ECLI:NL:RBDHA:2026:5654

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL24.11811
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 1F VluchtelingenverdragArt. 3 EVRMArt. 20 VWEUArt. 24 SIS-verordening (EU) 2018/1861
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen signalering in SIS en weigering verblijfsvergunning gezinsleven

Eiser, een Iraanse nationaliteit dragende vreemdeling, is sinds 2002 meerdere malen afgewezen voor verblijfsvergunningen in Nederland, onder meer vanwege toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. In 2022 diende hij opnieuw aanvragen in voor een verblijfsvergunning regulier voor gezinsleven conform artikel 8 EVRM Pro en een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez. De minister wees deze aanvragen af en signaleerde eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS) en het nationale informatiesysteem Executie & Signalering (E&S).

Eiser voerde aan dat de signalering onrechtmatig was, dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat hij een actueel gevaar voor de openbare orde vormde, en dat zijn recht op gezins- en privéleven was geschonden. De rechtbank oordeelde dat de minister het unierechtelijke openbare ordecriterium correct had toegepast, waarbij rekening was gehouden met eisers gedrag en houding na de gepleegde misdrijven. De signalering was toegestaan ondanks het opgeheven inreisverbod. De rechtbank vond dat eiser onvoldoende had aangetoond dat hij een beschermwaardig gezinsleven had met zijn meerderjarige kinderen en dat de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM Pro zorgvuldig was gemaakt.

Ook het beroep op het arrest Chavez-Vilchez faalde omdat eiser onvoldoende had onderbouwd dat er een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat tussen hem en zijn minderjarige zoon dat deze gedwongen zou zijn de EU te verlaten. De proportionaliteitstoets werd eveneens als correct beoordeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de signalering in SIS en de afwijzing van de verblijfsaanvragen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.11811

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026

in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Petkovski),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. M.C. Post-Kadijk).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS) door de minister en de afwijzing van de aanvragen van eiser tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘gezinsleven conform 8 EVRM [1] ’ en tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER [2] . Eiser is het niet eens met de signalering in het Schengen Informatie Systeem (SIS) en de afwijzing van de aanvragen. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan die de rechtbank hierna zal beoordelen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de signalering in het SIS en de afwijzing van de aanvragen in stand blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8.1. Daarbij beoordeelt de rechtbank of eiser (nog steeds) een gevaar vormt voor de openbare orde. Onder 9 gaat de rechtbank in op de vraag of de minister eiser mocht signaleren in het SIS. Onder 10 tot en met 11.2 bespreekt de rechtbank het beroep op artikel 8 van Pro het EVRM. Het oordeel van de rechtbank over de vraag of eiser voldoet aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez bespreekt de rechtbank onder 12.3. De vraag of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet evenredig en disproportioneel is, bespreekt de rechtbank onder 13.1. Aan het eind onder 14 staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. De minister heeft het verzoek tot het opheffen van het zware inreisverbod en de aanvragen tot verlening van de verblijfsvergunning regulier en afgifte van het verblijfsdocument met het besluit van 15 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 20 februari 2024 op het bezwaar van eiser heeft de minister het zware inreisverbod en terugkeerbesluit opgeheven, eiser gesignaleerd in het informatiesysteem executie en signalering (E&A) en het SIS en voor het overige is de minister bij de afwijzing van de aanvragen gebleven.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eiser en de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat voorafging aan het bestreden besluit?
Eerdere aanvragen
3. Eiser is geboren op [geboortedag] 1972 en heeft Iraanse nationaliteit. Ondanks diverse aanvragen is eiser in Nederland nooit in het bezit geweest van een verblijfsvergunning. Eiser heeft eerder op 24 april 2002 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 16 december 2003 heeft de minister deze aanvraag afgewezen, omdat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is op eiser. Op 14 februari 2005 is het daartegen door eiser ingestelde beroep door deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, ongegrond verklaard. [3]
Eiser heeft op 7 juni 2007 een tweede aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Bij besluit van 1 juli 2009 heeft de minister deze aanvraag afgewezen en geen aanleiding gezien om terug te komen op zijn standpunt dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag op eiser van toepassing is. Op 8 juni 2010 is het daartegen door eiser ingestelde beroep door deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, ongegrond verklaard. [4]
Vervolgens heeft de minister eiser op 5 november 2011 ongewenst verklaard. Bij besluit van 5 november 2012 is de ongewenstverklaring opgeheven en heeft de minister een zwaar inreisverbod voor de duur van 10 jaar opgelegd. Op 23 augustus 2013 is het daartegen door eiser ingestelde beroep door deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, ongegrond verklaard. [5] Het hiertegen door eiser ingestelde hoger beroep is op 17 april 2014 ongegrond verklaard. [6]
Eiser heeft op 18 juli 2014 een derde aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel ingediend. Bij besluit 18 juni 2015 heeft de minister deze aanvraag afgewezen. Op 24 december 2015 is het daartegen door eiser ingestelde beroep door deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, ongegrond verklaard. [7]
Huidige aanvragen
4. Op 7 juni 2022 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor het verblijfsdoel ‘gezinsleven conform 8 EVRM’ ingediend. Daarnaast heeft eiser op 22 september 2022 een verzoek tot opheffing van het zware inreisverbod en een aanvraag om een verblijfsvergunning regulier op grond van humanitaire omstandigheden, ingediend. Op 3 november 2022 heeft eiser een aanvraag tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER in het kader van het arrest van het Hof van Justitie van 10 mei 2017, Chavez/Vilchez [8] , ingediend.
De besluitvorming
5. Bij besluit van 15 december 2022 (primaire besluit) heeft de minister de aanvraag voor afgifte van een verblijfsdocument EU/EER afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor een verblijfsrecht op grond van het arrest Chavez-Vilchez en daarom geen rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. [9] Eiser heeft niet aangetoond dat hij zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige kind en dat er een afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen hem en dit kind. Daarnaast heeft de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het besluit niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat eiser geen beschermingswaardig privéleven en familieleven met meerderjarige kinderen heeft. De belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM valt in het nadeel van eiser uit. Tot slot heeft de minister de aanvraag tot het opheffen van het inreisverbod afgewezen, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden voor het opheffen van het inreisverbod. Ook is er in het geval van eiser geen sprake van bijzondere feiten en omstandigheden. Het inreisverbod kan volgens de minister de evenredigheidstoets doorstaan.
5.1.
Bij het bestreden besluit van 20 februari 2024 is de minister bij de afwijzing van de aanvragen tot afgifte van een verblijfsdocument EU/EER en een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van Pro het EVRM gebleven. De minister heeft echter – gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 6 juli 2023, in de zaak Bundesamt für Fremdenwesen und Asyl tegen A.A. (arrest A.A.) [10] – het terugkeerbesluit en het inreisverbod opgeheven, omdat er sprake is van een terugkeerbeletsel. In plaats daarvan heeft de minister eiser gesignaleerd in het nationale informatiesysteem Executie & Signalering (E&S) en het SIS.
De signaleringen in het E&S en het SIS en het unirechtelijke openbare orde criterium
Wat vindt eiser?
6. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat en waarom hij een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Volgens eiser heeft de minister geen beoordeling gemaakt conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 december 2020 [11] en dat had hij wel moeten doen. Volgens eiser volstaat de minister met een herhaling van de redenering waarom eerder artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag aan hem is tegengeworpen. Eiser meent dat, gezien de lange duur van illegaal verblijf, artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag niet meer kan worden tegengeworpen. Eiser betoogt verder dat de minister niet motiveert waarom hij na 22 jaar nog steeds een gevaar vormt voor de openbare orde. Eiser betoogt verder dat de twee strafrechtelijke veroordelingen in Nederland niet in zijn nadeel mogen worden meegenomen bij de beoordeling. Deze veroordelingen zijn eerder niet meegenomen in de beoordeling en de minister motiveert onvoldoende waarom dat nu wel meegenomen wordt en gewicht in de schaal legt. Ook gaat de minister eraan voorbij dat bepaalde omstandigheden een rol kunnen spelen die een persoon tot bepaalde gedragingen kunnen dwingen.
Eiser betoogt daarnaast dat de minister hem ten onrechte heeft gesignaleerd in het E&S en het SIS. Daartoe betoogt eiser dat de verwijzing naar het arrest A.A. onjuist is, omdat die zaak niet gaat over de signalering en registratie in het E&S en het SIS. Ook is de verwijzing naar artikel 24 van Pro de verordening (EU) 2018/1861 (SIS-verordening) onjuist, omdat dit artikellid van toepassing is in de situatie dat een inreisverbod is opgelegd. Omdat de minister het inreisverbod heeft opgeheven, is volgens eiser dit artikellid niet van toepassing op hem. Eiser verzoekt de rechtbank – voor zover zij een andere lezing heeft van het arrest A.A. – daarover prejudiciële vragen te stellen. Eiser is van mening dat het uitgangspunt van het Hof van Justitie is dat geen terugkeerbesluit en inreisverbod mag worden opgelegd – en dus ook niet een daaraan gekoppelde registratie in het SIS of andere melding van gelijke strekking – als sprake is van een uitzetbeletsel in het kader van artikel 3 van Pro het EVRM.
Het juridisch kader
7. Het systeem E&S is een informatiesysteem van de Nederlandse politie en de Koninklijke Marechaussee. Het systeem SIS is raadpleegbaar door alle grenswachten en politiecorpsen van de Schengenlanden. Het signaleren van een vreemdeling in deze systemen heeft als doel dat die vreemdeling de toegang tot het grondgebied kan worden ontzegd. Het beleid van de minister over de signalering in het SIS of het E&S staat in paragraaf A2/12.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000
7.1.
Aangezien de signalering van eiser, voor zover het de signalering in SIS betreft, is gebaseerd op een verordening van de Europese Unie, moet voldaan zijn aan het Unierechtelijke openbare ordecriterium. Dit houdt in dat iemand een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving moet zijn.
7.2.
De rechtbank zal daarom hieronder eerst het unierechtelijke openbare ordecriterium bespreken en daarna de signalering in het SIS.
Vormt eiser (nog steeds) een gevaar voor de openbare orde?
8. Omdat het Unierechtelijk openbare ordecriterium en artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag hier van toepassing zijn, acht de rechtbank het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 2 mei 2018, K. en H.F, [12] en de nadere duiding van de Afdeling in de uitspraak van 16 december 2020, [13] hier ook van toepassing. De Afdeling heeft overwogen dat uit dat arrest volgt dat bij de beoordeling van de vraag of een vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat het persoonlijk gedrag geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) vormt, in het bijzonder betekenis toekomt aan zijn gedrag en houding ná het plegen van de 1(F)-misdrijven en met name aan de momenten waarop hij zich rekenschap geeft van zijn daden, daarvoor de verantwoordelijkheid neemt en oprecht berouw toont voor die daden. Verder heeft de Afdeling overwogen dat een vreemdeling die het begaan van de 1(F)-misdrijven ontkent of bagatelliseert, dat niet snel aannemelijk zal kunnen maken. Geen doorslaggevende betekenis komt toe aan uitsluitend tijdsverloop en het gegeven dat de vreemdeling geen nieuwe handelingen heeft verricht die maken dat hij een bedreiging voor de openbare orde vormt.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de punten zoals bedoeld in het arrest K. en H.F. voldoende meegewogen bij de beslissing om aan eiser een besluit tot signalering op te leggen. Daarbij heeft de minister niet enkel gekeken naar de 1F-beoordeling zoals deze is komen vast te staan met de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 14 februari 2005. Zo heeft de minister ook eisers verklaringen van het gehoor van 23 mei 2023 betrokken bij de afweging, waarbij eiser uitgebreid in de gelegenheid is gesteld om zijn visie te geven op de in rechte vaststaande 1F-beoordeling en hoe hij nadien zijn leven heeft geleid, maar ook hoe hij nu tegen zijn werkzaamheden aankijkt. De minister heeft zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit de huidige houding van eiser niet blijkt dat hij zich kan conformeren aan de waarden die voortvloeien uit artikel 2 en Pro artikel 3 van Pro het VEU (als de menselijke waardigheid en de mensenrechten). De minister weegt verder niet ten onrechte in het nadeel van eiser mee dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij verantwoordelijkheid neemt voor zijn daden of dat hij daarvoor enig berouw heeft getoond. Ook in beroep heeft eiser niet gesteld of onderbouwd dat en waarom hij geen actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde (meer) is. Het enkele beroep op tijdsverloop sinds de betrokkenheid van eiser bij de gepleegde misdrijven acht de rechtbank daartoe onvoldoende.
8.2.
Ten aanzien van de twee veroordelingen, overweegt de rechtbank dat de minister zich onvoldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat die veroordelingen de conclusie versterken dat eiser een gevaar is voor de openbare orde. Gezien enerzijds de aard van de strafbare feiten en de daarvoor opgelegde straf en anderzijds de zeer lange tijd die is verstreken sinds de pleegdata valt dat immers niet in te zien. Daar komt bij dat de minister in het bestreden besluit in het geheel niet is ingaan op wat er precies bij die gelegenheden is gebeurd. De minister heeft namelijk enkel de veroordelingen genoemd. Naar het oordeel van de rechtbank leidt dit echter niet tot een gegrond beroep, omdat de minister zich op het standpunt heeft gesteld dat de twee veroordelingen de conclusie dat eiser voldoet aan het unierechtelijke openbare ordecriterium slechts versterken. Hieruit leidt de rechtbank af dat de twee veroordelingen geen dragende grond vormen voor de conclusie van de minister. Uit het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende dat het gebrek aan verantwoordelijkheid en berouw zelfstandig de conclusie dragen dat eiser een ernstige, actuele en werkelijk bedreiging vormt voor de openbare orde.
8.3.
Gelet op het voorgaande heeft de minister zich niet ten onrechte en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers persoonlijke gedrag een actueel, werkelijk en voldoende ernstig gevaar voor de openbare orde vormt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister eiser signaleren in het SIS?
9. De minister heeft zich in dit geval op het standpunt gesteld dat er concrete aanwijzingen bestaan dat eiser een gevaar vormt voor de openbare orde, de openbare veiligheid of de nationale veiligheid, wat voor de minister aanleiding is geweest om eiser te signaleren. Anders dan eiser stelt is dat ook mogelijk als er geen inreisverbod geldt nu artikel 24, eerste lid, onder a, van de SIS-verordening immers mogelijk maakt dat een onderdaan van een derde land wordt gesignaleerd als een lidstaat op grond van een individuele evaluatie tot de slotsom komt dat de aanwezigheid van die persoon tot gevaar voor de openbare orde, de veiligheid of de nationale veiligheid vormt.
Anders dan eiser aanvoert, volgt ook uit het arrest A.A. niet dat hij niet zou mogen worden gesignaleerd. In dit arrest is geoordeeld dat er geen terugkeerbesluit mag worden opgelegd aan iemand die in zijn land van herkomst voor onbepaalde tijd een risico loopt op refoulement. In het bestreden besluit is aan eiser geen terugkeerverplichting opgelegd. Als eiser zich zou begeven naar een lidstaat die kennis kan nemen van de signaleringen, dan zou die lidstaat bij een eventuele poging om eiser uit te zetten altijd moeten toetsen aan het verbod op refoulement. Hierin kan dus ook geen reden worden gevonden voor het oordeel dat eiser niet mag worden gesignaleerd. Gezien bovenstaande ziet de rechtbank geen noodzaak tot het stellen van prejudiciële vragen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Familie- of gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM ten aanzien van de meerderjarige kinderen
10. Eiser voert aan dat de minister het recht op familieleven op grond van artikel 8 van Pro het EVRM onjuist heeft getoetst. Door zich op het standpunt te stellen dat er sprake is van hechte banden tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen, maar dat deze de gebruikelijke banden niet overstijgen, verricht de minister een onjuiste meer dan gebruikelijke afhankelijkheids-toets. Volgens eiser gaat de minister voorbij aan de door hem ingebrachte informatie. Verder heeft de minister ook geen belangenafweging gemaakt. Daarnaast gaat de minister ook niet in op wat voor gevolgen dit besluit heeft voor alle andere personen om eiser heen. Daarnaast is het besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel, omdat de minister aan eiser geen vragen heeft gesteld over de tegenwerping dat eiser naar Maleisië kan terugkeren. Dat dit in 2002 ook is tegengeworpen, is volgens eiser onvoldoende onderbouwing voor dit standpunt van de minister. Eiser betoogt verder dat hij geen pogingen heeft ondernomen om het land te verlaten, maar dat hij dit gelet op het terugkeerbeletsel ook niet hoeft te doen.
10.1.
Uit rechtspraak van het EHRM volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, sprake moet zijn van een meer dat gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (‘more than the normal emotional ties’). [14] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependancy’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). [15] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is in essentie een kwestie van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [16] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
10.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister – anders dan eiser stelt – geen onjuiste toets verricht. De minister heeft immers conform bovenstaande beoordelingskader een beoordeling gemaakt. De minister heeft zicht daarbij terecht op het standpunt gesteld dat tussen eiser en zijn meerderjarige kinderen geen sprake is van een beschermingswaardig familieleven, omdat niet is gebleken van meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Zoals de minister terecht stelt volgt de meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie niet uit hetgeen eiser heeft verklaard ter hoorzitting van 23 mei 2023 noch uit de ingebrachte verklaringen van de meerderjarige kinderen. Eiser heeft verder op geen enkele wijze onderbouwd dat van een dergelijke relatie sprake is (niet in beroep en ook niet nadat hij eerst in bezwaar duidelijk had gemaakt dat het familieleven ook zag op de meerderjarige kinderen) en heeft in beroep ook niets aangevoerd omtrent de elementen van afhankelijkheid die de minister zou hebben miskend. Omdat geen sprake is van familie- of gezinsleven, hoeft de minister gelet op de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 [17] geen belangenafweging te maken. De vraag of de belangenafweging deugdelijk heeft plaatsgevonden, behoeft daarom geen bespreking. De minister hoeft daarom ook de gevolgen voor de meerderjarige kinderen die het uitblijven van een verblijfsvergunning voor eiser voor hen meebrengt, niet meer te beoordelen. [18] De rechtbank stelt verder vast dat het standpunt over Maleisië is ingenomen in het kader van de vraag of het onthouden van een verblijfsvergunning onevenredig is omdat artikel 3 van Pro het EVRM zich duurzaam verzet tegen de uitzetting naar het land van herkomst. De minister stelt zich daarom terecht op het standpunt dat het standpunt over Maleisië – anders dan eiser stelt – geen rol heeft gespeeld bij de beoordeling van het familieleven en de eventuele belangenafweging. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Familie- en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM
11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van een beschermingswaardig familie- en privéleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Eiser betoogt hiertoe dat hij meer dan 20 jaar in Nederland verblijft, geïntegreerd is, onderdeel uitmaakt van de Nederlandse samenleving en een sterk sociaal netwerk heeft. De minister is niet op alle door eiser overgelegde informatie en brieven gemotiveerd ingegaan.
11.1.
Uit vaste jurisprudentie van het EHRM en van de Afdeling volgt dat bij aanvragen op grond van artikel 8 van Pro het EVRM er een ‘fair balance’ moet worden gevonden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds, en het Nederlandse algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [19] De rechtbank beoordeelt zonder terughoudendheid of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken en beoordeelt de uitkomst van de gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend. [20]
11.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister alle relevante omstandigheden en belangen van eiser in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM kenbaar afgewogen tegen het economisch belang van de Nederlandse staat en voldoende gemotiveerd waarom de belangenafweging in het nadeel van eiser uitvalt. Het door eiser gestelde privéleven is door hem opgebouwd in een periode waarin geen sprake is geweest van rechtmatig verblijf. In deze periode heeft eiser er niet op mogen vertrouwen dat hij zijn banden met Nederland kon intensiveren. Dat eiser Nederlands spreekt, vriendschappen onderhoudt, een kennissenkring heeft opgebouwd en klusactiviteiten bij de kerk verricht is inherent aan zijn langdurige verblijf in Nederland maar betreft geen binding die de gebruikelijke banden overstijgt. Verder heeft de minister kunnen overwegen dat eiser op de leeftijd van 30 jaar naar Nederland is gekomen. Hij heeft tot aan zijn vertrek in Iran gewoond en derhalve een substantieel deel van zijn leven aldaar doorgebracht tegenover een onrechtmatig verblijf van 21 jaar in Nederland. Daarnaast heeft de minister weliswaar niet op elk individueel stuk gereageerd [21] , maar de minister heeft zijn besluit naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd en is, anders dan eiser stelt, uitgebreid ingegaan op de standpunten van eiser ten aanzien van het familie- en privéleven. Eiser heeft verder ook niet aangegeven op welk stuk de minister nader had moeten reageren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een schending van het in artikel 8 van Pro het EVRM neergelegde recht op eerbiediging van het privéleven. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Voldoet eiser aan de voorwaarden van het arrest Chavez-Vilchez?
12. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat hem geen verblijfsrecht toekomt op grond van het arrest Chavez-Vilchez vanwege de zorg voor zijn minderjarige Nederlandse zoon Arisha. Eiser stelt zorg- en opvoedtaken te verrichten. Hij is van mening dat hij met de ingebrachte verklaring op de hoorzitting en het op schrift gestelde een duidelijk beeld heeft geschetst van zijn rol. Dat het belangrijkste deel van de zorgtaken bij de moeder ligt en zij dagelijks en primair verzorger is, maakt niet dat hem geen geslaagd beroep toekomt op artikel 20 van Pro het VWEU [22] . Voor zover de minister meent dat de zorg- en opvoedtaken van eiser als vader zijnde niet duidelijk waren, dan was het aan de minister om tijdens de hoorzitting daarover nadere vragen te stellen.
12.1.
In het arrest Chavez-Vilchez, heeft het Hof van Justitie uitleg gegeven over artikel 20 van Pro het VWEU. Daaruit volgt – kort gezegd – dat artikel 20 van Pro het VWEU zo moet worden uitgelegd dat moet worden beoordeeld of er een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat tussen het kind en de derdelander-ouder, dat het kind feitelijk gedwongen wordt het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de derdelander-ouder verblijfsrecht wordt ontzegd.
12.2.
De minister neemt (in ieder geval) aan dat een vreemdeling een verblijfsrecht ontleent aan het arrest Chavez-Vilchez als deze vreemdeling daadwerkelijke zorgtaken voor dat kind uitvoert (voorwaarde c) en tussen de vreemdeling en het minderjarig kind een zodanige afhankelijkheidsrelatie bestaat dat dit minderjarig kind de vreemdeling naar het land van herkomst moet volgen als aan de vreemdeling een verblijfsrecht wordt geweigerd (voorwaarde d). [23]
12.3.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser onvoldoende heeft onderbouwd dat tussen hem en zijn zoon evident een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat zijn zoon gedwongen zou zijn de Unie te verlaten als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. In dit verband stelt de minister zich terecht op het standpunt (en dat wordt door eiser niet betwist) dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat de moeder van het kind de daadwerkelijke zorg- en opvoedtaken verricht. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd waaruit zijn zorg- en opvoedtaken bestaan. Hoewel de minister begrip heeft dat eiser mentale steun biedt aan zijn zoon, is de rechtbank het met de minister eens dat zonder nadere onderbouwing niet wordt ingezien dat eiser deze steun niet op afstand kan vervullen. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van zijn zoon wordt bedreigd als hij zijn taak op een grotere afstand vervult. Ook nu in beroep onderbouwt eiser niet wat zijn zorg- en opvoedtaken zijn en waar de afhankelijkheid met zijn zoon uit bestaat. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Duurzaamheids- en proportionaliteitstoets
13. Eiser voert aan dat het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning niet evenredig en disproportioneel is. Volgens eiser heeft de minister geen evenredigheidstoets verricht, wat hij wel had moeten doen. Daarnaast heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, namelijk dat hij in België geprobeerd heeft om verblijf te krijgen en dat dit niet gelukt is en daarnaast de omstandigheden waarin hij in Nederland verkeert.
13.1.
Indien artikel 3 van Pro het EVRM zich duurzaam verzet tegen uitzetting van een vreemdeling naar het land van herkomst dan dient de minister te beoordelen of het blijvend onthouden van een verblijfsvergunning disproportioneel is voor de vreemdeling. Om te kunnen spreken van ‘duurzaam verzet’ zoals hiervoor bedoeld moet de vreemdeling kunnen aantonen dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te voldoen aan de aan hem opgelegd vertrekplicht. De minister heeft uitgebreid overwogen dat eiser aan dat vereiste niet heeft voldaan. Eiser heeft in de gronden enkel gesteld dat hij heeft geprobeerd om verblijf in België te krijgen, maar heeft dat verder niet onderbouwd en heeft ook voor het overige niet aangevoerd of onderbouwd dat en waarom de minister dit onderdeel onjuist heeft beoordeeld. Nu de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet voldoet aan de voorwaarden, heeft de minister zich eveneens terecht op het standpunt gesteld dat aan de beoordeling van de proportionaliteit niet wordt toegekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Rashid, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Zaaknummer: AWB 04/1299.
4.Zaaknummer: AWB 09/23982.
5.Zaaknummer: AWB 12/20124.
6.Zaaknummer: 201308726/1/V4.
7.Zaaknummer: AWB 15/12463.
8.ECLI:EU:C:2017:354.
9.Zie artikel 8, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000.
10.C-663/21, ECLI:EU:C:2023:540.
12.ECLI:EU:C:2018:296.
14.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
15.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
16.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.
18.Zie daarvoor het Informatiebericht 2024/23.
19.Zie onder meer ABRvS 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
20.Zie onder meer ABRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1187.
21.benoemd op p. 3 van het bestreden besluit.
22.Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
23.Paragraaf B10/2.2, onder ad c en d, van de Vreemdelingencirculaire 2000. Nader uitgewerkt in het Informatiebericht 2023/31 ‘Richtsnoeren inhoudelijke toetsing naar aanleiding van arrest Chavez-Vilchez - Immigratie- en Naturalisatiedienst’.