Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:5528

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
17 maart 2026
Zaaknummer
NL26.13297
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen overdracht in Dublinprocedure aan Spanje

Verzoekster heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend die niet in behandeling is genomen omdat Spanje verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit kennelijk ongegrond. Verzoekster stelde verzet in tegen deze uitspraak en vroeg om een voorlopige voorziening om niet te worden overgedragen aan Spanje voordat op het verzet is beslist.

De voorzieningenrechter oordeelde dat er sprake is van spoedeisend belang vanwege de geplande overdracht op 17 maart 2026. De minister kon niet overtuigend aantonen dat het belang van overdracht zwaarder weegt dan het belang van verzoekster om haar verzet in Nederland af te wachten en gehoord te worden. De voorzieningenrechter nam ook mee dat verzoekster en haar minderjarige kind nog niet op een zitting zijn gehoord.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen, waardoor de overdracht aan Spanje wordt opgeschort totdat de rechtbank uitspraak doet op het verzet. Tevens werd de minister veroordeeld in de proceskosten van verzoekster.

Uitkomst: De voorlopige voorziening wordt toegewezen en de overdracht aan Spanje wordt opgeschort totdat op het verzet is beslist.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13297

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster,

V-nummer: [v-nummer 1]
mede namens haar minderjarige kind
[minderjarige] ,
V-nummer: [v-nummer 2]
(gemachtigde: mr. P.L.M. Stieger),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: drs. M.F. Aly).

Procesverloop

1. Bij besluit van 18 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoekster tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Spanje verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1.
Verzoekster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld. Het beroep is bij uitspraak van 26 februari 2026 (de bestreden uitspraak) kennelijk ongegrond verklaard. [1]
1.2.
Verzoekster heeft tegen de bestreden uitspraak verzet ingediend.
1.3.
Op 9 maart 2026 is aan verzoekster kenbaar gemaakt dat zij op 17 maart 2026 zal worden overgedragen aan Spanje. Verzoekster heeft vervolgens om een voorlopige voorziening verzocht met het doel om niet te worden overgedragen en haar verzet in Nederland te kunnen afwachten. De minister heeft een reactie ingediend op dit verzoek.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Waar gaat de zaak over?
2. Verzoekster heeft in Nederland een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Spanje daarvoor verantwoordelijk is. De rechtbank heeft het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaard. Zij heeft in de bestreden uitspraak – kort samengevat – geoordeeld dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat in het geval van Spanje niet (langer) kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat zij een klacht kan indienen als verzoekster meent dat Spanje zich niet aan de verplichtingen houdt. Ook heeft de rechtbank overwogen dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij zonder aanvullende garanties zoals bedoeld in het arrest Tarakhel geen adequate opvang en zorg kan krijgen in Spanje.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster betoogt dat de rechtbank haar op een zitting had moeten horen. Uit landeninformatie blijkt dat zij in Spanje lang zal moeten wachten voordat haar asielaanvraag officieel kan worden geregistreerd. Daarnaast heeft de rechtbank niet gemotiveerd gereageerd op haar gronden dat al een mensenrechtenschending heeft plaatsgevonden jegens verzoekster en haar minderjarige kind op het moment dat zij een klacht zou indienen bij de Spaanse autoriteiten.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
4. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad ook uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. [2] Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in de verzetsprocedure niet.
Is er sprake van spoedeisend belang?
5. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om spoedeisend belang aan te nemen, omdat verzoekster op 17 maart 2026 zal worden overgedragen aan Spanje. Het primaire standpunt van de minister dat er vanwege een gefaciliteerd vertrek geen sprake is van spoedeisend belang, wordt niet gevolgd. De voorzieningenrechter wijst op de uitspraak van deze rechtbank van 13 september 2024. [3]
Belangenafweging
6. De voorzieningenrechter ziet aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister in het verweerschrift van 16 maart 2026 niet heeft uitgelegd waarom het belang om de overdracht van verzoekster en haar minderjarige kind op 17 maart 2026 door te laten gaan, zwaarder zou moeten wegen dan het belang van verzoekster om de behandeling van haar verzet in Nederland af te wachten. De voorzieningenrechter overweegt enerzijds dat de uiterste overdrachtsdatum 15 april 2026 is en dat het verzet van verzoekster op 31 maart 2026 op een zitting wordt behandeld. Het is aannemelijk dat tijdig uitspraak wordt gedaan op het verzet en daarmee is vooralsnog aannemelijk dat een eventuele overdracht voor het einde van de overdrachtstermijn nog plaats kan vinden. Anderzijds overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster niet eerder op een zitting is gehoord om haar belang en dat van haar kind van twee jaar oud toe te lichten. Gelet op de aard en de gevolgen van het overdrachtsbesluit vindt de voorzieningenrechter daarom dat verzoeksters belang om de behandeling van haar verzet in Nederland af te wachten en de zitting te mogen bijwonen doorslaggevend is.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter wijst om die reden het verzoek om voorlopige voorziening toe en bepaalt dat verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden overgedragen aan Spanje totdat uitspraak is gedaan op het verzet met het zaaknummer NL25.62214. De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe;
- bepaalt dat verzoekster en haar minderjarige zoon niet mogen worden overgedragen totdat op het verzet is beslist;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zaaknummer NL25.62214.
2.Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met artikel 8:83, vierde lid, van de Awb.