [partij A] in gesprek is gegaan over de schenking zegt op zichzelf niets over een erkenning van aansprakelijkheid. Uit die stukken blijkt namelijk alleen dat de vordering en de rente ter sprake is gekomen (mede in het kader van het bereiken van een regeling), maar niet van een handeling of gedraging jegens [partij B] en [partij C] waaruit blijkt dat de schuld wordt erkend.
4.20.
[partij B] en [partij C] stellen ten derde dat zij niet bekend waren met de akte. [partij B] en [partij C] hebben de akte echter zelf ondertekend, dus ze worden naar het oordeel van de rechtbank met de inhoud daarvan bekend verondersteld per de datum van ondertekenen. Ook dat nooit eerder een beroep op verjaring is gedaan, zoals [partij B] en [partij C] aanvoeren, is geen reden om geen verjaring te kunnen aannemen.
4.21.
Ten slotte stellen [partij B] en [partij C] dat een beroep op verjaring in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een beroep op verjaring kan slechts in uitzonderlijke gevallen, mede gelet op de rechtszekerheid, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zijn. Naar het oordeel van de rechtbank is, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, geen sprake van dergelijke uitzonderlijke omstandigheden. Ook dit verweer slaagt dus niet.
4.22.
Subsidiair stellen [partij B] en [partij C] dat als sprake is van verjaring, de overbedelingsvordering ontstaan bij het overlijden van [erflaatster] opnieuw moet worden vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met het feit dat de vordering is verjaard. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet juist, omdat van verjaring van de vordering destijds geen sprake was. De betreffende schuld is destijds terecht in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] opgenomen. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om met terugwerkende kracht de overbedelingsvordering die destijds is vastgesteld (en inmiddels ook is betaald) opnieuw vast te stellen.
4.23.
Meer subsidiair stelt [partij B] nog – zo begrijpt de rechtbank – dat omdat nooit uitvoering is gegeven aan de schenking en lening, nu alsnog uitvoering moet worden gegeven aan de akte door betaling van de schenking. Dat klopt niet, omdat in de akte juist is bepaald dat het bedrag is geschonken en direct weer is uitgeleend. Destijds is dus wel uitvoering gegeven aan de schenking. [partij B] heeft het bedrag echter nooit op haar bankrekening ontvangen, omdat ze het bedrag in diezelfde akte direct weer heeft uitgeleend. Dat is de strekking van een schenking op papier.
4.24.
[partij A] vordert een verklaring voor recht dat zij, de nalatenschap van [erflaatster] of [erflater] of de ontbonden huwelijksgemeenschap niets meer verschuldigd is aan [partij B] en [partij C] uit hoofde van de schenking op papier. Deze vordering wordt in zoverre toegewezen dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat enige vordering uit hoofd van de schenking op papier is verjaard.
Afwikkeling tweetrapsmaking testament [erflaatster]
Er is sprake van een geldige tweetrapsmaking
4.25.
In het testament van [erflaatster] is onder meer bepaald dat ‘al hetgeen bij overlijden van [erflater] nog onvervreemd en onverteerd over is van hetgeen hij verkreeg uit de nalatenschap van [erflaatster] , zal worden uitgekeerd aan [partij B] en [partij C] ’. Partijen verschillen van mening over de gevolgen van deze bepaling.
4.26.
Naar het oordeel van de rechtbank betreft deze bepaling een tweetrapsmaking. Dat betekent dat [erflaatster] in haar testament heeft bepaald dat alles dat [erflater] (de ‘bezwaarde’) van haar heeft geërfd (het ‘bezwaarde vermogen’), toekomt aan [partij B] en [partij C] (de ‘verwachters’) voor zover die erfenis nog bestaat bij het overlijden van [erflater] (ook genoemd: ‘
fideï-commis de residuo’). Naar huidig recht gaat het om een erfstelling onder een ontbindende voorwaarde en een daarbij aansluitende erfstelling onder opschortende voorwaarde, volgens welke het vermaakte of het onverteerde deel daarvan ten deel zal vallen aan de verwachter, indien deze het aangewezen tijdstip overleeft (artikel 4:141 BW Pro).
4.27.
[partij A] betoogt dat deze erfstelling is vervallen omdat voorwaardelijke erfstellingen vervallen als de voorwaarde (in dit geval het overlijden van [erflater] ) niet is ingetreden dertig jaar na het overlijden van de erflater (in dit geval [erflaatster] ) (artikel 4:140 BW Pro). Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet juist, omdat in artikel 4:141 BW Pro een uitzondering is opgenomen voor de tweetrapsmaking waarvan in dit geval sprake is. De vervaltermijn van dertig jaar geldt dus niet. [partij A] wijst er ook op dat in de betreffende bepaling in het testament niets staat over een ontbindende en opschortende voorwaarde, maar zo werd een ‘
fideï-commis de residuo’ naar destijds geldend recht ook niet in de wet aangeduid. Naar huidig recht moet de bepaling in het testament van [erflaatster] naar het oordeel van de rechtbank gezien de strekking daarvan worden beschouwd als tweetrapsmaking in de zin van artikel 4:141 BW Pro.
Uitgangspunten afwikkeling tweetrapsmaking
4.28.
Als gevolg van het overlijden van [erflater] , is de nalatenschap van [erflaatster] voor een tweede keer opengevallen. Als gevolg daarvan gaan van rechtswege op [partij B] en [partij C] over de goederen van de nalatenschap van [erflaatster] die ‘onvervreemd en onverteerd’ resteren en de schulden van die nalatenschap die nog openstaan. [partij A] betoogt dat de tweetrapsmaking alleen kan leiden tot een uitkering aan [partij B] en [partij C] en niet tot afgifte van goederen, maar dat is niet juist. Een dergelijke tweetrapsmaking ziet juist ook op goederen (voor zover die onvervreemd en onverteerd resteren), zoals ook blijkt uit de tekst van de betreffende bepaling (‘al hetgeen over is van hetgeen [erflater] verkreeg’).
4.29.
Partijen discussiëren over de vraag wat precies aan [partij B] en [partij C] toekomt. De rechtbank stelt daarbij het volgende voorop.
4.30.
Als uitgangspunt voor het vaststellen van het bezwaarde vermogen gaat de rechtbank uit van de akte van 30 december 1991 (zie randnummer 2.5). Die akte bevat, zoals blijkt uit de inleiding van die akte, de beschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] . In die akte is een overzicht opgenomen van baten (bestaande uit de woning, een auto, de inboedel en diverse rekeningen en effecten) en lasten (bestaande uit diverse schulden) van het gezamenlijke vermogen van [erflaatster] en [erflater] . Het saldo van de baten en lasten was NLG 217.988,99. De helft daarvan behoorde tot de nalatenschap van [erflaatster] .
4.31.
Onderdeel van het bezwaarde vermogen waren naar het oordeel van de rechtbank ook de overbedelingsschulden aan [partij B] en [partij C] (inclusief testamentaire rente). [partij B] , [partij C] en [erflater] waren namelijk ieder voor een derde erfgenaam van [erflaatster] . Aan [erflater] werd als gevolg van de ouderlijke boedelverdeling weliswaar toebedeeld alle goederen en schulden uit de nalatenschap, maar hij werd daarmee ook verplicht om de overbedelingschulden (inclusief testamentaire rente) te voldoen. Hij ontving dus alle goederen van de nalatenschap, maar ook twee schulden ter grote van in totaal twee derde van het saldo van de nalatenschap. Per saldo ontving hij dus een derde van de nalatenschap. Bij bepaling van het bezwaarde vermogen dat resteert van hetgeen [erflater] uit de nalatenschap heeft ontvangen, moet dus rekening worden gehouden met het feit dat de overbedelingsschulden inclusief rente onderdeel waren van het bezwaarde vermogen. Anders zouden [partij B] en [partij C] meer dan de hele nalatenschap van [erflaatster] ontvangen, namelijk de overbedelingsvorderingen plus de hele nalatenschap die aan [erflater] is toebedeeld.
4.32.
Vermogen dat [erflater] heeft verkregen na overlijden van [erflaatster] , behoort niet tot het bezwaarde vermogen zoals [partij B] en [partij C] wel lijken te betogen. [partij B] en [partij C] hebben ook geen recht op de vruchten van het bezwaarde vermogen (artikel 4:138 lid 2 BW Pro jo. artikel 3:201 BW Pro jo. 3:216 BW), zoals [partij C] stelt. [partij B] en [partij C] hebben dus geen recht op meer dan dat er was ten tijde van het overlijden van [erflaatster] , anders dan dat zij wel meeprofiteren van de waardestijging van de woning.
4.33.
[partij B] en [partij C] gaan, zo begrijpt de rechtbank, alleen uit van de baten die [erflater] heeft ontvangen uit de nalatenschap van [erflaatster] , maar de schulden waren ook onderdeel van het bezwaarde vermogen (waar [partij A] terecht op wijst). Voor zover een schuld voorafgaand aan het overlijden van [erflater] is voldaan, zijn deze naar het oordeel van de rechtbank voldaan vanuit het bezwaarde vermogen en niet vanuit het privé vermogen van [erflater] (of [partij A] ).
4.34.
Voor zover bezwaard vermogen is vervreemd of verteerd, behoort dat niet meer tot het bezwaarde vermogen. Relevant is dat in het testament van [erflaatster] is bepaald dat [erflater] eerst diende in te teren op zijn eigen vermogen.
4.35.
[erflater] heeft nooit administratie bijgehouden over de omvang en het verloop van het bezwaarde vermogen, terwijl hij daar wel toe verplicht was. Naar het oordeel van de rechtbank is de consequentie daarvan echter niet dat al het vermogen van [erflater] bij zijn overlijden moet worden aangemerkt als bezwaard vermogen waar [partij B] en [partij C] recht op hebben, zoals zij lijken te betogen. Dat is namelijk niet in lijn met de hiervoor geschetste uitgangspunten, en dat is gezien het tijdsverloop ook niet realistisch.
4.36.
Concreet leiden bovenstaande uitgangspunten tot het volgende.
De woning
4.37.
Onderdeel van het bezwaard vermogen was een half onverdeeld aandeel in de woning. De woning is niet vervreemd en het onverdeelde aandeel maakt dus nog onderdeel uit van het bezwaarde vermogen. Daar maken [partij B] en [partij C] dus terecht aanspraak op. [partij B] en [partij C] vorderen afgifte van hun aandeel in de woning en direct verdeling van de woning. De rechtbank zal de wijze van verdeling van de woning vaststellen. Dat wordt verderop in dit vonnis nader uitgewerkt.
De inboedel
4.38.
[partij B] en [partij C] vorderen afgifte van alle inboedel die zich in de woning bevindt omdat deze inboedel volgens hen tot het bezwaarde vermogen behoort. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet juist. In de boedelbeschrijving is een inboedel opgenomen gewaardeerd op NLG 3.000,-. De inboedel is in de boedelbeschrijving verder niet omschreven, dus onduidelijk is wat daar precies onder viel. Gezien de relatief geringe waarde en omdat geen zaken met een bijzondere waarde apart zijn genoemd, gaat de rechtbank ervan uit dat het gaat om een gebruikelijke inboedel voor een woonhuis en dat deze inboedel inmiddels (ruim 30 jaar later) is vervreemd of verteerd.
4.39.
Niet realistisch is bovendien dat alle inboedel die zich nu in de woning bevindt, zoals [partij B] en [partij C] lijken te stellen, dezelfde inboedel betreft als de inboedel die in 1991 zonder nadere omschrijving is gewaardeerd op NLG 3.000,-. [partij B] wijst bijvoorbeeld ook op een elektrische fiets, twee elektrische stepjes en een elektrische rolstoel, maar voor deze zaken geldt in ieder geval dat deze in 1991 nog niet bestonden (waar [partij A] terecht op wijst). De inboedel behoort dus niet (meer) tot het bezwaarde vermogen. De vorderingen van [partij B] en [partij C] voor zover deze zien op de inboedel worden afgewezen.
Sieraden en schilderijen
4.40.
[partij B] en [partij C] vorderen betaling van de helft van de waarde van door hen benoemde sieraden en schilderijen, omdat deze sieraden en schilderen tot het bezwaarde vermogen zouden behoren. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt dat echter niet. [partij B] en [partij C] stellen dat de waarde van deze sieraden en schilderijen € 10.000,- zou bedragen, maar in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] worden geen specifieke sieraden of schilderijen genoemd met een bijzondere waarde. Zaken die niet zijn opgenomen in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] , behoren niet tot het bezwaarde vermogen. De vordering tot afgifte van deze goederen, of vergoeding van de waarde daarvan, wijst de rechtbank dus af.
Saldi op de bankrekeningen/effecten/beleggingen
4.41.
Ten slotte stellen [partij B] en [partij C] dat de saldi van de bankrekeningen van [erflater] en [partij A] tot het bezwaarde vermogen behoren. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet juist.
4.42.
In de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] is een aantal rekeningen en effecten en aan aantal schulden opgenomen. Als uitgangspunt geldt dat de helft van (het saldo van) de resterende baten en schulden behoren tot het bezwaarde vermogen. De vraag is dus in hoeverre deze baten en schulden nog bestonden bij het overlijden van [erflater] .
4.43.
Een van de genoemde schulden betreft de schuld aan [partij B] en [partij C] uit hoofde van de schenking op papier (inclusief rente). Deze vorderingen zijn zoals hiervoor overwogen verjaard en de betreffende schulden zijn daarom geen onderdeel meer van het bezwaarde vermogen. Deze schulden laat de rechtbank dus buiten beschouwing.
4.44.
De andere schulden die zijn genoemd in de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflaatster] zijn – zo begrijpt de rechtbank – inmiddels afgelost. De aflossing van schulden die tot het bezwaarde vermogen behoorden, hebben naar het oordeel van de rechtbank in beginsel plaatsgevonden met de baten die tot het bezwaarde vermogen behoorden. Het totale bedrag van de rekeningen en effecten zoals vermeld in de boedelbeschrijving bedroeg NLG 319.439,39. Het totale bedrag van de schulden, anders dan de schulden uit hoofde van de schenking op papier, bedroeg NLG 94.319,38. Het restant van de baten na aftrek van de schulden bedraagt NLG 225.120,01. De helft daarvan behoorde tot het bezwaarde vermogen, namelijk een bedrag van NLG 112.560,-. Omgerend naar euro’s gaat het om een bedrag van € 51.077,48.
4.45.
Partijen voeren discussie over het verloop van het vermogen van [erflater] en of hij het resterende bezwaarde vermogen heeft verteerd of al (deels) aan [partij B] en [partij C] heeft betaald (zoals [partij A] lijkt te betogen). Aangezien daar geen administratie over is bijgehouden en omdat [erflater] volgens het testament van [erflaatster] eerst diende in te teren op zijn eigen vermogen, gaat de rechtbank ervan uit [erflater] het bezwaarde vermogen in beginsel niet heeft verteerd anders dan door aflossing van schulden behorende tot het bezwaarde vermogen. Daarnaast staat vast dat de overbedelingsschulden inclusief rente van in totaal € 121.949,14 (€ 19.865,13 plus € 41.109,39 aan [partij B] en € 60.974,62 aan [partij C] ) zijn afgelost. Zoals hiervoor overwogen (in rechtsoverweging 4.31) waren de overbedelingsschulden onderdeel van het bezwaarde vermogen en zijn deze schulden dus ook afgelost vanuit het bezwaarde vermogen. Wat dan resteert is een negatief saldo van € 70.871,66 (€ 51.077,48 minus € 121.949,14).
4.46.
[partij A] heeft op 9 mei 2025 een hypothecaire geldlening afgesloten bij ABN AMRO voor een bedrag van € 195.119,-. [partij A] stelt dat zij deze lening is aangegaan om de overbedelingschulden te volden, en dat van deze lening nog een bedrag van € 91.000,- op de derdengeldenrekening van de notaris staat. Zoals hiervoor overwogen was het bezwaarde vermogen voor een bedrag van € 70.871,66 niet meer toereikend om de overbedelingsschulden (inclusief rente) te voldoen zonder de woning te verkopen. Naar het oordeel van de rechtbank is [partij A] in privé dus een nieuwe schuld aangegaan om een tot het bezwaarde vermogen behorende schuld (de overbedelingsschulden) voor een deel van € 70.871,66 te voldoen. Voor dat deel heeft [partij A] naar het oordeel van de rechtbank dus een vordering op het bezwaarde vermogen die voor rekening van [partij B] en [partij C] komt. De hypothecaire geldlening blijft vervolgens wel voor rekening van [partij A] . De rechtbank zal daarmee rekening houden bij vaststelling van de wijze van verdeling van de woning en aflossing van de hypotheekschuld.
Verdeling woning
4.47.
Als gevolg van het overlijden van [erflater] is een half onverdeeld aandeel in de woning van rechtswege overgegaan op [partij B] en [partij C] als erfgenaam van [erflaatster] . [partij B] en [partij C] vorderen direct verdeling van de woning bij wijze van verkoop aan een derde, waarbij zij ieder aanspraak maken op een kwart van de opbrengst en helft van de opbrengst toekomt aan [partij A] .
Geen uitstel verdeling
4.48.
Voor wat betreft de woning is sprake van een gemeenschap. In beginsel hebben [partij B] en [partij C] recht op verdeling van de woning, omdat niemand ongewild in een gemeenschap hoeft te blijven. [partij A] heeft de rechtbank verzocht om de vordering tot verdeling voor een bepaalde tijd uit te sluiten (artikel 3:178 lid 3 BW Pro). Dat kan als de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend. [partij A] heeft in dat kader aangevoerd dat ze een dak boven haar hoofd nodig heeft, bijna 82 is en het voor haar – in deze tijden van woningnood – niet makkelijk is om een nieuwe woning te vinden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn deze belangen niet dusdanig zwaarwegend dat de vordering tot verdeling moet worden uitgesteld. Voor de meeste mensen zal namelijk gelden dat het op dit moment niet eenvoudig is om een woning te vinden en dat maakt niet dat een vordering tot verdeling van een woning daarom altijd voor een bepaalde tijd moet worden uitgesloten. Bovendien zal de rechtbank, in het geval de woning aan een derde verkocht moet worden, [partij A] een termijn geven om de woning verkoopklaar te maken. Hiermee wordt rekening gehouden met de belangen van [partij A] bij een termijn voor het vinden van vervangende woonruimte.
Primair: toedeling aan [partij A]
4.49.
[partij B] en [partij C] vorderen dat de woning wordt verkocht aan een derde, omdat [partij A] volgens hen niet in staat is om de woning over te nemen. [partij A] stelt dat zij de woning wenst over te nemen, omdat ze daar woont en ook beschikt over een bedrag dat bij de notaris staat wat ze daarvoor kan gebruiken. Hoewel het bedrag waar [partij A] op doelt niet voldoende lijkt om de woning over te nemen, het gaat om een bedrag van € 91.000,- en een door partijen geschatte woningwaarde van € 500.000,-, zal de rechtbank [partij A] , mede in het licht van hetgeen zij overwogen heeft in randnummer 4.46 gelegenheid, gelegenheid bieden om te onderzoeken of zij de woning kan overnemen bijvoorbeeld door middel van een hypothecaire geldlening. [partij A] heeft daar belang bij, omdat zij al jaren in de woning woont en anders op zoek moet naar een nieuwe woning. De rechtbank zal [partij A] dus in de gelegenheid stellen om de woning over te nemen. Mocht dat niet kunnen of wil [partij A] dat niet, dan wordt de woning alsnog verkocht aan een derde.
Waardebepaling woning
4.50.
Tussen partijen bestaat geen overeenstemming over de waarde van de woning of de wijze waarop de waarde van de woning moet worden vastgesteld. Voor de taxatie en eventuele verkoop van de woning moeten partijen een makelaar tevens taxateur inschakelen. [partij C] en [partij B] dragen allebei een andere makelaar aan en zijn het daar onderling kennelijk ook niet over eens. [partij A] heeft hier niets over gezegd. De rechtbank zal bepalen dat [partij A] binnen twee weken na de datum van dit vonnis drie erkende makelaars tevens taxateurs zal voorstellen aan [partij B] en [partij C] die werkzaam zijn binnen het gebied waar de woning is gelegen, waarvan [partij B] en [partij C] binnen een week na ontvangst van het voorstel van [partij A] gezamenlijk één makelaar tevens taxateur zullen kiezen (hierna: de makelaar). Partijen zullen vervolgens per ommegaande de makelaar de opdracht geven de woning te taxeren op de actuele vrije verkoopwaarde. [partij A] moet de helft en [partij B] en [partij C] moeten ieder een kwart van de kosten van de taxatie betalen. Partijen moeten in de gelegenheid worden gesteld bij de taxatie aanwezig te zijn en zullen alle medewerking verlenen aan de taxatie die de makelaar noodzakelijk acht.
4.51.
De makelaar dient binnen vier weken na opdrachtverlening de waarde van de woning te bepalen. De rechtbank zal deze zaak verwijzen naar de rol van 15 april 2026 op welke roldatum [partij A] het taxatierapport in het geding moet brengen. Vervolgens krijgen alle partijen de gelegenheid zich in een akte van maximaal vijf pagina’s, met een normale lettergrootte en regelafstand, uit te laten over dit rapport op de rol van 29 april 2026. De rechtbank zal vervolgens de waarde van de woning vaststellen. Het staat partijen uiteraard vrij om via een andere weg gezamenlijk tot een vaststelling van de waarde van de woning te komen. De rechtbank verzoekt partijen in dat geval de rechtbank uiterlijk op de roldatum van 15 april 2026 te informeren welke waarde partijen aan de woning toekennen.
Verdere wijze van verdeling woning
4.52.
De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden. Nadat de waarde van de woning is vastgesteld, zal de rechtbank de verdere wijze van verdeling van de woning vaststellen. Daarbij zal de rechtbank rekening houden met het volgende.
4.53.
Zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 4.46 moet rekening worden gehouden met aflossing van de hypothecaire geldlening afgesloten door [partij A] bij ABN AMRO op 9 mei 2025 voor een bedrag van € 195.119,-. [partij B] en [partij C] vorderen een verklaring voor recht dat [partij A] draagplichtig is voor (terugbetaling van) deze geldlening en dat deze geldlening uiterlijk bij levering wordt afgelost. Zoals toegelicht in rechtsoverweging 4.46 is [partij A] deze schuld aangegaan voor betaling van de overbedelingsschulden, en heeft zij als gevolg daarvan een vordering op het bezwaarde vermogen van € 70.871,66 die kan worden voldaan bij verkoop van de woning. Dat bedrag wordt dus van de aan [partij B] en [partij C] toekomende verkoopopbrengst afgetrokken zodat het toekomt aan [partij A] .
4.54.
De woning zal primair worden toebedeeld aan [partij A] , onder de opschortende voorwaarde dat zij binnen drie maanden na het vaststellen van de waarde van de woning aan [partij B] en [partij C] aantoont dat zij in staat is de volledige eigendom van de woning te verkrijgen en de overbedelingsvordering aan [partij B] en [partij C] te betalen. Deze overbedelingsvordering is in totaal gelijk aan de waarde van de woning gedeeld door twee, verminderd met een bedrag van € 70.871,66 zoals hiervoor overwogen. [partij B] en [partij C] hebben vervolgens ieder recht op de helft van dit saldo.
4.55.
Als niet aan de hiervoor genoemde voorwaarde wordt voldaan, zal de woning worden verkocht en geleverd aan een derde. [partij A] zal daarbij zes maanden de gelegenheid krijgen om de woning verkoopklaar te maken. Vervolgens zullen partijen gezamenlijk een verkoopopdracht verstrekken aan de makelaar om de woning te verkopen aan een derde. [partij A] moet de helft en [partij B] en [partij C] moeten ieder een kwart van de kosten van de makelaar, en de eventuele kosten van de notaris en de overige kosten voor de verkoop en levering, betalen. De helft van de verkoopopbrengst minus een bedrag van € 70.871,66 zoals overwogen in rechtsoverweging 4.53 van dit vonnis komt toe aan [partij B] en [partij C] . Het resterende bedrag van de verkoopopbrengst komt toe aan [partij A] .
4.56.
[partij A] is vervolgens verplicht om van het aan haar toekomende deel van de verkoopopbrengst (of anderszins) de hypotheekschuld af te lossen, zodat, in het geval van een levering aan een derde, de woning onbezwaard kan worden geleverd aan een derde. Met de aflossing van deze hypotheekschuld wordt op deze manier rekening gehouden bij vaststelling van de wijze van verdeling van de woning. In zoverre worden de vorderingen van [partij B] en [partij C] op dit punt dus toegewezen. Aangezien de geldlening € 195.119,- bedraagt, waarvan nog een deel van € 91.000,- op de derdengeldenrekening van de notaris staat, en partijen uitgaan van een woningwaarde van € 500.000,-, is geen aanleiding om aan te nemen dat de aan [partij A] toekomende verkoopopbrengst niet voldoende is om de hypotheekschuld af te lossen. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om voor die situatie een regeling voor te treffen.
4.57.
Partijen hebben ter zake de woning ook andere standpunten ingenomen die de rechtbank niet zal betrekken bij het vaststellen van de wijze van verdeling van de woning. Dat wordt hierna toegelicht.
4.58.
[partij A] stelt dat zij eigen geld heeft gebruikt voor verbetering van de woning, bijvoorbeeld voor een nieuwe keuken in 1996 en een nieuwe badkamer tien jaar later. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit echter niet, voor zover [partij A] dat betoogt, tot een vergoedingsrecht. Deze verbouwingen zijn dusdanig lang geleden dat daar nu nagenoeg geen waardevermeerdering van de woning meer aan kan worden toegerekend. In hoeverre sprake is van waardevermeerdering, is ook niet gesteld of onderbouwd. [partij A] heeft ook geen concrete kosten voor deze verbouwingen onderbouwd. Deze mogelijke verbetering die [partij A] zou hebben betaald laat de rechtbank dus buiten beschouwing bij bepaling van de wijze van verdeling van de woning.
4.59.
[partij B] en [partij C] vorderen dat [partij A] dient mee te werken aan de verkoop van de woning op straffe van verbeurte van een dwangsom en dat als zij niet meewerkt, het vonnis van de rechtbank in de plaats treedt van de benodigde instemmende wilsverklaring dan wel de toestemming van [partij A] voor het ondertekenen van de verkoopovereenkomst (artikel 3:300 BW Pro). Niet is echter gebleken dat [partij B] en [partij C] voorafgaand aan het instellen van hun eis in reconventie aan [partij A] hebben gevraagd om medewerking te verlenen aan verdeling van de woning. De rechtbank ziet dus geen aanleiding om te veronderstellen dat [partij A] geen medewerking zal verlenen aan verdeling. [partij B] en [partij C] hebben die vrees verder ook niet toegelicht. De gevorderde dwangsommen en de vordering op grond van artikel 3:300 BW Pro wijst de rechtbank dus af.
4.60.
[partij B] en [partij C] vorderen van [partij A] een gebruiksvergoeding vanaf [datum 2] 2024 tot de datum van levering van de woning van (ieder) ruim € 400,- per maand (op grond van artikel 3:169 BW Pro), omdat [partij A] sindsdien exclusief gebruikt maakt van de gemeenschappelijke woning. [partij A] heeft echter gesteld dat zij alle aan de woning verbonden lasten betaalt, en dat het daarom niet redelijk zou zijn een gebruiksvergoeding toe te wijzen. De rechtbank is met [partij A] van oordeel dat het in dit geval redelijk is dat de gebruiksvergoeding gelijk is aan de helft van de eigenaarslasten die [partij A] betaalt en anders voor rekening van [partij B] en [partij C] zouden komen als gezamenlijk eigenaar. Een additionele door [partij A] te betalen gebruiksvergoeding wordt dus niet toegewezen.
4.61.
[partij B] en [partij C] vorderen dat [partij A] aan ieder van hen een vierde aandeel in de woning levert. De rechtbank zal deze vordering afwijzen, omdat [partij B] en [partij C] direct verdeling van de woning vorderen. [partij B] en [partij C] hebben niet toegelicht in hoeverre zij belang hebben bij toewijzing van deze vordering in het licht van de vast te stellen verdeling. De door de rechtbank vast te stellen wijze van verdeling leidt of tot het betalen van een overbedelingsvordering door [partij A] aan [partij B] en [partij C] of tot verkoop van de woning aan een derde en verdeling van de verkoopopbrengst.
4.62.
[partij A] stelt ten slotte dat verdeling van de woning niet kan plaatsvinden omdat de vereffening van de nalatenschap van [erflater] nog niet is voltooid. Het bezwaarde vermogen is echter geen onderdeel van de nalatenschap van [erflater] , maar van de nalatenschap [erflaatster] . De rechtbank ziet dus geen aanleiding om aan te nemen dat verdeling niet kan plaatsvinden. De verkoopopbrengst van de woning voor zover dat in de nalatenschap van [erflater] valt, kan [partij A] vervolgens betrekken in de vereffening.
Boedelbeschrijving nalatenschap [erflater]
4.63.
[partij B] en [partij C] vorderen dat de boedelbeschrijving van de nalatenschap van [erflater] wordt vastgesteld op de wijze zoals door hen is voorgesteld en een verklaring voor recht dat aan [partij A] uit hoofde van de nalatenschap van [erflater] toekomt een legaat overeenkomende met een bedrag van € 3.348,73. Dit bedrag volgt uit de door [partij B] en [partij C] voorgestelde boedelbeschrijving. Deze voorgestelde boedelbeschrijving is echter, zoals in deze procedure is komen vast te staan, niet juist. De rechtbank zal deze vorderingen van [partij B] en [partij C] tot vaststelling van de door hen voorgestelde boedelbeschrijving en het hiervoor bedoelde legaat dus – bij eindvonnis – afwijzen.
4.64.
De door [partij B] en [partij C] voorgestelde boedelbeschrijving bevat bijvoorbeeld de gestelde schulden uit hoofde van de schenking op papier uit 1991 en saldi van bankrekeningen die zij tot het bezwaarde vermogen rekenen, maar zoals in dit vonnis overwogen is dat niet juist. De rechtbank beschikt ook niet over voldoende gegevens om de boedelbeschrijving op een andere wijze vast te stellen en dat is door partijen ook niet gevorderd. Dat geldt ook voor de door [partij B] en [partij C] gevorderde vaststelling van het legaat. De vaststelling van het bedrag van het legaat vloeit voort uit de boedelbeschrijving van de nalatenschap. Omdat de rechtbank de boedelbeschrijving niet kan vaststellen, kan zij ook het bedrag van het legaat niet vaststellen.
Conclusie
4.65.
Samenvattend worden beide partijen deels in het gelijk gesteld:
[partij B] en [partij C] hebben nog een vordering uit hoofde van de wettelijke rente over de testamentaire rente;
de vorderingen van [partij B] en [partij C] uit hoofde van de schenking op papier zijn verjaard;
de woning moet worden verdeeld, waarbij een deel van de verkoopopbrengst, waarbij in ieder geval in minder strekt de schuld die [partij A] heeft voldaan, toekomt aan [partij B] en [partij C] als onderdeel van het bezwaarde vermogen waar zij recht op hebben; en
van meer of ander bezwaard vermogen waar [partij B] en [partij C] nog recht op hebben, is geen sprake.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
verklaart voor recht dat de vorderingen van [partij B] en [partij C] uit hoofde van de schenking op papier zijn verjaard;
5.2.
veroordeelt [partij A] , als erfgenaam van [erflater] , om aan [partij B] te betalen een bedrag van € 1.072,98 en aan [partij C] te betalen een bedrag van € 3.116,47, welke veroordeling niet eerder ten uitvoer zal kunnen worden gelegd dan en alleen voor zover de wet dat toelaat tegenover een erfgenaam die de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving heeft aanvaard;
5.3.
bepaalt dat de woning zal worden getaxeerd op de wijze zoals omschreven in de randnummers 4.50 en 4.51 van dit vonnis en beveelt partijen al hun medewerking te verlenen die nodig is voor deze taxatie;
5.4.
verwijst de zaak naar de rol van woensdag 15 april 2026 voor overleggen door [partij A] van het taxatierapport van de woning;
5.5.
bepaalt dat de zaak daarna zal worden verwezen naar de rol van 29 april 2026 voor de akte uitlating over de taxatie door [partij A] , [partij B] en [partij C] ;
5.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.
type: 3557

Voetnoten

1.Productie 6 is niet ingediend.
2.HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435, r.o. 3.5.