ECLI:NL:RBDHA:2026:5491

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
NL25.33393
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 VisumcodeArt. 7:3 AwbVerordening (EG) nr. 810/2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing visumaanvraag kort verblijf wegens onvoldoende sociale en economische binding

Eiser heeft een visum voor kort verblijf aangevraagd om zijn verloofde in Nederland te bezoeken. De minister van Asiel en Migratie wees de aanvraag af wegens onvoldoende bewijs van het doel en de omstandigheden van het verblijf en redelijke twijfel over het voornemen van eiser om tijdig terug te keren naar Koeweit, zijn land van bestendig verblijf.

Eiser stelde dat hij een religieus huwelijk heeft met zijn partner en dat hij werkzaam en traceerbaar is in Koeweit. De rechtbank oordeelde echter dat de overgelegde bewijsstukken, waaronder foto’s en verklaringen, onvoldoende waren om de relatie en het verblijfsdoel aannemelijk te maken. Bovendien waren er tegenstrijdigheden in de verklaringen over het doel en de duur van het verblijf.

De rechtbank bevestigde dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat eiser onvoldoende sociale en economische binding met Koeweit heeft. De geringe sociale banden en het ondergemiddelde salaris maakten het aannemelijk dat eiser mogelijk niet tijdig zal terugkeren. De rechtbank vond dat de hoorplicht niet is geschonden omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het visum kort verblijf wordt ongegrond verklaard vanwege onvoldoende sociale en economische binding en twijfel over het verblijfsdoel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33393

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.S. Yap),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. Sojo).

Procesverloop

Bij besluit van 29 januari 2025 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld in Breda. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

Eiser is geboren op [geboortedag] 1982 en heeft de Egyptische nationaliteit. Op 19 januari 2025 heeft hij verzocht om afgifte van een visum voor kort verblijf om referente, de verloofde van eiser, te kunnen bezoeken.
Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Bovendien is er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Deze afwijzing is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat de sociale en economische binding met het land van herkomst of bestendig verblijf onvoldoende is aangetoond, dan wel zeer gering is gebleken. Omdat de gemachtigde van eiser in het bezwaarschrift expliciet heeft aangegeven dat eiser na het beoogde verblijf zal terugkeren naar Koeweit (als land van bestendig verblijf) en niet naar het land van herkomst (Egypte), is door verweerder getoetst aan Koeweit.
3. Eiser stelt dat ten onrechte is overwogen dat het reisdoel en de verblijfsomstandigheden niet zijn aangetoond. Eiser komt zijn partner bezoeken en heeft in de vragenlijst van het visumformulier toegelicht hoe zij elkaar hebben leren kennen en dat zij in Koeweit religieus zijn getrouwd. Dat deze religieuze huwelijksakte niet wordt erkend in Nederland, maakt niet dat er geen sprake is van een relatie tussen eiser en referente. De door verweerder gestelde zwakke sociale en economische banden met Koeweit zijn ontoereikend gemotiveerd. Eisers intenties en het doel van het bezoek zijn integer. Daarbij heeft referente een betrouwbaar profiel en is eiser traceerbaar en werkzaam in Koeweit. Dat eiser minder verdient dan het gemiddelde salaris in Koeweit maakt dit niet onaannemelijk. Niet valt in te zien dat eisers werk onaannemelijk is. De afwijkende titel op eisers werkgeversverklaring doet geen afbreuk aan de feitelijke werkzaamheden die eiser verricht in Koeweit. Verder heeft verweerder de hoorplicht geschonden.
De rechtbank oordeelt als volgt.
4. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode [1] blijkt dat verweerder verplicht is een visum te weigeren indien redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen.
5. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Dat staat onder andere in het arrest van het Hof [2] in de zaak [naam] . [3] Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Als naar gelang de sociale dan wel economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Doel en omstandigheden van het verblijf
6. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser het doel en de omstandigheden van het verblijf niet (voldoende) heeft aangetoond. Verweerder heeft in dit kader kunnen meewegen dat de motivering van referente in de vragenlijst van de visumaanvraag dat zij en eiser religieus getrouwd zijn in Koeweit en de overgelegde foto’s onvoldoende zijn om hun gestelde relatie aannemelijk te achten. Uit de vijf overgelegde foto’s volgt niet zondermeer dat eiser en referente een relatie hebben. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen verifieerbare informatie heeft weten te verschaffen in dit kader. Voorts heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat tegenstrijdig is verklaard over het doel van eisers verblijf. Zo stelt eiser op het visumaanvraagformulier dat het doel van zijn verblijf toerisme is en stelt referente later in het ‘Bewijs van garantenstelling en/of particuliere logiesverstrekking’ en in de vragenlijst dat eiser naar Nederland komt om zijn verloofde (referente) te bezoeken. Eisers motivering in de beroepsgronden en ter zitting dat hij gedurende zijn verblijf bij partner toeristische activiteiten wil verrichten en dat dit langs elkaar kan bestaan, leidt niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft hiertoe ter zitting terecht overwogen dat deze verklaring geen afbreuk doet aan de vaststelling dat eiser wisselend heeft verklaard over het doel van zijn verblijf en dat alles in samenhang bezien leidt tot de conclusie dat eisers doel van het verblijf onvoldoende is aangetoond.
7. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen dat hij (ook in de bezwaarprocedure) geen aanvullende stukken heeft overgelegd die de relatie met referente, dan wel het doel van zijn verblijf aantonen. Ook stelt verweerder terecht dat eiser wisselend heeft verklaard over de duur van zijn verblijf. Zo volgt uit de door eiser overgelegde vliegtickets dat hij op 8 februari 2025 zou inreizen en op 18 februari 2025 zou uitreizen. Eiser heeft op de ingediende visumaanvraag een verblijfsduur van 28 dagen opgegeven. Referente heeft op het bij de visumaanvraag overgelegde ‘Bewijs van garantstelling en/of particuliere logiesverstrekking’ aangegeven dat eisers verblijfsduur drie maanden zal zijn. In bezwaar stelt referente dat eiser slechts tien dagen in Nederland zal verblijven en dat het ten tijde van de visumaanvraag onduidelijk was hoelang eiser in Nederland zou verblijven. Verweerder heeft in dit kader terecht gesteld dat de enkele stelling dat eiser tien dagen in Nederland zal verblijven, zonder hiervoor onderbouwende bewijsstukken aan te leveren – gelet op de eerdere wisselende verklaringen – afbreuk doet aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de door eiser verstrekte informatie.
Sociale en economische binding
8. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van een zodanige sociale binding van eiser met Koeweit dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser geen sociale band heeft met Koeweit voor wat betreft familieleden waarvoor hij de verantwoordelijkheid of zorg draagt. Ook heeft verweerder kunnen meewegen dat niet is gebleken van zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiser dwingen om tijdig naar Koeweit terug te keren. Verweerder stelt niet ten onrechte dat, nu eiser geen familieleden in Koeweit heeft, de aanwezigheid van zijn verloofde in Nederland maakt dat hij een sterkere sociale binding met Nederland. Voor zover eiser ter zitting aanvoert dat hij vanwege zijn verblijfskaart tijdig dient terug te keren naar Koeweit en dat eiser zich niet in de vingers wil snijden door langer illegaal in Nederland te verblijven, doet dit geen afbreuk aan de vaststelling dat eisers sociale binding met Koeweit ontbreekt.
9. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat economische en sociale binding in samenhang worden bezien. In dit kader heeft verweerder gemotiveerd dat het gebrek aan sociale binding met Koeweit in eisers nadeel wordt meegewogen en dat verder onvoldoende is gebleken dat sprake is van een dusdanig sterke economische binding met Koeweit. Verweerder heeft hiertoe kunnen overwegen dat eiser met de overgelegde documenten weliswaar aannemelijk heeft gemaakt dat hij economisch actief is, maar dat gelet op het maandsalaris dat onder het gemiddelde maandsalaris in Koeweit ligt, niet kan worden aangenomen dat sprake is van substantiële economische binding met Koeweit. In de door eiser in beroep overgelegde aanvullende documenten over zijn arbeidsverleden heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Deze overgelegde stukken doen namelijk geen afbreuk aan de vaststelling dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij substantiële economische binding heeft met het land van bestendig verblijf.
10. Vanwege de onvoldoende gebleken sociale en economische binding met Koeweit, heeft verweerder kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiser om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
Hoorplicht
11. De Afdeling [4] heeft in haar uitspraak van 6 juli 2022 [5] benadrukt dat de indiener van een bezwaarschrift in beginsel door het bestuursorgaan daarover gehoord moet worden. Dit laat echter onverlet dat artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat hierop een uitzondering mogelijk is als het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit betekent dat er geen twijfel bestaat dat een bezwaarschrift niet leidt tot een ander oordeel dan in het primaire besluit is vervat. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat van een dergelijk geval sprake is. Op grond van wat namens eiser in bezwaar is aangevoerd over zijn sociale en economische binding met Koeweit alsmede zijn doel en omstandigheden van het verblijf, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Voor zover de gemachtigde van eiser aanvoert dat in een hoorgesprek zaken konden worden opgehelderd of nader konden worden geduid met stukken, heeft verweerder ter zitting terecht overwogen dat eiser in het bezwaarschrift en de aanvullende bezwaargronden en in de vragenlijst voldoende de gelegenheid is geboden om nadere toelichting te geven. In dit kader is namens eiser ter zitting ook niet concreet gemaakt wat hij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen wat volgens hem tot een ander oordeel had kunnen leiden.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 16 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verordening (EG) nr. 810/2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode.
2.Het Hof van Justitie van de Europese Unie.
3.Arrest van 19 december 2013, ECLI:EU:C:2013:862.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
5.Met het kenmerk: ECLI:NL:RVS:2022:1918.