ECLI:NL:RBDHA:2026:5500

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
09-098561-24, 09-330639-25 (ttz. gev.) en 09-166350-23 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 45 SrArt. 77c SrArt. 77i SrArt. 77m Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Jeugddetentie en werkstraf voor poging tot doodslag, diefstal met geweld en wapenbezit

De rechtbank Den Haag heeft op 12 maart 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte geboren in 2005. De verdachte werd beschuldigd van meerdere feiten, waaronder diefstal met geweld, poging tot doodslag met een scherp voorwerp, het voorhanden hebben van een omgebouwde alarmrevolver en openlijk geweld tegen personen.

De rechtbank verklaarde de diefstal met bedreiging, de poging tot doodslag en het wapenbezit wettig en overtuigend bewezen. De poging tot doodslag werd gepleegd met een scherpe keldersleutel, waarmee het slachtoffer een diepe snijwond opliep. De rechtbank oordeelde dat de verdachte voorwaardelijk opzet had op de dood van het slachtoffer. De openlijk in vereniging gepleegde geweldsdaad tegen twee andere personen werd eveneens bewezen verklaard.

De verdachte werd veroordeeld tot 244 dagen jeugddetentie, waarvan 150 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar en onder bijzondere voorwaarden zoals meldplicht, contactverbod, avondklok en verplichte dagbesteding. Daarnaast kreeg hij een werkstraf van 140 uren opgelegd. De rechtbank paste het jeugdstrafrecht toe vanwege de leeftijd en persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Tevens werd een schadevergoeding van €6.604,11 toegewezen aan het slachtoffer voor materiële en immateriële schade.

De rechtbank legde ook een maatregel tot schadevergoeding op aan de verdachte en besloot de voorwaardelijke jeugddetentie van een eerdere veroordeling om te zetten in een werkstraf van 60 uren. De bijzondere voorwaarden werden dadelijk uitvoerbaar verklaard en het toezicht werd opgedragen aan de volwassenreclassering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 244 dagen jeugddetentie (150 dagen voorwaardelijk) en 140 uur werkstraf met bijzondere voorwaarden en schadevergoeding aan slachtoffer.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummers: 09-098561-24, 09-330639-25 (ttz. gev.) en 09-166350-23 (tul)
Datum uitspraak: 12 maart 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaken tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum 1] 2005 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres en verblijfsadres: [adres 1] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 26 februari 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. R. Knobbout en de raadsman van de verdachte is mr. J.W. Vedder te Rotterdam. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlasteleggingen

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I: 09-098561-24
1. het medeplegen van diefstal van Airpods en € 50,- met (bedreiging met) geweld van/jegens [slachtoffer 1] op 20 januari 2024 in Delft;
2. het medeplegen van een poging tot doodslag van [slachtoffer 2] op 6 maart 2024 in Delft dan wel het plegen van zware mishandeling dan wel het plegen van een poging tot zware mishandeling;
3. het voorhanden hebben van een omgebouwde alarmrevolver op 21 maart 2024 in Delft;
Dagvaarding II: 09-330639-25
- het plegen van openlijk geweld tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] op 2 oktober 2025 in Delft.
De volledige tekst van de tenlasteleggingen is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de bij dagvaarding I onder 1, onder 2 primair, onder 3 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft gedeeltelijke vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde gevraagd, namelijk van het tonen van het mes, het slaan tegen het hoofd van de aangever en het stelen van € 50,-. De raadsman heeft voorts vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2 primair en subsidiair ten laste gelegde (medeplegen poging doodslag en plegen zware mishandeling) gevraagd en zich, wat betreft het meer subsidiair ten laste gelegde (plegen poging zware mishandeling) gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman heeft ook vrijspraak gevraagd van het bij dagvaarding I onder 3 ten laste gelegde. Wat betreft het bij dagvaarding II ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I feit 1
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH5R024020, van de Districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 730).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 26 februari 2026, voor zover inhoudende:
De voorzitter vraagt mij of ik op 20 januari 2024 AirPods heb afgepakt in de tram. Ja. We hadden een beetje een kleine discussie. De voorzitter vraagt mij of het een prettige discussie was. Nee. Ik begrijp dat hij schrikt van twee personen ineens. De voorzitter vraagt mij of ik een mes bij me had bij dat voorval. Ja. De voorzitter vraagt mij of ik snap dat de aangever zich bedreigd voelde. Ja. Het klopt dat ik in de jaszakken van de aangever heb gevoeld. Daar heb ik de case van de AirPods uitgehaald.
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 20 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 572-578):
Ik ben vandaag op 20 januari 2024, om ongeveer 19.15 uur, in de tram gestapt op
station Delft. Toen de tram net wegreed van station Delft merkte ik dat de twee daders mij heel lang aanstaarden. Zij kwamen toen richting mij gelopen. Ik hoorde ze zeggen: “Kan je me nog herinneren.”? of in andere woorden gezegd. Ik herkende de twee daders nog van ongeveer twee á drie jaar geleden. Van dit incident weet ik dat één van de daders [verdachte] heette. In de tram gingen de daders ondertussen door met doodsbedreigingen: “Ik kan je doodmaken, ik ga je doodmaken.”, “Zie je dit mes, deze kan heel diep in jouw lichaam gaan.”. Hierbij lieten de daders allebei zien dat zij een mes op de heup droegen. Ik zag dat beide daders dus een mes bij zich hadden. Toen vroegen ze: “Wat heb je allemaal bij je?” Ze hebben vervolgens mijn AirPods uit mijn oren getrokken en de case van de AirPods graaiden ze uit mijn jaszak. Tegelijkertijd pakten ze ook de 50 euro uit mijn jaszak.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 22 januari 2024, voor zover inhoudende (p. 585-593):
Omstreeks 19:09:49 uur, kwam de aangever de tram in.
Om 19:10:23 was te zien dat de twee verdachten verderop de tram in kwamen en eerst de andere kant opliepen weg van de aangever.
Vervolgens liepen de twee verdachten om 19:11:25 uur direct naar de aangever toe en gingen beiden direct voor hem staan terwijl de aangever bleef zitten. De verdachten stonden zo dichtbij dat de aangever nergens naar toe kon. Hierna was te zien dat de verdachten in gesprek waren met de aangever. Om 19:13:28 uur was te zien dat de verdachten omwisselen van plaats en was te zien dat verdachte 2 met zijn handen de aangever een soort van fouilleerde. Omdat de kleur van het beeld soms verspringt naar donker was niet precies deden.
3.4
Bewijsoverwegingen – Dagvaarding I feit 1
De raadsman heeft vrijspraak gevraagd van een aantal onderdelen van de tenlastelegging, namelijk van het tonen van een mes, het slaan tegen het hoofd van de aangever en het stelen van € 50,-.
De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van het slaan tegen het hoofd/het lichaam van de aangever omdat het dossier daarvoor onvoldoende overtuigend bewijs bevat. De aangever heeft verklaard dat hij meerdere malen is geslagen, maar op de beelden van het voorval is het slaan niet te zien. Dat de aangever wel heeft verklaard dat hij is geslagen, maakt zijn verklaringen voor het overige niet onbetrouwbaarder, zoals de raadsman heeft bepleit. Zijn aangifte vindt, uitgezonderd van het slaan, verder namelijk wel steun in de beelden van het incident en de verklaring van de verdachte zelf. Op de beelden is te zien dat er gesproken wordt en volgens de verdachte zelf was dit ‘geen prettige discussie’. Ook is te zien dat de aangever gefouilleerd wordt. Daarnaast heeft de verdachte zelf verklaard dat hij een mes bij zich had en dat hij snapt dat de aangever zich bedreigd voelde. De rechtbank zal de verdachte daarom alleen vrijspreken van het slaan van de aangever en de overige onderdelen van de tenlastelegging bewezen verklaren.
3.5
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I feit 2
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH5R024020, van de Districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 730).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 26 februari 2026, inhoudende:
Verder liep het een beetje uit de hand. Ik gaf hem een sleutel. Ik rende op hem af. De voorzitter vraagt wat ik met de sleutel heb gedaan. Ik heb hem verwond. Ik stond achter hem. Het was een keldersleutel. Ik stond achter. Ik sprong. De voorzitter vraagt hoe de aangever een litteken kreeg op zijn kin. Hij bewoog zelf ook. Ik sprong op hem af. De sleutel was wel scherp, ik had mezelf er al aan verwond een paar keer.
2. Het proces-verbaal van verhoor verdachte, opgemaakt op 10 april 2024, voor zover inhoudende (p. 78):
A: Dus ik pakte uit mijn zak mijn sleutels zeg maar en vervolgens ik sprong en deed het zo tegen hem aan. (…)
V: Kan je dat voordoen. Ik ben die jongen en hier heb je een sleutel. Hoe ging dat dan.
B: Ik verbalisant [verbalisant 1] zag dat verbalisant [verbalisant 2] met zijn rug in de richting van betreffende verdachte stond. Ik zag dat de verdachte de sleutelbos in zijn rechterhand vast had, waarvan 1 sleutel tussen zijn duim en halverwege zijn wijsvinger. Ik zag dat de verdachte verbalisant [verbalisant 2] van achteren benaderde en hierbij lichtjes omhoog sprong en met zijn rechterhand rechtsom het gezicht van verbalisant [verbalisant 2] ging.
Ik zag dat de verdachte zijn rechterhand met daarin de sleutel van links naar rechts haalde in een vloeiende beweging.
3. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 6 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 397-401):
Ik zat op de tramhalte van de Papsouwselaan te Delft, dit was op 6 maart 2024. Ik zag dat jongen direct voor mij kwam staan en dat hij mij aansprak. Ik belde mijn broer om mij op te halen omdat ik de tram gemist had en mij niet veilig voelde met deze jongens rondom mij. Ik zag dat mijn broer stopte op de Papsouwselaan ter hoogte van het Pad van Troje. Met de drie mannen om mij heen stond ik op en liep ik rustig weg. Ik werd van achter aangevallen door een jongen met een rode jas. Ik voelde een klap op mijn kin van achter of vanaf de zijkant. De klap vanaf achter of vanaf de zijkant blijkt een snijwond te zijn. Ik ben naar het ziekenhuis geweest voor behandeling, hierbij zijn 6 of 7 hechtingen geplaatst in mijn gezicht.
4. Het proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] , opgemaakt op 7 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 428-430):
Op woensdag 6 maart 2024 omstreeks 21:38 uur werd ik gebeld door mijn broertje. Ik heb me aangekleed en ben direct naar mijn broertje gereden aan de Papsouwselaan. Ik bracht mijn auto tot stilstand op de Papsouwselaan, kruisend met het Pad van Troje en bleef in de auto zitten. Ik zag dat mijn broer rustig mijn kant op liep. Ik zag dat een jongen mijn broertje achterna liep.
Van deze jongen kan ik het volgende signalement opgeven:
-
Opvallend rood gekleurde jas.
Ik zag dat deze jongen vervolgens mijn broertje benaderde van achteren en een mes vast had. Ik zag dat hij mijn broertje beetpakte en van achteren met het mes in het gezicht van mijn broertje sneed. Het leek erop alsof hij mijn broertje van achteren benaderd had om zijn keel door te snijden.
5. Een geschrift, te weten de Forensisch medische letselrapportage, opgemaakt op 29 april 2024 door [naam] , forensisch arts in opleiding, en S.M. Khargi, forensisch arts, voor zover inhoudende (p. 423-427):
Op basis van de letselkenmerken is het letsel op de kin meest waarschijnlijk een snijverwonding. Algemeen worden snijwonden verklaard door de inwerking van klievend en/of perforerend scherprandig uitwendig mechanisch geweld, door (zich) snijden met of aan een scherprandig en scherppuntig voorwerp of uitsteeksel van een groter object/structuur.
3.6
Bewijsoverwegingen – Dagvaarding I feit 2
De rechtbank moet beoordelen of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot doodslag. Wat betreft de poging tot doodslag moet de rechtbank de vraag beantwoorden of de verdachte opzet heeft gehad op de dood van de aangever. Uit het dossier kan de rechtbank echter niet opmaken dat de verdachte de bedoeling heeft gehad om de aangever te doden. Er is dan ook geen sprake van vol opzet. De rechtbank moet daarom beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever.
Voorwaardelijk opzet
Er is sprake van voorwaardelijk opzet als de verdachte door zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden. Bij de beantwoording van de vraag of de kans op de dood in een bepaald geval aanmerkelijk is, is van belang hoe de verdachte gehandeld heeft en onder welke omstandigheden. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is.
De rechtbank stelt het volgende vast. De verdachte is achter de aangever aangerend, heeft de aangever vanaf achter benaderd met een sprong en heeft met zijn rechterhand een puntig, scherp voorwerp langs het gezicht van de aangever gehaald. Volgens de broer van de aangever leek het alsof de verdachte de keel van de aangever wilde doorsnijden. De aangever had een snee van ongeveer zes à zeven centimeter langs de kaak en de kin die in het ziekenhuis gehecht moest worden.
De rechtbank kan niet vaststellen of er is gesneden met een mes, maar wel staat vast dat het een scherp/puntig voorwerp was. Het voorwerp heeft immers een snee kunnen maken in het gezicht van de aangever die zodanig diep was dat deze gehecht moest worden. De verdachte heeft zelf ook verklaard dat het voorwerp dat hij gebruikte (volgens hem een puntige keldersleutel) scherp was. De verdachte rende met dit zeer scherpe voorwerp achter de aangever aan, sprong op hem af en haalde het voorwerp langs hem op een plek die hij op dat moment niet heeft kunnen zien. Dit gebeurde met dusdanige kracht dat die snee in het gezicht van de aangever kon worden veroorzaakt. Onder deze omstandigheden (rennend, de aangever van achteren benaderend en springend) had het scherpe voorwerp gemakkelijk op een andere plek dan op de kin van de aangever terecht kunnen komen. Hierbij heeft de rechtbank ook nog meegewogen dat de verdachte heeft verklaard dat de aangever bewoog toen hij, de verdachte, op hem af sprong. Als de verdachte de aangever enkele centimeters lager had geraakt met het scherpe voorwerp, in zijn hals, had hij zijn halsslagader kunnen raken en was de aangever direct in levensgevaar geweest. Deze kans acht de rechtbank aanmerkelijk. De verdachte heeft deze aanmerkelijke kans door zijn handelen bewust aanvaard. De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging tot doodslag van de aangever daarom wettig en overtuigend bewezen.
Medeplegen?
De rechtbank moet ook beoordelen of de verdachte deze poging tot doodslag in vereniging heeft gepleegd met (een) medeverdachte(n). Uit het dossier blijkt dat er anderen personen aanwezig waren, maar niet dat zij zodanig nauw en bewust hebben samengewerkt met de verdachte dat gesproken kan worden van medeplegen. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het in vereniging plegen van dit feit.
3.7
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding I feit 3
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met onderzoeksnummer DH5R024020, van de Districtsrecherche Westland-Delft, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 730).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 26 februari 2026, inhoudende:
De voorzitter vraagt mij hoe dat vuurwapen in de kamer van mijn zus kwam. Het was een tas van een vriend van mij. Hij is geen vriend. Ik vroeg aan haar of die tas even bij haar op de kamer kon. Ze zei van ja. De voorzitter vraagt mij waarom die persoon het bij mij neerlegde. Hij moest ergens naartoe. Hij vroeg: ‘Kan het even bij jou?’. De voorzitter vraagt hoe lang het bij mijn zus lag. Twee, drie dagen.
2. Het proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, opgemaakt op 21 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 226-254):
Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:
5.2: Vuurwapen achter een kledingkast
3. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing; Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 21 maart 2024, voor zover inhoudende (p. 722-725):
Soort wapen Omgebouwde alarmrevolver
Merk BBM
Model Olympic 38
Kaliber .22 LR (Long Rifle)
Uit het originele wapen is de loop uitgeboord en is er een andere loop in aangebracht.
4. Het proces-verbaal van Team Forensische Opsporing; Wapens, Munitie en Explosieven, opgemaakt op 13 mei 2024, voor zover inhoudende (p. 726-727):
Het vuurwapen is bestemd voor het verschieten van .22 knal randvuurpatronen en is geschikt gemaakt voor het verschieten van .22 Lr scherpe randvuurpatronen.
Ik heb met het vuurwapen een viertal proefschoten kunnen lossen. Dit betekent dat het een scherpschietend vuurwapen betreft.
3.8
Bewijsoverwegingen – Dagvaarding I feit 3
De raadsman heeft vrijspraak van dit feit bepleit omdat niet bewezen kan worden dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwapen.
De rechtbank moet vaststellen of de verdachte zich in een meerdere of mindere mate bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen. Voor het bewijs van deze bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad. [1]
In de onderhavige zaak is voldaan aan deze eisen. Het vuurwapen in kwestie zat, toen het werd aangetroffen, in een box (met het opschrift Sig Sauer) en die box zat in een tas en dit alles bevond zich in de slaapkamer van de zus van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat hij de tas met inhoud daar heeft neergelegd. Dat hij niet wist wat er in de tas zat, omdat hij deze overhandigd had gekregen van een vriend met het verzoek een en ander voor die vriend te bewaren, acht de rechtbank niet aannemelijk. De verdachte heeft alleen een voornaam verstrekt van de betreffende vriend, zijn woonplaats en een onvolledige Snapchatnaam en de politie heeft zijn verklaring daarom niet kunnen controleren. Bovendien past bij het vermeende ‘bewaren’ van het vuurwapen naar het oordeel van de rechtbank niet dat de tas verborgen lag achter een kast. Tot slot weegt de rechtbank mee dat in de slaapkamer van de zus van de verdachte ook een machete is aangetroffen, waarvan de verdachte heeft verklaard dat deze van hem was.
3.9
Gebruikte bewijsmiddelen – Dagvaarding II
De rechtbank zal voor dit feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit
feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met zaakregistratienummer PL1500-2025334276 van de Politie Eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 328).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte op de terechtzitting van 26 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 4] ), opgemaakt op 2 oktober 2025 (p. 84-93);
3. Het proces-verbaal van aangifte (van [slachtoffer 3] ), opgemaakt op 2 oktober 2025 (p. 94-103);
4. Het proces-verbaal van verhoor verdachte ( [verdachte] ), opgemaakt op 4 december 2025 (p. 258-275);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 oktober 2025 (p. 82-83).
3.1
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I: 09-098561-24
1.
hij op 20 januari 2024 te Delft, tezamen en in vereniging met een ander,
AirPods en een geldbedrag van 50 euro, die aan [slachtoffer 1]
toebehoorden, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan
envergezeld
van bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden
engemakkelijk te maken,
door
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Ik kan je doodmaken, ik ga je doodmaken" en
"Zie je dit mes, deze kan heel diep in jouw lichaam gaan”, en
- een mes aan die [slachtoffer 1] te tonen, en
- met de handen in de jaszakken van die [slachtoffer 1] te voelen;
2.
hij op 6 maart 2024 te Delft ter uitvoering van het voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk van het leven te beroven,
- op die [slachtoffer 2]
isafgerend met een scherp/puntig voorwerp, en
- die [slachtoffer 2] vanaf achteren
heeftbenaderd en vervolgens vanaf achteren met een scherp/puntig voorwerp in de kin van die [slachtoffer 2]
heeftgesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3.
hij op 21 maart 2024 te Delf een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber .22 Lr, zijnde een vuurwapen in de vorm van een revolver, voorhanden heeft gehad;
Dagvaarding II: 09-330639-25
hij op 2 oktober 2025 te Delft op de Gashuisplaats openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen personen, te weten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond uit het in de hals en het gezicht steken met een afrokam en schoppen en slaan tegen het lichaam.
Voor zover in de tenlasteleggingen taal- en/of typefouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen straffen

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten – met toepassing van het jeugdstrafrecht – wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 165 dagen waarvan 90 voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en onder de voorwaarden zoals zij door de Reclassering zijn geadviseerd. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 180 uren gevorderd.
De officier heeft gevorderd dat de verdachte voor het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit – met toepassing van het volwassenenstrafrecht – wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 79 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht en onder dezelfde voorwaarden zoals die zijn geadviseerd door de Reclassering, zodat voor de verdachte, ondanks de toepassing van twee sanctiestelsels, één pakket voorwaarden geldt. De officier van justitie heeft daarnaast een werkstraf van 60 uren gevorderd.
De officier van justitie heeft verzocht om de bijzondere voorwaarden in beide gevallen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een straf gelijk aan het reeds ondergane voorarrest, eventueel aangevuld met een voorwaardelijk deel met bijzondere voorwaarden. De verdediging verzoekt om te bepalen dat de verdachte wordt begeleid door de volwassen reclassering, ongeacht de toepassing het jeugd- of volwassenenstrafrecht. De raadsman vraagt verder om geen elektronische monitoring te verbinden aan eventueel op te leggen bijzondere voorwaarden omdat daartoe geen noodzaak bestaat.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank houdt bij de strafoplegging rekening met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan uit de rapportages en tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft met zijn medeverdachte iemand bestolen van zijn AirPods en geld en heeft daarnaast in een groep geweld gepleegd tegen twee andere personen. De verdachte heeft daarmee laten zien dat hij geen respect heeft voor de eigendommen en het gevoel van veiligheid van andere personen. De verdachte heeft beide feiten in het openbaar gepleegd, waarmee hij niet alleen de aangevers, maar ook andere omstanders bang heeft gemaakt. Ook is er bij het geweld tegen slachtoffers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] door een medeverdachte een wapen (een afrokam) gebruikt waarmee nog veel ernstiger letsel veroorzaakt had kunnen worden.
Daarnaast heeft de verdachte het slachtoffer [slachtoffer 2] op een schokkende manier verwond door hem van achteren te bespringen en te snijden met een scherp voorwerp. Het handelen van de verdachte was zeer gevaarlijk en had, als de snee net lager terecht was gekomen, nog veel ernstiger kunnen aflopen. Daarnaast heeft het slachtoffer, zoals ook blijkt uit zijn slachtofferverklaring, nog dagelijks last van het litteken dat de verdachte op zijn gezicht heeft achtergelaten.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 26 februari 2026. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte op 17 oktober 2023 is veroordeeld voor een feit dat vergelijkbaar is met feit 2 op Dagvaarding I en het feit op Dagvaarding II, te weten voor openlijk geweld en een poging tot zware mishandeling.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro Justitia rapportage van 22 juli 2024. Daaruit volgt, kort samengevat, dat er bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid en een bedreigde persoonlijkheidsontwikkeling met antisociale kenmerken. De verdachte kan de gevolgen van zijn handelen volgens de deskundigen niet goed overzien. De psychologen adviseren om de bij dagvaarding I ten laste gelegde feiten verminderd aan de verdachte toe te rekenen. Zonder passende hulpverlening wordt het risico op recidive als matig tot hoog ingeschat. De psychologen adviseren de toepassing van het jeugdstrafrecht.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 30 september 2024. Daaruit volgt, kort samengevat, dat het risico op recidive niet kan worden ingeschat. Er wordt geadviseerd om het jeugdstrafrecht toe te passen omdat de verdachte nog bij zijn ouders woont, naar school gaat, beïnvloedbaar is door zijn sociale netwerk en er sprake is van beperkte cognitieve vermogens.
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het rapport van Reclassering Nederland van 24 februari 2026. Daaruit volgt, kort samengevat, dat het risico op recidive als hoog wordt ingeschat en de risicofactoren vooral liggen in het sociale netwerk en het psychosociaal functioneren van de verdachte. De reclassering adviseert om ten aanzien van het bij dagvaarding II ten laste gelegde feit het volwassenenstrafrecht toe te passen. Ondanks dat de verdachte nog bij zijn ouders woont en schoolgaand is, lijkt er nauwelijks nog sprake van pedagogische beïnvloeding en zijn de interventies van het jeugdstrafrecht niet meer toereikend. De reclassering adviseert om een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen met bijzondere voorwaarden, waaronder een meldplicht, verplichte ambulante begeleiding, een contactverbod, een avondklok en verplichte dagbesteding.
De aanwezige jeugdreclasseerder heeft ter zitting naar voren gebracht dat het in het belang is van de verdachte om één duidelijk kader opgelegd te krijgen, ook als het gaat om eventuele bijzondere voorwaarden. Hij heeft duidelijk baat bij de begeleiding van de volwassenreclassering. De jeugdreclasseerder heeft daarnaast geadviseerd om een avondklok op te leggen zonder blokkenschema (dus met vaste tijden) omdat een dergelijk schema voor verwarring kan zorgen.
Toerekeningsvatbaarheid
De rechtbank volgt de conclusie van de deskundigen wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en vindt de verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.
Toepassing van het jeugdstrafrecht in ASR zaken
De rechtbank kan – ten aanzien van een verdachte die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit de leeftijd van 18 jaren maar nog niet die van 23 jaren heeft bereikt – het jeugdstrafrecht toepassen.
De rechtbank ziet aanleiding in de persoonlijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, om het jeugdstrafrecht toe te passen. De verdachte is zwakbegaafd, woont nog bij zijn ouders en volgt nog een opleiding. De persoonlijkheidsontwikkeling van de verdachte is bedreigd en pedagogische beïnvloeding is nog gewenst. De omstandigheden die aanwezig waren ten tijde van de pro Justitia rapportage en het eerdere reclasseringsrapport, zijn daarmee ook nu nog aanwezig. Ook is het wenselijk, zeker gelet op de ontwikkeling van de verdachte, dat hij voor alle gepleegde feiten samen straf krijgt en daarbij ook één pakket aan bijzondere voorwaarden. Splitsing in een deel sanctionering aan de hand van het jeugdstrafrecht en een deel aan de hand van het volwassenenstrafrecht ligt ook daarom niet voor de hand. De rechtbank zal dus ten aanzien van alle feiten het jeugdstrafrecht toepassen.
Redelijke termijn
De redelijke termijn waarbinnen een jeugdstrafzaak moet zijn afgedaan is zestien maanden. Die termijn is in het geval van dagvaarding I begonnen op het moment dat de verdachte in verzekering is gesteld. Dit was op 21 maart 2024 en op de uitspraakdatum is genoemde termijnen dus met meer dan zeven maanden overschreden. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die deze overschrijding van de redelijke termijn rechtvaardigen. De rechtbank zal hiermee in het voordeel van de verdachte rekening houden bij het opleggen van een straf.
Strafmodaliteit en strafmaatDe rechtbank is, net als de officier van justitie en de raadsman, van oordeel dat het niet in het belang van de ontwikkeling van de verdachte is als hij weer terug moet naar een justitiële jeugdinrichting. Er kan echter niet aan voorbij worden gegaan dat de verdachte meerdere feiten heeft gepleegd die grote gevolgen hebben gehad voor de slachtoffers, in het bijzonder voor het slachtoffer [slachtoffer 2] . De rechtbank zal de verdachte daarom een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen gelijk aan de tijd die de verdachte al heeft doorgebracht in voorarrest (94 dagen). De rechtbank zal de verdachte daarnaast een forse voorwaardelijke jeugddetentie opleggen van 150 dagen, met een proeftijd van 2 jaren en onder de door de reclassering in het meest recente rapport geadviseerde bijzondere voorwaarden (een meldplicht, een contactverbod met slachtoffers en de medeverdachten (met uitzondering van zijn broer), een avondklok, een verplichting tot meewerken aan coaching en een verplichting tot het hebben van een zinvolle dagbesteding). De rechtbank zal bepalen dat het toezicht op die voorwaarden uitgevoerd zal worden door de volwassen reclassering omdat de betrokken hulpverleners dat passender vinden. De rechtbank zal, vanwege de overschrijding van de redelijke termijn en omdat de verdachte al een lange periode een enkelband heeft gehad, bij de voorwaarden geen elektronische monitoring (enkelband) opnemen. De rechtbank zal de verdachte naast de deels voorwaardelijke jeugddetentie een werkstraf opleggen van 140 uren, omdat de verdachte naar het oordeel van de rechtbank ook nu nog de consequenties moet voelen van de feiten die hij heeft gepleegd naast het toezicht dat voor hem blijft gelden.
Dadelijke uitvoerbaarheidDe verdachte heeft zich – onder meer – schuldig gemaakt aan een misdrijven die zijn gericht tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, te weten een poging tot doodslag, een diefstal met bedreiging met geweld en openlijk geweld tegen personen. Gelet op de ernst van de feiten en de rapportages van de psycholoog en de reclassering, waaruit naar voren komt dat er sprake is van een (matig tot) hoog recidiverisico, is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 77z van het Wetboek van Strafrecht te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 77aa van dit wetboek uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn.

7.De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer 2] , ter terechtzitting bijgestaan door mr. E.J.M.J. Damen, heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 136.835,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 101,835,11 aan materiële schade en € 35.000,- aan immateriële schade. De materiële schade bestaat uit de posten: eigen risico van € 770,-, huidbehandelingen van € 639,-, huidverzorging van € 226,-, kleding van € 200,- en toekomstige schade (cosmetische ingrepen) van € 100.000,-. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot volledige hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vordering omdat het voegingsformulier niet volledig is ingevuld. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat niet alle schadeposten deugdelijk zijn onderbouwd en de vordering in zoverre afgewezen moet worden. Dit geldt volgens de raadsman voor de gestelde psychologische behandeling, studievertraging, eigen risico, de huidbehandeling bij Rijnstaete en de huidbehandelingen van ieder € 89,-. De verwijzingen naar jurisprudentie en de Rotterdamse Schaal kunnen niet leiden tot volledige toewijzing van het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding, aldus de raadsman. Dat deel van de vordering zou maximaal toegewezen moeten worden tot een bedrag van € 4.000,-, zo is betoogd.. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de post kleding en heeft verzocht (zoals door de benadeelde partij ook is gevraagd) de benadeelde partij in de vordering, voor zover het gaat om toekomstige schade, niet-ontvankelijk te verklaren.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet, zoals de raadsman heeft verzocht, volledig niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Het feit dat het voegingsformulier niet volledig is ingevuld is hersteld door het feit dat de benadeelde partij met zijn advocaat op de zitting is verschenen.
Materiële schade
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op twee huidbehandelingen van € 89,-, de huidverzorgingsproducten ter waarde van € 226,11 en de kleding, is namens de verdachte niet betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit ter grootte van de gevorderde bedragen. De rechtbank maakt gebruik van haar schattingsbevoegdheid wat betreft de kleding (artikel 6:97 van Pro het Burgerlijk Wetboek), omdat de omvang van de geleden schade aan de kleding van de benadeelde niet nauwkeurig kan worden vastgesteld. Gelet op het feit dat de benadeelde een bloedende wond had, stelt de rechtbank die schade vast op een bedrag van € 200,-.
De rechtbank zal de benadeelde partij, wat de betreft de gevorderde vergoeding voor materiële schade, voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering (dit betreft de posten: eigen risico, de huidbehandelingen waarvan geen facturen zijn aangedragen en de toekomstige schade). De posten eigen risico en de huidbehandelingen (buiten de twee behandelingen waarvan facturen zijn aangedragen) zijn door de verdediging betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De vordering bevat geen bewijs dat de verdachte twee jaar zijn eigen risico heeft moeten afdragen of dat hij meer dan twee huidbehandelingen heeft ondergaan. De benadeelde partij heeft daarnaast zelf verzocht om hem in de vordering tot het vergoeden van toekomstige schade niet-ontvankelijk te verklaren. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van deze delen van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Immateriële schade
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan naar het oordeel van de rechtbank worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde feit omdat de benadeelde daarbij lichamelijk letsel heeft opgelopen. Hoewel de rechtbank zonder meer begrijpt dat het gepleegde feit ook impact heeft gehad op de psychische gesteldheid van de aangever en hij een litteken heeft waar hij dagelijks mee geconfronteerd wordt, kan de rechtbank niet vaststellen dat zich bij hem een ernstige psychische reactie voordoet. De benadeelde partij heeft gesteld dat hij behandeld wordt/werd door een psycholoog, maar dat is niet met stukken onderbouwd. Het korte stuk getiteld “details afspraak” dat ziet op een afspraak met de huisarts betreffende een verwijzing naar de psycholoog, acht de rechtbank daartoe onvoldoende. Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 6.000,-, aansluiting zoekend bij categorie 9.2 onder c van de Rotterdamse Schaal.
De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot immateriële schadevergoeding.
Totaal toegewezen
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 6.604,11, bestaande uit € 604,11 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade.
Wettelijke rente
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 6 maart 2024, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskostenveroordeling
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bij dagvaarding I onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 6.604,11, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] .
Gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte, zal geen gijzeling worden toegepast.

8.De vordering tot tenuitvoerlegging

8.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de bij parketnummer 09-166350-23 door de politierechter van de rechtbank Den Haag op 17 oktober 2023 voorwaardelijke opgelegde straf van één maand jeugddetentie, ten uitvoer wordt gelegd wegens het niet naleven van de algemene voorwaarde, inhoudende dat de verdachte geen nieuw strafbaar feit mag plegen.
8.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vordering af te wijzen gelet op het tijdsverloop sinds genoemde veroordeling.
8.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank ziet aanleiding tot tenuitvoerlegging van de op 17 oktober 2023 voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie van één maand omdat is gebleken dat de verdachte de algemene voorwaarde (geen strafbare feiten plegen) niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich vóór het einde van de proeftijd wederom schuldig gemaakt aan vergelijkbare strafbare feiten. Omdat de rechtbank het niet wenselijk vindt dat de verdachte nogmaals vast komt te zitten, omdat begeleiding en coaching noodzakelijk is en omdat de verdachte eerder met succes een werkstraf heeft uitgevoerd, zal de rechtbank de jeugddetentie omzetten in een werkstraf van 60 uren.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
- 36f, 45, 77c, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 141, 287 en 312 van het Wetboek van Strafrecht;
- 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1, onder 2, primair, onder 3 en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.10 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
Dagvaarding I: 09-098561-24
feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken;
feit 2, primair:
poging tot doodslag;
feit 3:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Dagvaarding II: 09-330639-25
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde en de verdachte daarvoor strafbaar;
straffen
veroordeelt de verdachte tot:
een
jeugddetentievoor de duur van
244 DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht (de rechtbank gaat uit van 94 dagen), bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van deze jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt dat een gedeelte van deze jeugddetentie,
150 DAGEN, niet ten uitvoer zal worden gelegd als de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op
twee jarenvastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:
1. zich gedurende de proeftijd meldt bij Reclassering Nederland, op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo vaak en zo lang de reclassering dat noodzakelijk acht;
2. gedurende de proeftijd op geen enkele wijze – direct of indirect en ook niet via sociale media,– contact zal opnemen, zoeken of hebben met:
s
lachtoffers:
- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum 2] 2006;
- [slachtoffer 2] , geboren op [geboortedatum 3] 2006;
- [slachtoffer 4] , geboren op [geboortedatum 4] 2008;
- [slachtoffer 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2006;
medeverdachten:
- [medeverdachte 1] , geboren op [geboortedatum 6] 2006;
- [medeverdachte 2] , geboren op [geboortedatum 7] 2004;
- [medeverdachte 3] , geboren op [geboortedatum 8] 2004;
tenzij de reclassering hiervoor toestemming geeft, zolang de reclassering dit nodig acht;
3. gedurende de proeftijd aanwezig is op de navolgende locatie: [adres 2] , van 20:00 uur tot 07:00 uur, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht, waarbij de reclassering de tijdstippen mag veranderen;
4. gedurende de proeftijd meewerkt aan de begeleiding van een coach van E25 of een soortgelijke instelling, en zich houdt aan de afspraken die daarbij met hem worden gemaakt, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;
5. gedurende de proeftijd een zinvolle, door de reclassering goedgekeurde, dagbesteding heeft;
geeft opdracht aan Reclassering Nederland om toezicht te houden op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen
aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld
in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
- zijn medewerking zal verlenen aan het door de reclassering te houden
toezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek
van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de
reclassering, zo vaak en zo lang als de reclassering dit noodzakelijk acht,
daaronder begrepen.
beveelt dat de bovengenoemde voorwaarden en het – op grond van artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht – uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;
veroordeelt de verdachte daarnaast tot:
een
taakstraf, bestaande uit een
werkstraf, zijnde het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van
140 UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van
70 DAGEN;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 2] gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 6.604,11 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij [slachtoffer 2] , een bedrag van € 6.604,11, bestaande uit € 604,11 aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering;
bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] te betalen € 6.604,11, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 6 maart 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen;
de vordering tenuitvoerlegging
gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde jeugddetentie voor de duur van 1 maand, opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter van 17 oktober 2023 in de zaak met parketnummer 09-166350-23, in die zin dat die straf wordt omgezet in een werkstraf van
60 UREN;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op de geschorste bevelen tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Pereira Horta, kinderrechter, voorzitter,
mr. J.E. Bierling, kinderrechter,
en mr. M.M.C. Limbeek, kinderrechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.T. Verlinde, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 12 maart 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
Dagvaarding I: 09-098561-24
1
hij op of omstreeks 20 januari 2024 te Delft
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
AirPods en/of een geldbedrag van 50 euro, in elk geval enig goed, dat/die geheel of
ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl deze diefstal werd voorafgegaan, vergezeld
en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [slachtoffer 1] , gepleegd
met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om,
bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan het misdrijf
hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
door
- tegen die [slachtoffer 1] te zeggen "Ik kan je doodmaken, ik ga je doodmaken" en/of
"Zie je dit mes, deze kan heel diep in jouw lichaam gaan” althans woorden van
gelijke dreigende aard of strekking, en/of
- een mes aan die [slachtoffer 1] te tonen, en/of
- tegen het hoofd, althans het lichaam van die [slachtoffer 1] te slaan, en/of
- met de handen in de jaszakken van die [slachtoffer 1] te voelen;
(zaak 2)
2
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Delft
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om [slachtoffer 2] opzettelijk
van het leven te beroven, immers heeft/hebben verdachten
- tegen die [slachtoffer 2] gezegd dat hij hem gaat doodmaken, en/of
- op die [slachtoffer 2] afgerend met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, en/of
- die [slachtoffer 2] vanaf achteren benaderd en/of (vervolgens vanaf achteren) met een
mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het gezicht/de kin, althans het lichaam
van die [slachtoffer 2] gestoken/gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Delft
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel, te weten een snijwond in het gezicht van die [slachtoffer 2] , heeft
toegebracht door
die [slachtoffer 2] vanaf achteren te benaderen en/of (vervolgens vanaf achteren) met een
mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het gezicht/de kin, althans het lichaam
van die [slachtoffer 2] te steken/snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 6 maart 2024 te Delft
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [slachtoffer 2]
opzettelijk
zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, immers heeft verdachte
- op die [slachtoffer 2] afgerend met een mes, althans een scherp/puntig voorwerp, en/of
- die [slachtoffer 2] vanaf achteren benaderd en/of (vervolgens vanaf achteren) met een
mes, althans een scherp/puntig voorwerp in het gezicht/de kin, althans het lichaam
van die [slachtoffer 2] gestoken/gesneden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
(zaak 1)
3
hij op of omstreeks 21 maart 2024 te Delft
een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te
weten een omgebouwde alarmrevolver, van het merk BBM, type Olympic 38, kaliber
.22 Lr
zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool
voorhanden heeft gehad
Dagvaarding II: 09-330639-25
hij op of omstreeks 2 oktober 2025 te Delft op de Gasthuisplaats, in elk geval
openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een of meer personen, te weten
[slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , welk in vereniging gepleegde geweld bestond
uit het in de hals en/of het gezicht steken met een afrokam, althans een scherp
en/of puntig voorwerp en/of schoppen en/of slaan tegen het lichaam;