Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet tijdig heeft beslist op zijn asielaanvraag van 11 augustus 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken alsnog een besluit heeft genomen.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar het '8+8 wekenmodel' zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar overweegt dat in gevallen waarin de maximale beslistermijn van 21 maanden wordt overschreden, een kortere termijn passend is. Daarom legt de rechtbank een beslistermijn op van acht weken na het verstrijken van de 21 maanden, zijnde uiterlijk 6 juli 2026.
De rechtbank acht deze termijn zorgvuldig en redelijk en legt een dwangsom op van € 100,- per dag bij overschrijding, met een maximum van € 15.000,-. Tevens veroordeelt zij de minister in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 467,-. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.