ECLI:NL:RBDHA:2026:5659

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
SGR 26/708
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht (Bpb)Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV-beslissing herbeoordeling WIA-uitkering

Eiseres, Zeeman textielSupers B.V., heeft namens een (ex-)werkneemster een herbeoordelingsverzoek ingediend bij het UWV over het recht op een WIA-uitkering. Dit verzoek is op 5 augustus 2025 gedigitaliseerd, maar het UWV heeft niet tijdig een beslissing genomen. Eiseres stelde het UWV op 7 oktober 2025 in gebreke en diende op 22 januari 2026 beroep in wegens het uitblijven van een besluit.

De rechtbank constateert dat het UWV de beslistermijn heeft overschreden en dat het beroep gegrond is. Het UWV heeft op 11 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarbij een dwangsom van € 1.442,- aan eiseres is toegekend. De rechtbank bepaalt dat het UWV alsnog binnen negen weken na verzending van deze uitspraak een besluit moet nemen.

De rechtbank erkent het tekort aan verzekeringsartsen bij het UWV als een bijzonder geval dat een langere termijn rechtvaardigt. Zij stelt een termijn van zes weken voor het verrichten van een medische beoordeling en drie weken daarna voor het nemen van een besluit, met een maximum van negen weken. Voor elke dag overschrijding van deze termijn legt de rechtbank een dwangsom van € 100,- op, met een maximum van € 15.000,-.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank het UWV tot vergoeding van het betaalde griffierecht en proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in overeenstemming met het landelijke beleid over samenhangende zaken.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na verzending van de uitspraak een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/708

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 maart 2026 in de zaak tussen

Zeeman textielSupers B.V., uit Alphen aan den Rijn, eiseres

(gemachtigde: [gemachtigde 1]),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: [gemachtigde 2]).

Inleiding

1. [naam], (ex-)werkneemster van eiseres, ontvangt een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Op 22 juli 2025 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van de (ex-)werkneemster op deze WIA-uitkering. Het Uwv heeft het verzoek om herbeoordeling op 5 augustus 2025 gedigitaliseerd.
1.1.
Eiseres heeft op 22 januari 2026 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.2.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.3.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 7 oktober 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 11 december 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.1.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht het Uwv op te dragen binnen negen weken na de uitspraak een besluit bekend te maken.
4.2.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden vanwege het grote tekort aan verzekeringsartsen.
4.3.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheden dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.4.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 [2] heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
4.5.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. Het is de rechtbank niet gebleken dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
6. De rechtbank zal, in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover, bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. [4] Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. De rechtbank doet vandaag uitspraak in dit beroep en de beroepen met de zaaknummers die zijn opgenomen in de bijlage. De rechtbank beschouwt deze beroepen als samenhangend in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De beroepen in die zaken zijn door de bestuursrechter namelijk gelijktijdig behandeld, en in die zaken is rechtsbijstand verleend door dezelfde persoon dan wel door een of meer personen die deel uitmaken van hetzelfde samenwerkingsverband en van wie de werkzaamheden in elk van de zaken nagenoeg identiek konden zijn. Omdat sprake is van meer dan drie samenhangende zaken geldt bij de berekening van de proceskosten een factor 1,5. [5] De rechtbank is daarnaast van oordeel dat dit beroep van licht gewicht is, omdat het beroepschrift is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit en het beroep van eenvoudige aard is. [6] De proceskostenvergoeding stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand dus vast op € 700,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5 (licht) en een factor 1,5 voor het aantal samenhangende zaken). In verband met de samenhang wordt aan elke zaak een twintigste deel toegekend. Daarmee bedraagt de kostenvergoeding in de onderhavige zaak € 35,03 (1/20 x € 700,50).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 397,- aan eiseres moet vergoeden;
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 35,03 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van V.R. Hijman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Bijlage

SGR 25/8796
SGR 26/510
SGR 26/588
SGR 26/694
SGR 26/695
SGR 26/699
SGR 26/701
SGR 26/705
SGR 26/707
SGR 26/710
SGR 26/779
SGR 26/786
SGR 26/797
SGR 26/799
SGR 26/1038
SGR 26/1109
SGR 26/1110
SGR 26/1149
SGR 26/1151

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
2.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.2 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.2.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom.
5.Zie de bijlage van het Bpb, onderdeel C2.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Centrale Raad van beroep van 26 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2288.