ECLI:NL:RBDHA:2026:5474

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
SGR 24/4982
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WaboArt. 2.12 WaboArt. 4 BorArt. 14.2.3 Bestemmingsplan Esse-KleinpolderArt. 4.3 Invoeringswet Omgevingswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning dakopbouw garages bij geschakelde woningen niet in strijd met gelijkheidsbeginsel

Eiseres verzocht om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van een dakopbouw op garages naast geschakelde woningen in Nieuwerkerk aan den IJssel, waarbij de bouwhoogte de maximale hoogte van het bestemmingsplan overschreed. Het college weigerde de vergunning op basis van een negatief stedenbouwkundig advies en het ontbreken van soortgelijke precedenten in de onmiddellijke nabijheid, conform het gemeentelijke kruimelbeleid.

Na een bezwaarprocedure handhaafde het college het besluit. Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank, stellende dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden omdat elders in de gemeente vergelijkbare dakopbouwen waren toegestaan. De rechtbank oordeelde dat de genoemde vergelijkingen niet in dezelfde bouwblokken of onmiddellijke nabijheid lagen en bovendien onder een ander bestemmingsplan waren vergund.

De rechtbank concludeerde dat het college de beleidsruimte correct heeft benut, de belangen zorgvuldig heeft afgewogen en dat de ruimtelijke en stedenbouwkundige samenhang niet onevenredig wordt verstoord. Het beroep werd ongegrond verklaard, met als gevolg dat eiseres geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de omgevingsvergunning voor de dakopbouw wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/4982

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 maart 2026 in de zaak tussen

Ubique Management B.V., uit Nieuwerkerk aan den IJssel, eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van Zuidplas, het college

(gemachtigde mr. E. van Bennekom van de Omgevingsdienst Midden-Holland (ODMH)).

Samenvatting

1. Deze uitspraak beantwoordt de vraag of het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren om aan eiseres, in afwijking van het bestemmingsplan, een omgevingsvergunning te verlenen voor het plaatsen van een geschakelde dakopbouw op de garages naast de woningen aan de [straat 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] in Nieuwerkerk aan den IJssel.
1.1.
Het bezwaar van eiseres tegen het besluit waarbij haar de omgevingsvergunning is geweigerd, is door het college ongegrond verklaard. In het besluit op bezwaar is het college bij de weigering gebleven. Tegen dat besluit heeft eiseres beroep ingesteld. Aan de hand van de beroepsgronden die eiseres tegen het besluit op bezwaar heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college in redelijkheid heeft kunnen weigeren om de gevraagde vergunning te verlenen en dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het primaire besluit van 17 juli 2023 is de aanvraag geweigerd.
2.1.
Met het bestreden besluit op bezwaar van 26 april 2024 is het primaire besluit in stand gelaten en is het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de gronden daarvan aangevuld.
2.3.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De gemachtigde van eiseres heeft zich aan de zaak onttrokken.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door haar directeur-grootaandeelhouder en bewoner van het pand aan de [straat 1] [huisnummer 1] , [naam] , en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
3. De aanvraag is ingediend op 1 mei 2023. Het bouwplan voorziet in uitbreiding van de woningen boven de bestaande geschakelde garages, die door de opbouw een goot- en bouwhoogte van 5 m zullen krijgen. Dat is in strijd met de maximale bouwhoogte van 4 m die de regels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan ‘Esse-Kleinpolder’ toelaten. [1]
3.1.
Het college heeft beoordeeld of de gevraagde omgevingsvergunning in afwijking van de planregels kan worden verleend. [2] Daartoe is in opdracht van het college door de ODMH een advies ruimtelijke ordening uitgebracht van 26 januari 2023 (advies RO).
3.1.1.
Ten aanzien van het kruimelbeleid van de gemeente Zuidplas is in het advies RO overwogen: “(…) De specifieke regels stellen onder andere dat aan een dakkapel, dakopbouw of soortgelijke uitbreiding van een gebouw medewerking kan worden verleend, indien zich in hetzelfde bouwblok of in identieke bouwblokken in de onmiddellijke nabijheid reeds soortgelijke precedenten bevinden. In dit geval is er in hetzelfde bouwblok geen identieke dakopbouw geplaatst en wordt er niet voldaan aan de specifieke regels van het kruimelbeleid.”
3.1.2.
Onder het kopje ‘Stedenbouwkundig advies’ staat in het advies RO vermeld: “De aanvraag betreft een gezamenlijke opbouw (huisnummer [huisnummer 1] en [huisnummer 2] ) boven de bestaande garage. In de omgeving zijn geen soortgelijke opbouwen op garages gerealiseerd. Om precedentwerking te voorkomen wordt dit niet toegestaan. De opbouw doet een afbreuk aan de uitstraling van de woningen. Nu zijn de twee woningen aparte hoofdvolumes, maar als de opbouwen geplaatst worden, ontstaat er een groot volume aan bebouwing. De bouwmassa wordt dan te fors. Als dit toegestaan wordt ontstaat er een muur van bebouwing in dit hofje en dat sluit het geheel af van de omgeving. Voorliggend planvoornemen doet afbreuk aan de ruimtelijke en stedenbouwkundige samenhang ter plaatse. Het stedenbouwkundig advies is in dit geval daarom negatief. In het verleden is er aan de [straat 2] [huisnummer 3] en [huisnummer 4] wel een omgevingsvergunning toegekend. Echter is de vergunning van de [straat 2] [huisnummer 4] verleend onder een oud bestemmingsplan met andere bouwregels, waardoor deze toen als passend werd beschouwd. Stedenbouwkundig gezien is een dakopbouw boven een garage bij dit type woningen niet wenselijk, waardoor er in het nieuwe bestemmingsplan “Esse Kleinpolder" andere bouwregels zijn opgesteld m.b.t. het realiseren van een dakopbouw. Tevens zijn de woningen aan de [straat 2] andere type woningen en is er hierdoor geen sprake van precedentwerking.”
3.2.
Het advies RO heeft geleid tot de weigering van het college om in afwijking van de planregels de door eiseres gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.1.
Omdat de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 mei 2023, blijft in dit geval de Wabo van toepassing.
Eisende partij(en)
5. Ter zitting heeft eiseres gesteld dat dit beroep mede is ingesteld door de (voormalige) bewoner van de woning aan de [straat 1] [huisnummer 2] , die de woning inmiddels heeft verkocht. Het beroepschrift vermeldt echter dat het beroep alleen is ingesteld namens eiseres. Van mede-eisers is de rechtbank niet gebleken.
Toetsingskader
6. De voor de beoordeling van dit beroep relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.
6.1.
Voor de beoordeling van dit beroep is ook relevant de vaste rechtspraak van het hoogste bestuursrechtelijke college in zaken als deze, de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Die vaste rechtspraak houdt het volgende in. Het college komt bij de beslissing om al dan niet toepassing te geven aan haar bevoegdheid om in afwijking van het bestemmingsplan een omgevingsvergunning te verlenen, beleidsruimte toe en moet de betrokken belangen afwegen. De bestuursrechter oordeelt niet zelf of verlening van de omgevingsvergunning in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het besluit onevenredig zijn in verhouding tot de met de verlening van de omgevingsvergunning te dienen doelen. [3]
Is sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel?
7. Centraal staat de vraag of de weigering van het college om in afwijking van de planregels de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen strijdig is met het gelijkheidsbeginsel, zoals eiseres betoogt. Ter onderbouwing van haar betoog wijst eiseres op diverse andere geschakelde woningen in Nieuwerkerk aan den IJssel waar geschakelde dakopbouwen op de tussenliggende garages zijn vergund en gerealiseerd met een bouwhoogte die vergelijkbaar is met de door eiseres beoogde bouw.
7.1.
Het gelijkheidsbeginsel houdt in dat gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden, tenzij een verschil in behandeling objectief gerechtvaardigd is. Het gelijkheidsbeginsel verplicht het college om gelijke gevallen gelijk te behandelen en ongelijke gevallen naar de mate waarin ze verschillen.
7.2.
De specifieke beleidsregel op basis waarvan het college voor dakopbouwen van de planregels kan afwijken met toepassing van de kruimelgevallenregeling, bepaalt dat aan een dakopbouw medewerking kan worden verleend, indien zich “in hetzelfde bouwblok of in identieke bouwblokken in de onmiddellijke nabijheid” reeds soortgelijke precedenten bevinden. De door eiseres in dit verband als bestaande precedenten genoemde woningen waarvan de garages zijn voorzien van een dakopbouw ( [straat 2] [huisnummers 1] en [straat 3] [huisnummers 2] in Nieuwerkerk aan den IJssel) liggen echter op afstanden van - naar de rechtbank ter zitting heeft vastgesteld - ca. 300 m en verder van de woning van eiseres. Dat is ook niet betwist. Hoewel een definitie van ‘onmiddellijke nabijheid’ in de beleidsregels ontbreekt, houdt een redelijke uitleg daarvan een hogere mate van nabijheid in dan het geval is bij de door eiseres genoemde woningen. Anders gezegd: het college had een afstand van 300 m in redelijkheid niet als ‘onmiddellijke nabijheid’ in de hier bedoelde zin hoeven aan te merken. Bovendien zijn de door eiseres genoemde woningen ook geen (aan de woning van eiseres) identieke bouwblokken.
7.3.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat het college aannemelijk heeft gemaakt dat de woningen waarnaar eiseres verwijst een dakopbouw vergund gekregen in de jaren 1998 – 2004 in welke periode een ander bestemmingsplan van toepassing was. Het college heeft terecht opgemerkt dat de adressen aan de [straat 2] en [straat 3] blokwoningen zijn die zijn gelegen in een meer verdichte bebouwing, terwijl de [straat 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] twee-onder-een-kapwoningen zijn, gekoppeld door een garage en gelegen in een halve cirkel met meer groen en ruimte voor en achter de woningen.
7.4.
Van gelijke gevallen die ongelijk zijn behandeld, is dus in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. Het college heeft de door eiseres genoemde gevallen derhalve terecht niet als relevante soortgelijke precedenten aangemerkt in de zin van genoemde beleidsregel. Eiseres heeft niet betwist dat er in het hofje en de onmiddellijke nabijheid verder geen soortgelijke dakopbouwen zijn gerealiseerd. Zij heeft evenmin de stedenbouwkundige afwegingen, waarop het college de afwijzing van de aanvraag heeft gebaseerd, gemotiveerd weersproken. Daarin wordt afdoende onderbouwd dat de opbouwen die eiseres wenst te realiseren tot gevolg zouden hebben dat de twee afzonderlijke hoofdvolumes van de woningen aan de [straat 1] [huisnummer 1] en [huisnummer 2] zouden verworden tot één grote bouwmassa en dat dit in het hofje en de directe omgeving van haar woning een ongewenst precedent zou opleveren. Het college heeft de vorming van een dergelijk precedent, gelet op meergenoemde beleidsregels, vanuit stedenbouwkundig oogpunt onwenselijk kunnen achten.
7.5.
De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Artikel 2.12
1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:
a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:
(…)
2°.in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (…)
Bestemmingsplan Esse-Kleinpolder
Artikel 14 Wonen Pro
14.2
Bouwregels
14.2.3
Bijbehorende bouwwerken
Voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken gelden de volgende bepalingen:
(…)
e. de goothoogte van uit- en aanbouwen bedraagt de eerste volledige bouwlaag vermeerderd met 0,25 m¹, met een maximum van 4 m1;
f. de bouwhoogte van uit- en aanbouwen bedraagt maximaal 6 m1, in geval van een doorgetrokken dakvlak van het hoofdgebouw. In alle andere gevallen is de maximale bouwhoogte gelijk aan de maximale goothoogte;
Beleidsregel voor toepassing van planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas
2.2
Algemene regels
Essentieel is dat moet worden beoordeeld of er sprake is en blijft van een goede ruimtelijke
ordening. In de Wabo is dit namelijk expliciet voorgeschreven. In het kader daarvan moet,
voordat medewerking kan worden verleend aan een verzoek, worden beoordeeld of voldaan
wordt aan een aantal algemene criteria. Deze criteria zijn opgenomen in Hoofdstuk 3,
paragraaf 3.1.
Indien een verzoek aan de algemene criteria voldoet, kan in beginsel medewerking worden
verleend, mits ook wordt voldaan aan de specifieke criteria die hieronder per
afwijkingsmogelijkheid zijn opgenomen. De specifieke criteria gelden nadrukkelijk als
aanvullend op de algemene criteria. Dit betekent dat in ieder geval aan de specifieke criteria
zal moeten worden voldaan.
2.3
Specifieke regels
In aanvulling op de algemene regels die in paragraaf 3.1 geformuleerd zijn, zijn specifieke
regels opgenomen per categorie gevallen die genoemd zijn in artikel 4 van Pro Bijlage II Bor.
Deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2.
3.1
Algemene regels
De volgende algemene regels zijn van toepassing:
(…)
d) De ruimtelijke en stedenbouwkundige samenhang in de omgeving mag niet onevenredig worden verstoord en de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente moet gewaarborgd blijven;
(…)
3.2
Specifieke regels
Per categorie gevallen zijn de hieronder opgenomen specifieke regels van toepassing:
(…)
4.
Artikel 4, onderdeel 4 Bijlage II Bor:
Een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte aan of op een
gebouw, een dakkapel, dakopbouw of gelijksoortige uitbreiding van een gebouw, de
uitbreiding van een bouwwerk met een bouwdeel van ondergeschikte aard dan wel
voorzieningen gericht op het isoleren van een gebouw.
Ten aanzien van deze gevallen gelden de volgende criteria:
a. a) Aan een dakkapel, dakopbouw of soortgelijke uitbreiding van een gebouw kan medewerking worden verleend, indien zich in hetzelfde bouwblok of in identieke bouwblokken in de onmiddellijke nabijheid reeds soortgelijke precedenten bevinden.

Voetnoten

1.Artikel 14.2.3, aanhef en onder e, van de planregels.
2.Met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2° van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in samenhang met artikel 4, eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de Beleidsregel voor toepassing van planologische kruimelgevallen gemeente Zuidplas van de planregels af te wijken.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1960, rechtsoverweging 4.1.